Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA9556

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-07-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
150411 FA RK - 06-4456
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

nauwe persoonlijke betrekking aangenomen tussen biologische vader en kind (family life in de zin van 8 EVRM).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Zaaknummer : 150411 / FA RK 06-4456

Uitspraak : 9 juli 2007

Beschikking betreffende omgang in de zaak van:

[naam biologische vader]

wonende te [woonplaats],

procureur mr. G.M. de Winther-Meijers,

tegen:

[naam moeder]

wonende te [woonplaats]

procureur mr. A.H. van Gerwen,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de man en de vrouw.

Deze beschikking volgt op de beschikking van deze rechtbank van 27 februari 2007. De inhoud van die beschikking wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het verdere verloop van de procedure

De rechtbank heeft - na voormelde beschikking - kennisgenomen van de navolgende stukken:

- brieven van mr. De Winther-Meijers van 20 maart 2007, 29 maart 2007 en de reactie na enquête (ingekomen op 1 mei 2007);

- de brief van mr. Van Gerwen van 22 maart 2007 en de reactie na contra-enquête (ingekomen op 25 mei 2007);

- het proces-verbaal van getuigenverhoor (enquête en contra-enquête) van 30 maart 2007.

De verdere beoordeling

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de man is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat tussen de man en [naam kind] sprake is van een band die kan worden aangemerkt als family life in de zin van art. 8 EVRM.

criterium

De rechtbank wenst in dat kader allereerst het volgende voorop te stellen.

De man verzoekt om omgang met [naam kind]. Vaststaat dat de man de biologische vader is van [naam kind]. Uit vaste rechtspraak vloeit voort dat het enkele feit dat de man

de biologische vader van van [naam kind] is, op zichzelf nog onvoldoende is om te concluderen dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen hem en [naam kind], hetgeen vereist is voor de vaststelling van recht op omgang.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een dergelijke nauwe persoonlijke betrekking acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden van belang:

Vaststaat dat de man en de vrouw niet hebben samengewoond, maar wel dat zij vóór de geboorte van [naam kind] gedurende twee jaar een affectieve relatie hebben gehad. Partijen zijn gezamenlijk (met de moeder van de vrouw) naar de huisarts gegaan om te horen dat de vrouw zwanger was. De man en de vrouw hebben gesproken over een mogelijke jongensnaam van de baby. Na de bevalling heeft de vrouw de man direct laten weten dat een zoon was geboren. Voorts heeft de vrouw met [naam kind] de man na de geboorte een aantal keren bezocht. Partijen twisten over de frequentie van deze bezoeken. Zo verklaart de vrouw dat sprake is geweest van drie bezoeken, terwijl de man aanvoert dat zulks gedurende de eerste anderhalf jaar met zekere regelmaat gebeurde. Tenslotte staat vast dat in ieder geval bij enkele van die gelegenheden foto’s zijn gemaakt van (de man en/of diens moeder en) [naam kind].

Op grond van alle getuigenverklaringen acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de vrouw met [naam kind] de man meer heeft bezocht dan de door haar gestelde drie keer. De rechtbank komt echter, ook indien slechts sprake zou zijn geweest van een drietal bezoeken aan de man na de geboorte van [naam kind] tot de slotsom dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [naam kind]. De rechtbank acht daartoe naast en in samenhang met het biologisch vaderschap het volgende doorslaggevend. Partijen hebben na het constateren van de zwangerschap met elkaar overleg gepleegd, ze hebben gesproken over een jongensnaam, de vrouw heeft de man kort na de bevalling op de hoogte gesteld van de geboorte van [naam kind], de man heeft [naam kind] ook na de geboorte mede op initiatief van de vrouw diverse keren gezien, waarbij foto’s zijn gemaakt.

De vrouw heeft tenslotte nog aangevoerd dat door het inmiddels verstreken tijdsverloop family life niet meer aanwezig kan worden geacht. Deze opvatting vindt geen steun in het recht.

Het vorenstaande betekent dat de man in beginsel ontvangen kan worden in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling.

Ter zitting van 30 januari 2007 is zijdens de Raad voor de Kinderbescherming gesteld dat een onderzoek naar de mogelijkheden van een omgangsregeling geïndiceerd is. De rechtbank onderschrijft die visie. Zo was [naam kind] (in ieder geval ten tijde van de getuigenverhoren) niet op de hoogte van het feit dat de man zijn vader is en dient nog gekeken te worden in hoeverre en in welke frequentie een omgang tussen de man en [naam kind] in het belang van [naam kind] is.

De rechtbank zal derhalve een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming gelasten en in afwachting daarvan iedere verdere beslissing aanhouden.

De beslissing

De rechtbank:

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden van een omgangsregeling tussen de man en [naam kind]; indien naar het oordeel van de Raad geen mogelijkheden zijn voor een omgangsregeling verzoekt de rechtbank de Raad aan te geven wat de contra-indicatie is;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming de rechtbank uiterlijk 29 oktober 2007 te informeren en adviseren met betrekking tot de aard, duur en frequentie van een eventueel door de rechtbank vast te stellen omgangsregeling;

houdt de beslissing daartoe PRO FORMA aan tot de zitting van deze rechtbank van 5 november 2007.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.P.M. Rousseau, vice-president

en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2007 in aanwezigheid van de griffier.

Conc. pro

Coll. ivo

Zaaknummer: 150411 / FA RK 06-4456 blad 3

beschikking