Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA9629

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-07-2007
Datum publicatie
16-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/3443
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen procesbelang in geval van het niet-nakomen van de voorwaarde tot herplant. De wijze waarop de voorwaarde tot herplant is uitgevoerd maakt geen deel uit van de rechtmatigheidstoetsing door de rechtbank. Daarvoor kan eiseres een verzoek tot handhaving indienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/3443

Uitspraak van de rechtbank van 9 juli 2007

inzake

[eiseres],

te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. J.H. Hartman,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot,

verweerder,

gemachtigde mr. P.J.M. van Iersel.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen:

Woningbedrijf Oirschot, gevestigd te Oirschot, gemachtigde J.J.M. van Steensel (vergunninghouder).

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2005 heeft verweerder aan vergunninghouder een kapvergunning verleend voor het kappen van acht beuken, twee eiken, één populier, één kastanjeboom en één conifeer op het perceel aan de Bernadettestraat 4 te Spoordonk.

Hiertegen heeft eiseres bij brief van 5 december 2005 bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Bij uitspraak van 9 februari 2006 heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit van 26 juni 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft op 31 juli 2006 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld. De zaak is behandeld ter zitting van 31 mei 2007, waar eiseres is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de gemachtigde. Namens vergunninghouder is - met bericht van verhindering - niemand verschenen.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of verweerder bij bestreden besluit in redelijkheid de op 24 november 2005 aan vergunninghouder verleende vergunning voor het kappen van dertien bomen, in stand heeft kunnen laten.

2. De rechtbank gaat hierbij uit van de volgende feiten.

De kapvergunning van 24 november 2005 is verleend in verband met de geplande bouw van twaalf appartementen met berging op voornoemd perceel. Aan de kapvergunning is onder meer het voorschrift verbonden dat binnen één jaar na velling van de bomen conform het bij de vergunning gevoegde beplantingsplan (nr. 20040906) dient te worden herplant op het betreffende perceel.

3. Verweerder heeft zich - kort en zakelijk samengevat - op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat bij de te kappen bomen de in artikel 7, eerste lid, van de Bomenverordening Oirschot 2005-II (hierna: de Verordening) genoemde waarden zich in zodanige mate voordoen dat verweerder redelijkerwijs de aangevraagde kapvergunning diende te weigeren.

4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet, dan wel onvoldoende is ingegaan op de door haar in bezwaar aangevoerde argumenten. De argumenten van eiseres zijn door verweerder onvoldoende gemotiveerd weerlegd. Zo heeft verweerder niet gemotiveerd waarom in de onderhavige zaak afgeweken kon worden van het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van de Verordening Oirschot, aldus eiseres. Bovendien is eiseres van mening dat het waarderingsmodel op grond waarvan de bomen konden worden gekapt, onjuist is toegepast en voorts doet eiseres een beroep op het gelijkheidsbeginsel met betrekking tot de weigering kapvergunning voor een berkenboom op genoemd perceel. Op grond van bovenstaande stelt eiseres dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in de artikelen 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), 3:4, eerste lid, van de Awb en artikel 7:12 van de Awb.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Nu ter zitting is komen vast te staan dat de bomen, waarvoor vergunning is verleend, zijn gekapt en dat er is herplant, zal de rechtbank eerst de vraag beantwoorden of eiseres nog procesbelang heeft bij haar beroep.

7. Niet in geschil is dat verweerder ter behartiging van de belangen van eiseres aan de kapvergunning de voorwaarde van herplant overeenkomstig het opgemaakte beplantingsplan heeft verbonden. Tegen deze voorwaarde noch tegen het plan zelf heeft eiseres in bezwaar noch in beroep grieven aangevoerd. Gebleken is dat eiseres het vooral niet eens is met de wijze waarop het beplantingsplan is uitgevoerd.

8. Voorop gesteld dient te worden dat, nu de bomen zijn gekapt, eiseres met het ingediende beroep géén herstel in oude toestand kan bewerkstelligen. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat de opgelegde voorwaarde tot herplant een verplichting voor vergunninghouder met zich brengt, maar de wijze waarop deze verplichting is uitgevoerd maakt geen deel uit van de rechtmatigheidstoetsing door de rechtbank in de onderhavige zaak. Daarvoor kan eiseres - indien, gelet op verweerders welwillende houding in deze zaak, al noodzakelijk - bij verweerder een verzoek om tot handhaving over te gaan indienen.

9. Bovenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard dient te worden wegens het vervallen van procesbelang.

10. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding één der partijen te veroordelen in de proceskosten dan wel verweerder op te dragen het griffierecht te vergoeden.

11. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen als rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.G.M. Seelen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2007.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: