Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA8999

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-02-2007
Datum publicatie
06-07-2007
Zaaknummer
483997
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Werknemer heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is omgezet naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Hij baseert dit op vier werkgeversverklaringen waarin door de werkgever is vermeld dat er een dienstverband voor onbepaalde tijd bestaat. De werkgeversverklaringen zijn incidenteel door de werknemer aangevraagd, vooral om op papier te krijgen dat hij voor onbepaalde tijd in dienst is. Niet gesteld of gebleken is dat de werknemer dit uitdrukkelijk bij zijn verzoek om een dergelijke verklaring heeft vermeld. Ter zitting is voorts gebleken dat de werkgeversverklaringen zonder overleg met de directie door een administratief medewerker worden ingevuld en dat standaard wordt ingevuld dat de betreffende werknemer een dienstverband voor onbepaalde tijd heeft. Niet gesteld of gebleken is dat deze administratief medewerker de werkgever zou kunnen binden als partij bij de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter acht het voorshands onvoldoende aannemelijk dat uit deze verklaringen afgeleid zou kunnen worden dat de werknemer een dienstverband voor onbepaalde tijd heeft gekregen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 668a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2007/190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 483997

Rolnummer : 06-9914

Uitspraak : 5 februari 2007

in de zaak van:[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser

gemachtigde: mr. S.A Ruijs,

t e g e n :

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kanters Opzetstation,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.P.M. van den Heuvel.

1. De procedure

Nadat een dag was bepaald voor de behandeling van deze zaak, heeft eiser, verder te noemen “[eiser]”, gedaagde, verder te noemen “Kanters BV”, doen dagvaarden.

De mondelinge behandeling, waarvoor Kanters BV op voorhand een aantal producties heeft toegezonden, heeft op 22 januari 2007 plaatsgevonden. Kanters BV is bij die gelegenheid verschenen en heeft verweer gevoerd tegen de vordering van [eiser]. Partijen hebben bij die gelegenheid hun standpunten doen toelichten bij monde van hun gemachtigden, voornoemd. De gemachtigde van Kanters BV heeft daartoe pleitaantekeningen gehanteerd die aan de kantonrechter zijn overgelegd. Daarop is vonnis bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven - dat de kantonrechter bij wege van voorziening ex artikel 254 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.), uitvoerbaar bij voorraad, Kanters BV veroordeelt om aan [eiser] te betalen:

a. een bedrag van € 2.430,- bruto per maand aan salaris, te rekenen vanaf 10 november 2006;

b. een bedrag van 8,5% vakantietoeslag over voormeld loon, te betalen op de bij de wet aangegeven tijdstippen;

c. de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW over het gevorderde onder a tot en met c;

d. een bedrag van € 750,- ter zake de buitengerechtelijke incassokosten;

e. de wettelijke rente over alle gevorderde bedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van die bedragen tot de dag der algehele voldoening;

Voorts vordert [eiser] wedertewerkstelling in zijn werkzaamheden als chauffeur volgens het advies van het UWV, met veroordeling van Kanters BV in de kosten van het geding.

[eiser] legt daaraan, kort weergegeven, het volgende ten grondslag.

[eiser] is op 10 november 2003 als chauffeur bij Kanters BV in dienst getreden voor bepaalde tijd van een jaar tegen een brutosalaris van € 2.430,- per maand. Nadien heeft [eiser] nimmer meer een schriftelijke arbeidsovereenkomst ontvangen. Wel heeft hij in 2005 een schriftelijke werkgeversverklaring ontvangen waaruit blijkt dat hij voor onbepaalde tijd in dienst is van Kanters BV. Op 27 december 2005 is [eiser] arbeidsongeschikt geworden. Uit de second opinion die [eiser] heeft ingewonnen bij het UWV blijkt dat hij in staat moet worden geacht om gedurende 6 uur per dag, vier dagen in de week, arbeid als chauffeur te verrichten. Bij brief van 7 november 2006 laat Kanters BV [eiser] weten dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 2003 steeds stilzwijgend zou zijn verlengd en dat per 10 november 2006 van rechtswege een einde aan de arbeidsovereenkomst komt. [eiser] ontvangt thans geen salaris meer en heeft daarom een spoedeisend belang bij zijn vordering.

2.2. Kanters BV heeft hiertegen tot verweer aangevoerd dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. De arbeidsovereenkomst van [eiser] is na het aangaan in november 2003 tot twee keer toe stilzwijgend verlengd. Per 10 november 2006 is de arbeidsovereenkomst tot een einde gekomen. De reeks van arbeidsovereenkomsten kan daarom niet van rechtswege worden geconverteerd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de zin van de wet. Uit de werkgeversverklaringen, waarin staat vermeld dat [eiser] voor onbepaalde tijd in dienst is, kan niet worden afgeleid dat het tijdelijk dienstverband is omgezet in een dienstverband voor onbepaalde tijd.

Voor de toelichting op en onderbouwing van de standpunten van partijen zij verwezen naar de stukken van het geding.

3. De beoordeling

3.1. De spoedeisendheid van de vordering is door Kanters BV bestreden. Dienaangaande geldt dat de vordering tot betaling van loon naar zijn aard vrijwel steeds een spoedeisend karakter draagt, te meer nu [eiser] onweersproken heeft gesteld dat hij thans geen salaris ontvangt en afhankelijk is van een wekelijks voorschot van het UWV.[eiser] is daarom ontvankelijk in zijn vordering.

3.2. In de onderhavige procedure, strekkende tot het treffen van een voorlopige voorziening, dient de vordering slechts te worden toegewezen indien met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de kantonrechter een overeenkomstige vordering in de bodemprocedure zal toewijzen.

Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

3.3. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat in november 2004, vlak voor het eindigen van de eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, door [x] en [y], beiden werkzaam bij Kanters BV, de toezegging is gedaan dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zou worden omgezet naar een dienstverband voor onbepaalde tijd. In de jaren daarna is er volgens [eiser] verder niet meer over gesproken. [eiser] heeft voorts verklaard dat hij daarom steeds werkgeversverklaringen aangevraagd heeft om zwart op wit te krijgen dat hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft. Zijdens Kanters BV is ter zitting bij gebrek aan wetenschap weersproken dat aan [eiser] in 2004 is toegezegd dat zijn arbeidsovereenkomst zou worden omgezet in een vast dienstverband. Ten aanzien van de werkgeversverklaringen heeft de heer [Z] namens Kanters BV verklaard dat op deze verklaringen altijd wordt ingevuld dat de werknemer voor onbepaalde tijd in dienst is, aangezien anders de lening (waarvoor de werkgeversverklaring dient worden afgegeven) niet wordt verstrekt of tegen ongunstigere voorwaarden. De werkgeversverklaring wordt door een medewerker ingevuld zonder dat de directie daarbij betrokken is, aldus de heer [Z].

3.4. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de werkgeversverklaringen die Kanters BV tot vier maal toe op verzoek van [eiser] heeft verstrekt – en waarin staat vermeld dat [eiser] een dienstverband voor onbepaalde tijd heeft – niet zonder meer met zich brengen dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat hij ook daadwerkelijk een vast dienstverband heeft gekregen. Uit productie 4 bij dagvaarding blijkt [eiser] deze werkgeversverklaringen incidenteel heeft aangevraagd voor een (aanvullende) hypotheek. Volgens [eiser] heeft hij die verklaringen vooral ook aangevraagd om op papier te krijgen dat hij voor onbepaalde tijd in dienst was, maar gesteld noch gebleken is dat hij dat uitdrukkelijk bij zijn verzoek heeft vermeld. Kennelijk – zo blijkt uit de niet weersproken verklaring van de heer [Z] – worden deze verklaringen ingevuld door een administratief medewerker zonder dat overleg met de directie plaatsvindt en wordt standaard ingevuld dat de betreffende werknemer een dienstverband voor onbepaalde tijd heeft. Dat deze administratief medewerker Kanters BV zou kunnen binden als partij bij de arbeidsovereenkomst is niet gesteld of gebleken. Onvoldoende aannemelijk is derhalve dat uit deze verklaringen afgeleid zou kunnen worden dat [eiser] inderdaad een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft gekregen. Evenmin kan dat worden afgeleid uit de beweerdelijke toezegging van [x]n en [y] nu gesteld noch gebleken is dat zij namens Kanters BV bindende toezeggingen hierover konden doen.

3.5. Het ligt op de weg van [eiser] om te bewijzen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Er zijn thans onvoldoende aanknopingspunten om voorshands aan te nemen dat aan [eiser] in november 2004 de toezegging zou zijn gedaan dat zijn tijdelijke dienstverband zou worden omgezet in een dienstverband voor onbepaalde tijd. Het kort geding leent zich niet voor een diepgaand onderzoek en voor het horen van getuigen.

Ter zitting heeft [eiser] subsidiair nog aangevoerd dat Kanters BV de arbeidsovereenkomst niet regelmatig heeft opgezegd gelet op artikel 3 sub 3 van de arbeidsovereenkomst. Deze stelling treft geen doel aangezien bedoeld artikel ziet op de mogelijkheid van tussentijdse opzegging van de arbeidsovereenkomst.

3.6. Bij gebreke van andere aanknopingspunten dient er voorshands vanuit te worden uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst d.d. 10 november 2003 voor bepaalde tijd van een jaar per 10 november 2004 en 10 november 2005 stilzwijgend is verlengd met een periode van nogmaals een jaar. Bij brief van 7 november 2006 heeft Kanters BV de arbeidsovereenkomst per 10 november 2006 beëindigd. Dat betekent dat sprake is van drie opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die een periode van 36 maanden niet overschrijden. De reeks van arbeidsovereenkomsten kan daarom niet van rechtswege worden geconverteerd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de zin van art. 7:668a lid BW. Voorshands dient er daarom vanuit te worden gegaan dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat de arbeidsovereenkomst van [eiser] per 10 november 2006 rechtsgeldig tot een einde is gekomen.

Dat betekent dat de vordering van [eiser] behoort te worden afgewezen.

3.7. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

4. De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Kanters BV begroot op € 200,- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast).

Aldus gewezen door mr. E.J.C. Adang, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 februari 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.