Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA9475

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
12-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/3136 en AWB 06/3790
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is vanaf 1 augustus 1982 in dienst bij de gemeente ’s-Hertogenbosch in een omvang van 36 uren per week. Zij ontvangt vanaf 5 juni 1999 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 1 juni 2000 wordt eiseres herplaatst in haar functie voor 18 uur per week. Vervolgens wordt zij per 1 januari 2005 uit haar betrekking van 18 uur ontslagen. Het Uwv kent haar daarover per 3 januari 2005 een WW-uitkering toe. Daarnaast ontvangt eiseres de WAO-uitkering. Na intrekking van die uitkering per 6 december 2005 vraagt eiseres zowel bij B&W als bij het Uwv een uitkering voor de ingetreden werkloosheid aan. Het Uwv weigert om per 6 december 2005 een WW-recht te openen. B&W stelt zich op het standpunt dat het Uwv bevoegd is om een WW-uitkering toe te kennen. De rechtbank gaat bij zijn oordeel uit van het herplaatsingsbesluit van 26 april 2000 van de gemeente ’s-Hertogenbosch waaruit blijkt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per 29 december 1999 is herzien naar 45 tot 55%. Dit gegeven vormt naar het oordeel van de rechtbank voldoende basis om te veronderstellen dat eiseres vanaf 29 december 1999 slechts geschikt is te achten om halve dagen te werken, ondanks het feit dat het dossier onvoldoende inzicht geeft in de wijze waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden. Dit komt voor rekening en risico van het Uwv. Overigens is de rechtbank uit de stukken gebleken dat USZO B.V. ook later expliciet, namelijk in een besluit van 21 november 2001, onder verwijzing naar medische gronden, de indeling in de klasse 45 tot 55% heeft gehandhaafd. Het feit dat de medische gronden bij dat besluit niet uit het dossier kenbaar zijn, komt weer voor rekening en risico van het Uwv. Vanaf 29 december 1999 ontstaat er weliswaar werkloosheid, echter die bestaat slechts uit 18 uur en die 18 uur vult eiseres in met ingang van 1 juni 2000. In de tussentijd heeft eiseres kennelijk een doorbetaling van haar bezoldiging naast de WAO-uitkering ontvangen. Verdedigbaar is daarom te stellen dat er ook op 29 december 1999 geen werkloosheid is ontstaan, vanwege de loondoorbetaling door de gemeente. Het potentiële WW- recht voor de WAO komt niet eerder tot leven dan met ingang van 6 december 2005, immers tot die datum heeft eiseres minimaal een arbeidsduurbeperking van 18 uur. Nu die arbeidsduurbeperking wegvalt op 6 december 2005 ontstaat er naar het oordeel van de rechtbank na het eerste WW-recht per 3 januari 2005, een tweede WW-recht recht per 6 december 2005. Het besluit van het Uwv wordt vernietigt en het beroep tegen het besluit van B&W wordt ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 06/3136 en AWB 06/3790

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2007

inzake

[eiseres],

te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. J. Jaab,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder,

gemachtigde de heer A.M.C. Crombach, werkzaam bij het Uwv-kantoor te Heerlen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch,

verweerder,

gemachtigde mr. I.K. Hahn.

In het vervolg noemt de rechtbank om de leesbaarheid van de uitspraak te verhogen, onder de kopjes ‘procesverloop’ en ‘overwegingen’ de eerste verweerder Uwv en de tweede verweerder B&W.

Procesverloop

Eiseres had een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Deze uitkering heeft het Uwv met ingang van 6 december 2005 ingetrokken.

Eiseres heeft bij B&W wachtgelduitkering aangevraagd. In een besluit van 7 oktober 2005 heeft B&W dat geweigerd. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. B&W heeft in het besluit op bezwaar van 6 december 2005 het eerste besluit van 7 oktober 2005 herroepen, omdat hij alsnog het standpunt inneemt dat het Uwv bevoegd was een beslissing op de aanvraag te nemen en B&W de aanvraag dus had moeten doorzenden.

Op 15 november 2005 heeft eiseres bij het Uwv een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Het Uwv heeft dat in een besluit van 13 januari 2006 geweigerd. Eiseres heeft hiertegen bezwaar ingediend. Het Uwv heeft dat bezwaar in een besluit van 24 mei 2006 ongegrond verklaard.

Tegen de besluiten van 6 december 2005 en 24 mei 2006 heeft eiseres beroep ingesteld.

De zaken zijn gevoegd behandeld op de zitting van 7 juni 2007, waar zijn verschenen:

eiseres in persoon;

mr. J. Jaab, gemachtigde van eiseres;

mw [partner], de partner van eiseres;

de heer A.M.C. Crombach namens het Uwv;

mr. I.K. Hahn namens B&W.

Overweging

1. Het feit dat de beroepszaken gevoegd worden behandeld, houdt in dat de rechtbank in beide zaken alle gedingstukken betrekt.

2. De rechtbank gaat bij haar overwegingen uit van de volgende feiten.

3. Eiseres is vanaf 1 augustus 1982 in dienst bij de gemeente ’s-Hertogenbosch in een omvang van 36 uren per week. Zij ontvangt vanaf 5 juni 1999 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 1 juni 2000 wordt eiseres herplaatst in haar functie voor 18 uur per week. In het herplaatsingbesluit staat vermeld dat USZO B.V. in een beschikking van 14 april 2000 de beslissing heeft genomen om het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres per 27 december 1999 te bepalen op 45 tot 55%. Op 18 augustus 2000 bericht de arbeidsdeskundige van USZO B.V. dat de WAO beoordeling gebaseerd zal worden op het loonverschil tussen de oorspronkelijke betrekking en de herplaatste betrekking en dat dit leidt tot een WAO-uitkering naar een percentage van 45 tot 55. Op 25 augustus 2000 bericht USZO B.V. aan eiseres dat de mate van arbeidsongeschiktheid niet is veranderd en dat zij ingedeeld blijft in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55 %. Aanvankelijk trekt het Uwv de WAO-uitkering per 2 juni 2004 in, maar dat herstelt het Uwv na bezwaar in een besluit van 29 november 2004. Aan eiseres wordt dan alsnog per 1 april 2004 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80 % toegekend. Eiseres wordt per 1 januari 2005 uit haar betrekking van 18 uur ontslagen. Het Uwv kent haar daarover per 3 januari 2005 een WW-uitkering toe. Daarnaast ontvangt eiseres de WAO-uitkering. Na intrekking van die uitkering per 6 december 2005 vraagt eiseres zowel bij B&W als bij het Uwv een uitkering voor de ingetreden werkloosheid aan.

Het beroep tegen het besluit van 24 mei 2006 (met registratienummer 06/3136)

4. Het Uwv weigert in zijn besluit van 24 mei 2006 een WW-uitkering met de volgende overweging. Eiseres ontvangt sinds 3 januari 2005 een WW-uitkering. Deze uitkering is een samenloop situatie, namelijk WAO in combinatie met WW-uitkering. De toekenning heeft echter plaats gevonden op basis van feitelijke inkomsten, hetgeen betekent dat een wijziging van een WAO-uitkering geen gevolgen heeft voor de WW-uitkering van eiseres. Omdat zich in de situatie van eiseres geen omstandigheid voordoet op grond waarvan de WW-uitkering op grond van artikel 21 van de WW kan herleven, is terecht bepaald dat het Uwv aan eiseres geen WW-uitkering kan toekennen.

5. Eiseres heeft tegen het besluit van 24 mei 2006 onder meer aangevoerd dat de motivering ernstig tekort schiet. De rechtbank volgt eiseres in dat standpunt. Het Uwv volgt het in feite ook waar hij in het verweerschrift de omschrijving in het besluit cryptisch noemt. De rechtbank zal daarom het besluit van 24 mei 2006 vernietigen en het beroep hiertegen gegrond verklaren.

6. Het Uwv heeft zijn standpunt in het verweerschrift en op de zitting nader toegelicht. De rechtbank beoordeelt in het belang van een goede proceseconomie of deze nadere motivering aanleiding geeft om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.

7. In het verweerschrift heeft verweerder zijn standpunt als volgt toegelicht. Volgens artikel 16, eerste lid, onder b van de WW is de werknemer werkloos als hij ten minste 5 uur of de helft van zijn arbeidsuren heeft verloren, alsmede recht op onverminderde doorbetaling van loon. De dag waarop het arbeidsurenverlies is ingetreden, hoeft niet samen te vallen met het moment waarop de aanspraak op de WW-uitkering zou kunnen ontstaan. Voor het vaststellen van het moment van intreden van het urenverlies is het Besluit Samenloop AAW/WAO met WW-uitkering van belang. Daarin is onder meer bepaald dat bij afschatting in het kader van samenloop van AAW/WAO met WW-uitkering in ieder geval sprake is van arbeidsurenverlies op het moment van overgang van ZW naar WAO. Dat houdt in deze zaak in dat het urenverlies bij eiseres op 5 juni 1999 viel (dat is volgens Uwv kennelijk de datum van uitval wegens ziekte - de rechtbank). Eiseres had tot 1 juni 2000 nog recht op loon, dus tot die datum ontstond geen recht op WW-uitkering. Op 1 juni 2000 is zij herplaatst in aangepast werk voor 18 uur. Bij het wegvallen van de loondoorbetalingverplichting over de resterende 18 uren per week zou een WW-recht hebben kunnen ontstaan per 1 juni 2000. Bij het intrekken van de WAO-uitkering per 6 december 2005 is geen sprake van nieuw ingetreden arbeidsurenverlies. Omdat het WW-recht op 1 juni 2000 is ontstaan, moet eiseres aankloppen bij haar voormalige overheidswerkgever.

Op de zitting bij de rechtbank heeft de gemachtigde van het Uwv hieraan toegevoegd dat USZO B.V. bij herplaatsing van een ambtenaar uit praktisch oogpunt de WAO-klasse vaststelde aan de hand van het resterende deel van de arbeidstijd. In dit geval is volgens de gemachtigde van het Uwv het FIS niet geraadpleegd; er heeft geen theoretische schatting plaatsgevonden. De gemachtigde verwijst hiertoe naar een brief van 18 augustus 2000 van de arbeidsdeskundige van USZO B.V. waarin staat: "Mevrouw is per 1 juni 2000 herplaatst in haar eigen, aangepast werk voor 18 uur per week. Ik ben van mening dat 18 uur per week in deze functie maximaal haalbaar is. Echter door het ontbreken van een medische urenbeperking voor mevrouw zou het kunnen zijn dat andere voor haar meer passende werkzaamheden in full-time arbeidsovereenkomst mogelijk zijn. (...) Conform afspraak met (...) zal de huidige WAO beoordeling gebaseerd worden op het loonverschil van de oorspronkelijke betrekking en de herplaatste betrekking. Dit leidt tot een WAO van 45-55 % (...)." De gemachtigde heeft op grond hiervan gesteld dat eiseres voor 36 uur beschikbaar was voor de arbeidsmarkt aangezien er geen sprake was van een medische urenbeperking. Als er wél sprake zou zijn geweest van een medische urenbeperking, zou de situatie anders zijn geweest. In dat geval zou er pas in 2005 sprake zijn van een verder arbeidsurenverlies. Desgevraagd heeft de gemachtigde van het Uwv aangegeven dat dit dus de kern van het probleem vormt. Als een toetsing volgens het FIS had plaatsgevonden, was er een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse uitgekomen, aldus deze gemachtigde. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres zich voor een werkloosheidsuitkering tot de gemeente

’s-Hertogenbosch moet wenden, omdat zij vóór 1 januari 2001 werkloos is geworden.

8. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

9. Om de kwestie kort samen te vatten: het Uwv weigert een WW-recht te openen na de intrekking van de WAO-uitkering op 6 december 2005, omdat hij stelt dat eiseres zich daartoe tot B&W moet wenden.

10. In de eerste plaats stelt de rechtbank vast dat er onduidelijkheid is over de datum waarop eiseres een WAO-uitkering naar een mate van 45 tot 55 % is gaan ontvangen. De stukken in het dossier zijn hierover innerlijk tegenstrijdig.

11. In ieder geval tot 29 december 1999 is eiseres volledig arbeidsongeschikt geacht. Uit het herplaatsingbesluit van 26 april 2000 van de gemeente ’s-Hertogenbosch blijkt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per 29 december 1999 is herzien naar 45 tot 55%. Dit gegeven vormt naar het oordeel van de rechtbank voldoende basis om te veronderstellen dat eiseres vanaf 29 december 1999 slechts geschikt is te achten om halve dagen te werken. Ook al ontbreekt in de stukken een rapport van de verzekeringsarts waarin tot een arbeidsduurbeperking wordt geconcludeerd, gelet op het arbeidsongeschiktheidspercentage neemt de rechtbank de geschiktheid tot halve dagen werken tot uitgangspunt. Het feit dat de gedingstukken in het dossier onvoldoende inzicht geven in de wijze waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden waarop de indeling in de klasse 45 tot 55 % heeft plaatsgevonden, komt voor rekening en risico van het Uwv. Overigens is de rechtbank uit de stukken gebleken dat USZO B.V. ook later expliciet, namelijk in een besluit van 21 november 2001, onder verwijzing naar medische gronden, de indeling in de klasse 45 tot 55% heeft gehandhaafd. Het feit dat de medische gronden bij dat besluit niet uit het dossier kenbaar zijn, komt weer voor rekening en risico van het Uwv. Vanaf 29 december 1999 ontstaat er weliswaar werkloosheid, echter die bestaat slechts uit 18 uur en die 18 uur vult eiseres in met ingang van 1 juni 2000. In de tussentijd heeft eiseres kennelijk een doorbetaling van haar bezoldiging naast de WAO-uitkering ontvangen. Verdedigbaar is daarom te stellen dat er ook op 29 december 1999 geen werkloosheid is ontstaan, vanwege de loondoorbetaling door de gemeente.

12. Het potentiële WW- recht voor de WAO komt niet eerder tot leven dan met ingang van 6 december 2005, immers tot die datum heeft eiseres minimaal een arbeidsduurbeperking van 18 uur. Nu die arbeidsduurbeperking wegvalt op 6 december 2005 ontstaat er naar het oordeel van de rechtbank na het eerste WW-recht per 3 januari 2005, een tweede WW-recht recht per 6 december 2005.

13. Het feit dat eiseres per 1 juni 2004 is geschat naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80 % doet aan het voorgaande niet af.

14. De rechtbank volgt het Uwv daarom niet in zijn standpunt dat eiseres haar WW- recht al heeft opgesoupeerd. Er doet zich in het onderhavige geval immers niet de situatie voor waarin een betrokkene direct naast een WAO-recht een WW-recht opent en vervolgens gefaseerd wordt afgeschat, in welk geval er wel sprake is van het opsouperen van het WW-recht. In zo’n geval zou de stelling van Uwv op gaan, dat er geen nieuw WW- recht kan ontstaan. In het onderhavige geval heeft eiseres echter werk gehad met daarnaast een WAO- aanvulling. Ter zake van deze WAO-uitkering heeft eiseres nooit een WW- recht geopend.

15. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten. Zij volstaat daarom met een vernietiging van het besluit van 24 mei 2006. De rechtbank zal tevens bepalen dat het Uwv een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Daarbij moet het Uwv ook een besluit nemen over het verzoek van eiseres om haar kosten in bezwaar te vergoeden.

16. De rechtbank ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00

• wegingsfactor 1.

De rechtbank kent deze forfaitaire kosten op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht toe en dus niet de werkelijk gemaakte kosten, zoals deze door de gemachtigde van eiseres bij de staat van kosten op de zitting is ingediend.

17. Tevens zal de rechtbank bepalen dat het Uwv aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 38,00 dient te vergoeden.

18. Eiseres heeft op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vergoeding van € 5.000,00 aan schade gevorderd, omdat de handelwijze van het Uwv naar haar toe onrechtmatig, althans onzorgvuldig is geweest. Omdat deze vordering op geen enkele wijze nader is onderbouwd, zal de rechtbank niet tot toekenning overgaan.

Het beroep tegen het besluit van 6 december 2005 (met registratienummer 06/3790)

19. Gelet op wat hiervoor is overwogen volgt de rechtbank B&W in zijn standpunt dat niet hij maar het Uwv bevoegd is om een uitkering ter zake van werkloosheid toe te kennen. Onder verwijzing naar de motivering in het besluit van 6 december 2005 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 27 juni 2006 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN: AT8827) overweegt de rechtbank dat de WW eerst op 1 januari 2001 in werking is getreden voor overheidswerknemers. Op 1 januari 2001 ontving eiseres geen ontslaguitkering of uitkering wegens ziekte. De WAO-uitkering is volgens de CRvB niet met een uitkering wegens ziekte gelijk te stellen. Gelet op wat in het vorenstaande is overwogen, is eiseres ook niet vóór 1 januari 2001 werkloos geworden. Daarmee is zij op 1 januari 2001 rechtstreeks onder de WW gaan vallen.

20. De rechtbank volgt eiseres niet in haar grief dat B&W eerder over de periode 1 juni 2000 tot 1 april 2040 wachtgeld heeft toegekend en dat hij om die reden niet tot de huidige afwijzing heeft kunnen komen. Wat er ook zij van die toekenning van wachtgeld, B&W heeft in het nu voorliggende besluit terecht op grond van het toepasselijke recht beslist. Ook de grief dat B&W geen financieel belang heeft bij het afwijzende besluit omdat hij eigen risico drager is, volgt de rechtbank niet. B&W heeft als verweer aangevoerd dat de mogelijke precedentwerking en de uitvoeringstechnische problemen die honorering van het verzoek van eiseres met zich mee brengen, hebben geleid tot de conclusie om niet een uitzondering te maken voor één ambtenaar. De rechtbank vindt dat een redelijk standpunt.

21. De rechtbank zal daarom het beroep van eiseres tegen het besluit van 6 december 2005 ongegrond verklaren.

22. Eiseres heeft op grond van artikel 8:73 van de Awb verzocht om vergoeding van schade tot een hoogte van € 5.000,00. Daartoe stelt eiseres dat de handelwijze van B&W jegens haar onrechtmatig is geweest, althans onzorgvuldig. Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een veroordeling van schadevergoeding over te gaan.

23. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om B&W te veroordelen in betaling van de proceskosten en griffierecht.

Beslissing

De rechtbank,

in het beroep van eiseres tegen het besluit van 24 mei 2006 (beroepszaak met registratienummer 06/3136)

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat het Uwv namens verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht dient te vergoeden tot een bedrag van € 38,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst het Uwv aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

in het beroep van eiseres tegen het besluit van 6 december 2005 (beroepszaak met registratienummer 06/3790)

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A.J. Schaap als rechter in tegenwoordigheid van mr. B. van den Akker als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2007.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: