Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA9100

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2007
Datum publicatie
10-07-2007
Zaaknummer
01/845200-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zeven jaar gevangenisstraf voor doodslag en het telen van hennepplanten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

verkort vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/845200-06

Datum uitspraak: 10 juli 2007

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: PI Noord Holland Noord, Zuyder Bos.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 juni 2007, 25 april 2007, 12 februari 2007, 23 november 2006 en 31 augustus 2006.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 augustus 2006.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 mei 2006 te Rosmalen, althans in de gemeente 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en/of met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en/of na kalm beraad en rustig overleg, met (grote) kracht (met) een (zwaar) voorwerp (met een zandloperachtig en/of H-vormig, althans met een min of meer vormgelijk uiteinde) in de borst en/of hals, althans in het (boven)lichaam, van die [slachtoffer] gestoken en/of gestoten en/of gedreven en/of gebracht, waardoor

- (de kop van) het borstbeen van die [slachtoffer] is doorkliefd, en/of

- de halsspier(en) van die [slachtoffer] is/zijn verscheurd en/of verbrijzeld,

en/of

- de (rechter) halsader van die [slachtoffer] is doorkliefd, en/of

- de luchtpijp van die [slachtoffer] is verscheurd en/of verbrijzeld,

tengevolge waarvan deze [slachtoffer] is overleden;

[artikelen 289 en 287 juncto 47 Wetboek van Strafrecht]

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2005 tot en met 20 mei 2006 te Rosmalen, althans in de gemeente 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 142 gram hennep en/of ongeveer 617 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

[artikel 3 onder B en C Opiumwet]

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2005 tot en met 20 mei 2006 te Rosmalen, althans in de gemeente 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen energie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Essent Netwerk BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming,

te weten door het verbreken van de verzegeling aan de aansluitkast;

[artikel 311 Wetboek van Strafrecht]

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 23 november 2006 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie (bijlage 1) aan dit vonnis gehecht.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De verdediging heeft aangevoerd dat uit bestudering van de videoverhoren blijkt dat de processen-verbaal van verhoor niet altijd juiste weergaven zijn van de verklaringen en het gedrag van verdachte. Naar het oordeel van de verdediging is dit een dusdanig ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair bepleit de verdediging strafvermindering.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Blijkens artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering kan de rechtbank consequenties verbinden aan onherstelbare vormverzuimen die tijdens het voorbereidend onderzoek hebben plaatsgevonden. Nu de verschillen tussen de schriftelijke weergave van de verhoren en de video-opnames zijn geconstateerd, en zowel de video-opnames als de processen-verbaal van verhoor deel uitmaken van het strafdossier, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim, zodat de verweren niet opgaan

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn evenmin andere omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Vrijspraak (feit 3)

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 3 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank hiertoe het navolgende.

Verdachte heeft weliswaar bekend dat hij betrokken is geweest bij de hennepkwekerij, maar nu uit het procesdossier of het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat verdachte feitelijke wetenschap had van de elektriciteitsdiefstal en/of het verbreken van de verzegeling van de elektriciteitsmeter, kan naar het oordeel van de rechtbank de aan verdachte tenlastegelegde diefstal van energie niet bewezen worden.

Partiële vrijspraak (feit 1)

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 1 tenlastegelegde voorbedachte rade niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank bieden het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting geen aanknopingspunten om bewezen te achten dat verdachte een vooropgezet plan had om het slachtoffer van het leven te beroven. Evenmin is bewezen dat verdachte (de gelegenheid tot) een moment van kalm beraad of rustig overleg heeft gehad voorafgaand aan de levensberoving. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

De bewijsoverweging.

M.b.t. daderschap

Door de verdediging is - kort gezegd - aangevoerd dat er onvoldoende bewijs voorhanden is waaruit daderschap van verdachte blijkt. De rechtbank verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van de rechtbank is met name op grond van het technisch onderzoek, het sectieverslag alsmede verklaringen van [verdachte 2] en verdachte -in onderling verband en samenhang bezien- bewezen dat het verdachte is geweest die het slachtoffer van het leven heeft beroofd. Meer in het bijzonder blijkt daaruit het navolgende.

Verdachte is samen met [verdachte 2] naar de woning aan [adres] gereden en aldaar door het slachtoffer binnengelaten. Het slachtoffer heeft na de komst van verdachte en [verdachte 2] de deur achter hen dicht gedaan. Uit het technisch onderzoek is gebleken dat de woning geen braaksporen vertoonde. Noch [verdachte 2], noch verdachte hebben aangegeven dat zij een ander persoon in de woning hebben gezien of een ander persoon hebben horen binnenkomen. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat ten tijde van het delict niemand anders in de woning aanwezig was dan het slachtoffer, verdachte en [verdachte 2].

Verdachte is vanaf de zolder, waar hij samen met [verdachte 2] bezig was met het zetten van hennepplantjes, meerdere malen naar beneden gegaan. Naar eigen zeggen is hij de laatste keer op de kamer van het slachtoffer geweest en heeft hij het slachtoffer daar ook aangetroffen. Verdachte heeft behalve het slachtoffer niemand anders in die kamer gezien. [verdachte 2] heeft verklaard dat hij ruziënde stemmen en een bonkend geluid hoorde nadat verdachte (voor de laatste maal) beneden was gegaan.

Uit het sectieverslag blijkt dat het slachtoffer is overleden als gevolg van bloedverlies, weefselschade en bloedinademing, hetgeen is opgetreden door hevige geweldsinwerking op de borst/halsregio met verbrijzeling van de luchtpijp en weke delen, met klieving van de rechterhalsader. De aard en ernst van dit bij het slachtoffer geconstateerde borstletsel sluiten een eenvoudig ongeluk als oorzaak uit, hierbij in aanmerking genomen dat niets is aangetroffen dat op een ongeluk kan duiden.. Verdachte heeft blijkens zijn verklaringen ook geen onfortuinlijke handeling van het slachtoffer waargenomen, evenmin heeft verdachte in de kamer van het slachtoffer een voorwerp gezien dat bij een val of anderszins tot dergelijk ernstig letsel zou kunnen leiden. Een dergelijk voorwerp is evenmin bij het onderzoek door de politie aangetroffen en [verdachte 2] heeft verklaard dat hij niets uit de woning heeft meegenomen.

Uit het bloedbeeld in de woning, bezien in samenhang met verklaringen van verdachte, volgt dat de dodelijke verwonding in de kamer van het slachtoffer moet zijn toegebracht. Verdachte geeft aan dat er in die ruimte strubbelingen zijn geweest tussen hem en het slachtoffer en dat hij daarbij verwondingen aan zijn gezicht heeft opgelopen. Het ter plaatse aangetroffen sporenbeeld, bezien in combinatie met het sectieverslag, wijst in de richting van een situatie waarbij (grof) geweld is gebruikt. Uit de verklaringen van verdachte, in samenhang bezien met die van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], blijkt dat het slachtoffer zich na de confrontatie met verdachte door de ruit aan de voorkant van de woning een weg naar buiten heeft gezocht, terwijl verdachte op dat moment de deur van de kamer vanaf de buitenzijde dichthield. Verdachte heeft voorts geen (medische) hulp ingeschakeld, terwijl hij donkere vlekken had gezien op de borst van het slachtoffer en wist dat deze gewond was geraakt. Al deze omstandigheden maken een ongeluk als oorzaak van

de verwonding van het slachtoffer hoogst onwaarschijnlijk.

Op de schoenen die verdachte droeg ten tijde van het incident en in zijn auto is bloed aangetroffen dat afkomstig is van het slachtoffer. Verdachte heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hij bebloed was toen hij de woning verliet en dat dit bloed alleen afkomstig kan zijn van het contact tussen hem en het slachtoffer. Verdachte is na de gebeurtenissen in de kamer van het slachtoffer de woning uitgevlucht, heeft zich onderweg gewassen en zich deels van zijn kleding ontdaan. Zijn mobiele telefoon is niet gevonden, terwijl verdachte daarvoor geen redelijke verklaring heeft afgelegd. Hij is vervolgens via een omslachtige route doorgereden naar zijn woning in [woonplaats verdachte]. Tijdens het technisch onderzoek in (de omgeving van) de woning is geen voorwerp aangetroffen waarmee het borstletsel kan zijn toegebracht, terwijl de verwonding volgens het NFI niet met de hand kan zijn toegebracht.

Op basis van de voorgaande feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verwonding aan de borst van het slachtoffer moet zijn ontstaan door een geweldshandeling van de zijde van verdachte.

M.b.t. opzet:

Door de verdediging is - kort gezegd - aangevoerd dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van opzet (waaronder voorwaardelijk opzet) op het overlijden te komen. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het navolgende:

De rechtbank stelt vast dat uit de verklaringen van verdachte zelf niet naar voren komt hoe de verwonding exact is toegebracht. Echter: uit het sectieverslag volgt dat het slachtoffer is overleden als gevolg van bloedverlies, weefselschade en bloedinademing dat is opgetreden door de inwerking van hevig uitwendig botsend mechanisch geweld in de borst/halsregio. Dit geweld heeft onder meer geleid tot een klieving van het borstbeen, een klieving van de rechter halsader, een verscheuring van de voorste hartspieren en een verscheuring van de luchtpijp op twee plaatsen en kan worden veroorzaakt door het hard stoten of steken met een zwaar voorwerp. Hoewel niet is komen vast te staan met welk voorwerp verdachte dit letsel heeft toegebracht, is de rechtbank van oordeel dat het met kracht toebrengen van dergelijk letsel in de borst/halsregio zozeer is gericht op het doen intreden van de dood, dat bewezen is dat verdachte willens en wetens het slachtoffer om het leven heeft gebracht. De rechtbank wordt in deze conclusie gesterkt door het gegeven dat verdachte de woning en het perceel heeft verlaten in de wetenschap dat het slachtoffer in de borststreek gewond was, zonder zich op enigerlei wijze om het lot van het slachtoffer te bekommeren.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1.

op 20 mei 2006 te Rosmalen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met grote kracht met een (zwaar) voorwerp (met een zandloperachtig en/of H-vormig, althans met een min of meer vormgelijk uiteinde) in de borst van die [slachtoffer] gestoken of gestoten of gedreven, waardoor

- (de kop van) het borstbeen van die [slachtoffer] is doorkliefd, en

- de halsspieren van die [slachtoffer] zijn verscheurd, en

- de rechter halsader van die [slachtoffer] is doorkliefd, en

- de luchtpijp van die [slachtoffer] is verscheurd,

tengevolge waarvan deze [slachtoffer] is overleden;

2.

in de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 mei 2006 te Rosmalen, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft geteeld en bewerkt en verwerkt (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 142 gram hennep en ongeveer 617 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal ook hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte een beroep toekomt op noodweer dan wel noodweerexces, hetgeen tot een ontslag van alle rechtsvervolging zou moeten leiden. De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt daartoe het navolgende.

Een geslaagd beroep op noodweer vereist - kort gezegd - een geboden en noodzakelijke verdedigingshandeling tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding (een noodweersituatie). Op grond van het technisch onderzoek in de kamer van het slachtoffer, bezien in combinatie met verklaringen van verdachte, kan worden geconcludeerd dat er een worsteling of vechtpartij tussen verdachte en het slachtoffer heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft verklaard dat hij na binnenkomst van de kamer twee klappen kreeg op zijn hoofd. Gelet op deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat mogelijk sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het slachtoffer jegens verdachte in de vorm van het slaan tegen het hoofd. Omdat verder niet valt te reconstrueren wat zich precies in de kamer van het slachtoffer heeft afgespeeld, is het mogelijk dat voor verdachte geen andere optie openstond dan zich te verdedigen. Echter, de wijze waarop verdachte zich heeft verdedigd, maakt dat het beroep op noodweer dient te worden verworpen. Het krachtig met een zwaar voorwerp toebrengen van zeer ernstig letsel in de borst/halsregio, staat niet in verhouding tot de aanranding zoals hiervoor omschreven en daardoor heeft verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging in een aanzienlijke mate overschreden.

Een geslaagd beroep op noodweerexces vereist - kort gezegd – dat de grenzen van een noodzakelijke verdediging worden overschreden als gevolg van een hevige gemoeds-beweging. Deze hevige gemoedsbeweging dient weer het gevolg te zijn van een wederrechtelijke aanranding. Nu noch uit de bewijsmiddelen (inclusief de verklaringen van verdachte zelf) noch anderszins aannemelijk is geworden dat verdachte inderdaad in een hevige gemoedsbeweging heeft gehandeld, dient het beroep op noodweerexces te worden verworpen. De verdediging heeft weliswaar aangevoerd dat verdachte door de aanranding werd meegesleept door onverwachte emoties en verdachte daardoor buitenproportioneel heeft gehandeld, echter deze stellingname is door de verdediging niet nader feitelijk onderbouwd en vindt ook anderszins geen onderbouwing in het dossier.

Voor zover de verdediging betoogt dat het mogelijk is dat verdachte door zijn persoonlijkheidsstructuur niet het vermogen bezat om op een adequate manier op door het slachtoffer op hem toegepaste geweld te reageren, geldt dat in dat geval de grenzen van de noodzakelijke verdediging niet zijn overschreden door een hevige gemoedsbweging, doch als gevolg van een persoonlijkheidsstoornis (HR 12 december 2006; NJ 2007, 245). Dat staat evenzeer aan een beroep op noodweerexces in de weg.

Door de verdediging is meer subsidiair aangevoerd dat, mocht het beroep op noodweer dan wel noodweer exces niet worden gehonoreerd, verdachte een beroep toekomt op psychische overmacht. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het navolgende.

Voor de vaststelling van de vraag of verdachte een beroep toekomt op psychische overmacht, dient te blijken dat verdachte het strafbare feit heeft gepleegd vanwege een van buiten komende drang of dreiging waartegen hij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden en ook niet hoefde te bieden. De rechtbank stelt allereerst vast dat gesteld noch gebleken is dat sprake was van een van buiten komende drang waaraan verdachte geen weerstand kon bieden. Door de verdediging is aangegeven dat er in de periode voorafgaand aan de bewuste dag problemen waren tussen verdachte en het slachtoffer en dat verdachte bang was van het slachtoffer, maar daarmee is onvoldoende aannemelijk geworden dat verdachte op het moment van het begaan van het strafbare feit geestelijk in een zodanige toestand verkeerde dat hij niet anders kon handelen. Aangezien een zodanige geestelijke toestand ook anderszins niet uit het dossier volgt, dient het verweer te worden verworpen. De rechtbank merkt daarbij nog op dat, al zou een dergelijke geestelijke toestand wel voldoende aannemelijk zijn geworden, daarmee nog niet gegeven is dat verdachte niet anders had behoren te handelen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 47, 57, 287

Opiumwet art. 3, 11

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3:

- een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek van voorarrest;

- toewijzing van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij] ad € 5.698,12, met daarbij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van het beslag:

- onttrekking aan het verkeer van de op de beslaglijst (zie bijlage 2) genoemde(goederen bevattende) hennep;

- teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst (zie bijlage 2) vermelde goederen met uitzondering van de (goederen bevattende) hennep.

De op te leggen straf en maatregel

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank enerzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- het gewelddadig karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat verdachte er niet voor is teruggeschrokken om dergelijk zwaar geweld tegen zijn medemens te gebruiken alsmede dat verdachte zich om het lot van het slachtoffer kennelijk volstrekt niet heeft bekommerd en aldus hem het leven heeft benomen;

- het leed dat is toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden die tot matiging van de straf heeft geleid:

- uit een omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport door GZ-psycholoog drs. B.Y. van Toorn en psychiater dr. A.J.W.M. Trompenaars, psychiater van 15 juni blijkt, dat het onder 1 tenlastegelegde door hem gepleegde strafbare feit in sterk verminderde mate aan hem kan worden toegerekend.

In dit verband overweegt de rechtbank het volgende.

Op 15 juni 2007 hebben GZ-psycholoog drs. B.Y. van Toorn en psychiater dr. A.J.W.M. Trompenaars een rapport omtrent verdacht uitgebracht. Dit rapport houdt ondermeer verkort en zakelijk weergegeven in:

“Er is bij betrokkene sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een Pervasieve Ontwikkelingsstoornis Niet Anderszins Omschreven, in combinatie met cognitieve functiestoornissen Niet Anderszins Omschreven. Er is geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis maar wel van afhankelijke persoonlijkheidstrekken. Ten tijde van het tenlastegelegde was een en ander onverminderd aanwezigen en heeft betrokkenes gedragingen en gedragskeuzes in zeer ernstige mate beïnvloed. Door de zeer lage sociale intelligentie heeft betrokkene niet kunnen inschatten dat hij zich in een potentieel gevaarlijk situatie bevond waardoor hij het paranoïde psychotische toestandsbeeld van het slachtoffer niet als dusdanig herkend heeft. Toen het slachtoffer hem aanviel heeft betrokkene door zijn trage tempo van denken, de gebrekkige copingsmechanismen en zijn sterke angstgevoeligheid op geen enkele manier adequaat kunnen reageren. Ondanks het feit dat er sprake was van onvermogen, een foute inschatting van de situatie en de mogelijkheid dat het contact met de realiteit in enige mate verstoord was, zijn rapporteurs van mening dat dit contact met realiteit niet volledig was verbroken. Eén en ander tegen elkaar afwegende is het advies van rapporteurs om betrokkene als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De kans dat betrokkene in de toekomst wederom tot een vergelijkbaar feit als het onderhavige zal komen wordt als klein ingeschat. Het is echter wel mogelijk dat betrokkene wederom in sociale situaties terechtkomt die hij niet begrijpt. Dit is ook voor de hand liggend gezien zijn pervasieve ontwikkelingsstoornis. Het is echter zeer twijfelachtig of betrokkene zich dan wederom zal laten verleiden tot handelingen die niet zijn toegestaan. Het handelen van betrokkene zal sterk afhankelijk zijn van de omgevingsinvloeden. Op het moment dat betrokkene aangevallen wordt door iemand in zijn omgeving zal hij waarschijnlijk wederom zichzelf verdedigen, al was het maar omdat hij geen ander oplossing kan bedenken op dat moment. Het is echter discutabel in hoeverre dit een pathologische reactie is. De problematiek van betrokkene behoeft zeker begeleiding. De begeleiding zal gericht moeten zijn op psycho-educatie. Geadviseerd wordt dan ook om betrokkene aan te melden bij een gespecialiseerd behandelteam van de reguliere GGZ. Een mogelijkheid is dat deze behandeling wordt opgelegd binnen het juridische kader van een (deels )voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een verplicht reclasseringscontact. Een soortgelijke behandeling zou ook plaats kunnen vinden binnen het kader van een Penitentiair Programma gedurende de laatste fase van zijn detentie”

De rechtbank overweegt naar aanleiding hiervan het navolgende.

De psychiater en psycholoog komen tot het advies verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Hierbij zijn ze ervan uitgegaan, zo begrijpt de rechtbank, dat verdachte heeft gereageerd op een agressieve impulsdoorbraak van het slachtoffer, ontstaan vanuit een paranoïde psychose. Volgens de deskundigen heeft overvloedig cannabisgebruik door het slachtoffer daarbij een belangrijke rol gespeeld.

De rechtbank stelt in dit verband allereerst vast dat niet is komen vast te staan dat zich een dergelijke impulsdoorbraak bij het slachtoffer heeft voorgedaan. Gelet op hetgeen wél vaststaat, kan echter een dergelijke aanleiding geenszins worden uitgesloten. De rechtbank neemt daarbij met name het volgende in aanmerking:

- uit niets komt naar voren dat verdachte die middag het vooropgezet plan had het slachtoffer ernstig te verwonden of te doden;

- het slachtoffer was blijkens verklaringen van [verdachte] en [verdachte 2] onvriendelijk tegen verdachte en gebruikte in ruime mate cannabis;

- verdachte [verdachte 2] heeft volgens de verklaring van [getuige 3] aan hem kenbaar gemaakt dat verdachte en het slachtoffer ruzie hadden;

- er zijn geen eerdere agressieve handelingen van verdachte bekend; uit de rapportages en met name ook het milieurapport komt hij naar voren als een persoon die zich bij agressie van een ander eerder zal terugtrekken dan daarop (agressief) te reageren;

- de toestand van de woonkamer van het slachtoffer zoals de politie die heeft aangetroffen duidt niet op enkel een korte, enkelvoudige, geweldshandeling van verdachte;

- verdachte had enige verwondingen.

Onder deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat het handelingen van het slachtoffer zijn geweest die voor verdachte de aanleiding waren het slachtoffer te doden. Hoewel dit dus niet vaststaat moet daar in zodanige mate rekening mee worden gehouden, dat dit moet worden betrokken bij de vraag of, en zo ja: in welke mate, verdachte ten tijde van het tenlastegelegde verminderd toerekeningsvatbaar was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de deskundigen terecht in hun beschouwingen hebben betrokken de reële mogelijkheid dat agressief en/of voor verdachte oninvoelbaar gedrag van het slachtoffer tot de geweldshandeling van verdachte heeft/hebben geleid. Onder die omstandigheden maakt de rechtbank het oordeel van de deskundigen dat verdachte mede gelet op zijn stoornissen sterk verminderd toerekeningsvatbaar was tot het hare.

Verder oordeelt de rechtbank met de deskundigen dat de veronderstelde situatie zo’n ongelukkige samenloop van omstandigheden vormt, dat de kans op herhaling zeer gering is. Dat betekent dat er geen grond is om tot de oplegging van een maatregel te komen.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Hierbij heeft de rechtbank met name de hoge mate van verminderde toerekeningsvatbaarheid ten aanzien van feit 1 betrokken. Een lagere straf komt niet in aanmerking, gelet op de aard van het handelen van verdachte ten aanzien van feit 1 en de gevolgen daarvan.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij].

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, te weten een bedrag ad € 5.698,12.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de staat schadevergoeding aan de nabestaande van het slachtoffer bevordert.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Aangezien aldus aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat de verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de aan hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen in beslag genomen goederen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit goederen zijn die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van feit 2 verkregen zijn en dat deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen goederen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

doodslag

T.a.v. feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

T.a.v. feit 3:

* Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

T.a.v. feit 1, feit 2:

* Gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht

* Teruggave inbeslaggenomen goederen aan de verdachte, te weten: schoenen Nike (hal woning), mes (hal woning), schoenen (schuur), shirt (wasmand), broek (wasmand), broek (gedragen tijdens aanhouding), sokken (idem), sokken (12x; wasmand), trainingsbroek (2x, wasmand), aantal bonnetjes, catalogus en kladbriefjes (auto [verdachte]), jack (kapstok woning), broek (kast slaapkamer)

T.a.v. feit 2:

* Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten: hennep (bakje met hennep (woonkamer), zakje met hennep (trapkast), hennep (trapkast), hennep in aluminiumkleurige zak en hennep (slaapkamer [verdachte]))

T.a.v. feit 1:

* Maatregel van schadevergoeding van EUR 5.698,12 subsidiair 58 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] van een bedrag van EUR 5.698,12 (zegge: vijduizendzeshonderdachtennegentig euro en twaalf eurocent ), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 58 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], van een bedrag van EUR 5.698,12 (zegge: vijfduizendzeshonderdachtennegentig euro en twaalf eurocent euro).

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A. Bik, voorzitter,

mr. I.L.P. Crombeen en mr. G.J. Holtkamp, leden,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Meurs, griffier,

en is uitgesproken op 10 juli 2007.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.