Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA9368

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/4958
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In de WWB is geen grondslag aan te wijzen voor een verbod op het verrichten van werkzaamheden als taaltrainer en evenmin voor een verplichting tot het terugbetalen van reeds ontvangen cursusgelden aan cursisten. Hoewel verweerder daartoe niet bevoegd was, heeft hij beoogd een rechtsgevolg in het leven te roepen. Derhalve is er sprake van een besluit ex artikel 1:3 van de Awb. Verweerder heeft eiser dan ook terecht in bezwaar ontvangen. Nu er geen grondslag in de wet is voor het primaire besluit, had verweerder het bezwaar gegrond dienen te verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/4958

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2007

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. I.H.M. Hest,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven;

Dienst Werk, Zorg en Inkomen (Dienst WZI),

te Eindhoven,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2006 heeft verweerder aan eiser, die een uitkering ingevolge de Wet Werk en Bijstand (WWB) ontvangt, medegedeeld dat hem geen toestemming wordt verleend om zijn werkzaamheden als zelfstandige voort te zetten. Eiser dient deze werkzaamheden als taaltrainer per direct te beëindigen en de door hem reeds ontvangen cursusgelden aan de cursisten terug te betalen. Tevens dient eiser bewijsstukken te overleggen.

Het hiertegen namens eiser ingediende bezwaar is door verweerder bij besluit van 14 november 2006 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 11 juni 2007, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich niet ter zitting doen vertegenwoordigen.

Overwegingen

1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of verweerder terecht en op goede gronden zijn primaire besluit, waarbij aan eiser geen toestemming is verleend om zijn werkzaamheden als zelfstandige voort te zetten en waarbij hem voorts de verplichting is opgelegd om de reeds ontvangen cursusgelden aan de cursisten terug te betalen, heeft gehandhaafd.

2. De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontvangt reeds geruime tijd een bijstandsuitkering, thans naar de norm voor een alleenstaande met een maximale toeslag. Eiser heeft als vrijwilliger voor Loket W gedurende drie uur per week conversatiecursussen en lessen Nederlandse taal aan asielzoekers gegeven. Aangezien bij Loket W problemen zijn ontstaan met de subsidie heeft eiser zijn werkzaamheden als vrijwilliger moeten beëindigen. Eiser heeft bij schrijven van 3 februari 2006, ontvangen op 8 februari 2006, aan verweerder bericht dat hij via taalinstituut [eiser] in samenwerking met Loket W zelfstandige werkzaamheden als taaltrainer is begonnen. Daarbij heeft eiser aan verweerder medegedeeld dat hij wel inkomsten uit dit werk als zelfstandige zal hebben, maar dat hij verwacht dat deze inkomsten net voldoende zullen zijn om zijn onkosten te dekken. Eiser verwacht dan ook niet winst te kunnen maken, in verband waarmee zijn werk in de opvatting van eiser is aan te merken als vrijwilligerswerk.

3. Verweerder heeft bij het primaire besluit aan eiser meegedeeld dat hij geen toestemming krijgt zijn werkzaamheden als zelfstandige voort te zetten, zodat hij deze direct dient te beëindigen. De ontvangen gelden van de cursisten dient eiser aan de cursisten terug te betalen. Eiser dient uiterlijk 15 mei 2006 bewijsstukken te overleggen waaruit van deze terugbetaling blijkt, bij gebreke waarvan deze gelden als inkomsten zullen worden aangemerkt en verrekend zullen worden met eisers bijstandsuitkering.

4. Bij het bestreden besluit op bezwaar heeft verweerder zijn primaire besluit gehandhaafd, zulks onder ongegrondverklaring van het bezwaar. Verweerder beschouwt eiser niet als een zelfstandige die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande, omdat hij bijvoorbeeld niet aan het urencriterium voldoet. Eiser heeft niet voldaan aan zijn inlichtingenplicht, omdat hij verweerder eerst bij een op 8 februari 2006 ontvangen schrijven heeft geïnformeerd dat hij reeds als zelfstandige was begonnen. Gelet op het feit dat er sprake was van een zeer beperkt aantal cursisten is terecht besloten om aan eiser geen toestemming te verlenen om de werkzaamheden als zelfstandige voort te zetten. Voor zover eiser niet door middel van bank/giroafschriften aantoont dat de ontvangen cursusgelden zijn terugbetaald aan de cursisten, zullen de ontvangen cursusgelden worden aangemerkt als feitelijke inkomsten, die met de bijstandsuitkering worden verrekend. Verweerder heeft dienaangaande een berekening gemaakt, die inhoudt dat een bedrag van € 363,50 is verrekend met de uitkering over mei 2006, waarna een bedrag van € 260,- resteert, welk bedrag van eiser zal worden teruggevorderd. Bij deze berekening worden de door eiser bedoelde verwervingskosten conform constante jurisprudentie niet in mindering gebracht op het inkomen. Desgewenst kan eiser alsnog een aanvraag om bijzondere bijstand indienen ten aanzien van deze verwervingskosten. Indien eiser zijn werkzaamheden als taaltrainer alsnog wenst voort te zetten, attendeert verweerder hem er op dat hij de hieruit ontvangen inkomsten dient te melden bij de Dienst WZI.

5. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Uit het besluit op bezwaar valt niet duidelijk af te leiden of het eiser nu wél of niet is toegestaan om zijn activiteiten als taaltrainer voort te zetten. Eiser heeft belang bij duidelijkheid. Hij mag niet worden geconfronteerd met bijvoorbeeld een maatregel, wanneer hij toch werkzaamheden als taaltrainer verricht en opgeeft. Verweerder had eiser in aanmerking behoren te brengen voor een redelijke inkomensvrijlating. Voorts is eiser het niet eens met de door verweerder gemaakte berekening van de inkomsten van eiser, waarbij in het geheel geen rekening is gehouden met verwervingskosten.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Allereerst stelt de rechtbank vast dat op grond van artikel 1, aanhef en onder b, sub 2e van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (hierna: Bbz 2004) onder “zelfstandige”wordt verstaan: de belanghebbende van 18 tot 65 jaar, die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die voldoet aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De rechtbank begrijpt het bestreden besluit op bezwaar aldus, dat is beoogd daarin tot uitdrukking te brengen dat eiser niet kan worden aangemerkt als zelfstandige in de zin van het Bbz 2004, hetgeen op zich in beroep niet is bestreden.

8. De rechtbank constateert met eiser dat in de WWB geen grondslag is aan te wijzen voor het in het primaire besluit opgenomen verbod tot het verrichten van werkzaamheden als zelfstandig taaltrainer en evenmin voor de opgelegde verplichting voor het terugbetalen van de cursusgelden door eiser aan de cursisten. In dit verband acht de rechtbank van belang dat door verweerder in het verweerschrift is vermeld dat aan eiser uiteraard niet kan worden verboden om arbeid te verrichten, doch dat eiser, gelet op artikel 17 van de WWB, erop is geattendeerd dat hij de hieruit ontvangen inkomsten dient te melden aan de Dienst WZI, indien hij zijn werkzaamheden als taaltrainer toch wenst voort te zetten. Desondanks heeft verweerder het primaire besluit in bezwaar gehandhaafd.

9. Vastgesteld moet worden dat verweerder bij zijn primaire beslissing heeft beoogd een rechtsgevolg in het leven te roepen, hoewel hij daartoe bij gebreke van een wettelijke grondslag niet bevoegd was. Desalniettemin is er sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daartoe overweegt de rechtbank dat een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan wordt geacht op publiekrechtelijk rechtsgevolg te zijn gericht, indien het bestuursorgaan, hoewel niet bevoegd het rechtsgevolg tot stand te brengen, dit wel heeft beoogd in het kader van de uitoefening van een gepretendeerde publiekrechtelijke bevoegdheid. Nu hiervan in casu sprake is, is de primaire beslissing aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb. De rechtbank sluit hiermee aan bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 april 2006, 200505351/1, LJN: AW 1297.

10. Het vorenstaande betekent dat verweerder eiser terecht in zijn bezwaar heeft ontvangen. Echter, nu er geen wettelijke grondslag is aan te wijzen voor het bij het primaire besluit opgelegde verbod tot het verrichten van werkzaamheden en evenmin voor de opgelegde verplichting tot het terugbetalen van de cursusgelden aan de cursisten, had verweerder dit bezwaar gegrond moeten verklaren. Er is dan ook aanleiding om het bestreden besluit in zoverre te vernietigen, zulks onder gegrondverklaring van het beroep.

11. Nu verweerder in bezwaar in zoverre geen ander besluit kan en mag nemen dan het primaire besluit te herroepen, ziet de rechtbank aanleiding om onder toepassing van artikel 8:72 van de Awb zelf in de zaak te voorzien, zoals hierna vermeld.

12. Voorts is verweerder bij het in beroep voorliggende besluit naar aanleiding van de door eiser overgelegde bewijsstukken overgegaan tot een berekening van de door eiser ontvangen inkomsten, die naar de mening van verweerder als in aanmerking te nemen middelen met eisers bijstandsuitkering dienen te worden verrekend. Het primaire besluit had hierop echter geen betrekking en vermeldde dienaangaande slechts dat eiser bewijsstukken diende te overleggen. In verband hiermee kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden staande gehouden dat het thans in beroep voorliggende besluit een besluit op bezwaar zou zijn, voor zover daarbij een beslissing is genomen omtrent de hoogte van de in aanmerking te nemen inkomsten die met eisers bijstandsuitkering zullen worden verrekend. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het in beroep voorliggende besluit in zoverre een primair besluit, dat valt te onderscheiden van het eveneens in het voorliggende besluit opgenomen besluit op bezwaar tegen de primaire beslissing van 4 mei 2006.

13. Het vorenstaande brengt, gelet op artikel 7:1 van de Awb, met zich dat eiser in zoverre het rechtsmiddel van bezwaar dient aan de wenden en niet het rechtsmiddel van beroep. De rechtbank verklaart zich op dit punt dan ook onbevoegd en bepaalt, onder toepassing van artikel 6:15 van de Awb, dat het beroepschrift zal worden doorgezonden naar verweerder om als bezwaarschrift te worden behandeld voor zover dit is gericht tegen de berekening van de met eisers bijstandsuitkering te verrekenen inkomsten.

14. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal

€ 1.288,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) bezwaarschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

15. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door de gemeente Eindhoven aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad € 38,00 dient te worden vergoed.

16. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond voor zover dit is gericht tegen het besluit op bezwaar tegen het primaire besluit van 4 mei 2006;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit van 4 mei 2006 gegrond;

- herroept het primaire besluit van 4 mei 2006;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit op bezwaar;

- gelast de gemeente Eindhoven aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ad € 38,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 1.288,00;

- wijst de gemeente Eindhoven aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

- verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep voor zover dit is gericht tegen het bestreden besluit, voor zover dit dient te worden aangemerkt als een primair besluit inzake de verrekening van eisers inkomsten met zijn bijstandsuitkering.

Aldus gedaan door mr. E.H.B.M. Potters als rechter in tegenwoordigheid van Mr. H.C. Dollekamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2007.