Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA8876

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
05-07-2007
Zaaknummer
01/889033-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek voorarrest voor deelname criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

verkort vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/889033-05

Datum uitspraak: 05 juli 2007

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak

[verdachte]]

[geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

wonende te [adres]

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 januari 2007, 22 maart 2007, en 18, 19 en 21 juni 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 december 2006. Een kopie van deze dagvaarding is aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 4 januari 2007 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht.

Met inachtneming van deze wijziging tenlastelegging is aan verdachte tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot en met 26 september

2006 te Schijndel, in elk geval in het arrondissement 's-Hertogenbosch en/of

te Amsterdam, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een

organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte,

en/of een of meer andere natuurlijke personen, te weten medeverdachte 1] en/of [verdachte] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6]

en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of een of meer ander(en), welke

organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het overtreden

van artikel 312 Wetboek van Strafrecht en/of artikel 317 Wetboek van

Strafrecht en/of artikel 311 Wetboek van Strafrecht en/of artikel 416 Wetboek

van strafrecht en/of artikel 46 Wetboek van Strafrecht en/of een of meer

andere misdrijven;

(artikel 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht).

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Overweging m.b.t. de bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich gedurende een periode van enkele jaren binnen een georganiseerd samenwerkingsverband op grote schaal bezig heeft gehouden met het (pogen tot het) overvallen van banken en/of daartoe voorbereidingshandelingen heeft getroffen.

Verdachte maakte deel uit van dit samenwerkingsverband waarvan de handelwijze als volgt kan worden aangeduid.

Vanuit de dadergroep werden blijkens het strafdossier door medeverdachten, in enkele gevallen vergezeld door verdachte, voorverkenningen gedaan in de nabijheid van banken die later werden overvallen of waarbij gepoogd werd die banken te overvallen. Binnen de dadergroep werd samengewerkt bij het verwerven van mokers die later gebruikt werden bij het inslaan van ruiten bij te overvallen banken.

De dadergroep werkte samen bij het stelen van de bromfietsen/scooters en auto’s die werden gebruikt als vluchtmiddel.

Uit het strafdossier waarin zich vele observatiegegevens en afgeluisterde gesprekken bevinden, is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat de dadergroep in een vrij vaste samenstelling en volgens een min of meer vaste werkwijze is opgetreden, welke werkwijze als volgt kan worden omschreven.

Door de dadergroep werden meerdere voorverkenningen uitgevoerd van de te overvallen bank en van de vluchtwegen.1 In een aantal gevallen werden takjes of propjes geplaatst voor het bepalen van het tijdstip van het arriveren van het geldtransport2.

Er werden in dezelfde winkel in Amsterdam mokers gekocht die gebruikt werden voor het inslaan van ruiten van de te overvallen bank3. Bromfietsen/scooters werden gestolen in Amsterdam 4en in de nacht voor de overval werden een bromfiets/scooter en een moker onder een afdekzeil in de buurt van de te overvallen bank gestald.5

Op de dag van de overval kwamen twee leden van de dadergroep in donkere kleding met die bromfiets/scooter naar de bank rijden en bij de bank aangekomen sloeg een van de daders met de moker de ruiten van de bank stuk of poogde dat te doen om aldus bij de kluis van de bank te geraken6. Na de (poging tot een) overval lieten de twee daders van de dadergroep de gebruikte moker achter op de plaats van het delict en reden vervolgens met de gestolen bromfiets/scooter weg, lieten deze bromfiets/scooter op korte afstand van de bank achter en vluchtten verder in een gereedstaande auto die ook gestolen was in Amsterdam.7

Tijdens het plegen van het misdrijf werden tussen de leden van de dadergroep geen telefonische gesprekken gevoerd.

Er is sprake geweest van een zekere mate van taakverdeling binnen de dadergroep waarbij een aantal deelnemers meerdere taken verrichtte en waarbij het voor alle deelnemers volstrekt helder was wat men ging doen.

Een aantal leden van de dadergroep ([medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], en in enkele gevallen [verdachte] en [medeverdachte 4] verkenden de te overvallen banken en de vluchtwegen door met een auto rond te rijden in de nabijheid van de betreffende bank. Anderen ([medeverdachte 3], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] waren belast met het kopen van de mokers bij een vast adres in Amsterdam en met het stelen van (vlucht) bromfietsen/scooters en auto’s. Vervolgens werden de overvallen door leden van de dadergroep, gekleed in donkere kleding en zoveel mogelijk onherkenbaar, uitgevoerd.

Daarbij overweegt de rechtbank dat in ieder geval ook duidelijk is geworden dat DNA van verdachte is aangetroffen bij een aantal zaken.8

Doordat het voor de leden van de dadergroep duidelijk was hoe de taken verdeeld waren, was een strakke hiërarchie niet nodig en behoefde de organisatiegraad niet hoog te zijn.

Gelet op de mate van taakverdeling tussen de leden van de dadergroep is er naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Uit het strafdossier blijkt dat de deelnemers van de organisatie op een af andere manier betrokken zijn geweest bij een groot aantal bankovervallen of pogingen dan wel voorbereidingen daartoe. De deelnemer behoeft volgens vaste jurisprudentie niet zelf te hebben meegewerkt aan een concreet misdrijf; het verlenen van ondersteuning is reeds voldoende.

Mede gelet op het feit dat de onderlinge taakverdeling gericht was op het plegen van misdrijven, is de rechtbank van oordeel dat binnen deze organisatie gehandeld werd met het oogmerk op het plegen van delicten.

De rechtbank is van oordeel dat de organisatie tevens een duurzaam karakter had nu de dadergroep gedurende een periode van ongeveer twee jaar bezig is geweest met het plegen van genoemde delicten.

Nu verdachte in feitelijke zin heeft deelgenomen aan dit gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband dat tot oogmerk had het plegen van misdrijven is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

in de periode van 1 september 2004 tot en met 26 september in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en andere natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en/of een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het overtreden van artikel 312 Wetboek van Strafrecht en artikel 311 Wetboek van Strafrecht en artikel 416 Wetboek van Strafrecht en/of artikel 46 Wetboek van Strafrecht en/of een of meer andere misdrijven.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 140.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

- een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden, met aftrek van voorarrest .

- teruggave aan verdachte van de onder hem inbeslaggenomen voorwerpen die staan

vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nrs. 3, 7, 10, 14, 15 en 20.

De op te leggen straf en maatregel.

Bij de beslissing over de straf en maatregel die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- verdachte werd terzake van vermogensmisdrijven blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister reeds eerder veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het

Wetboek van Strafrecht.

Teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten: de voorwerpen, vermeld op de aan

dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nrs. 3, 7, 10, 14, 15 en 20, aan verdachte.

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten van de hashish

( nummer 21 op de bijgevoegde lijst van inbeslaggenomen voorwerpen).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.W.H. Renneberg, voorzitter,

mr. C.B.M. Bruens en mr. C.F.E. van Olden-Smit, leden,

in tegenwoordigheid van G.G. Dirks, griffier,

en is uitgesproken op 5 juli 2007.

1 zaak 1 (Schijndel) , zaak 3 (Wageningen), zaak 4 (CBR-Rotterdam), zaak 9 (Geleen), zaak 10 (Almere), zaak 11 (Wezep), zaak 14 (Zaandam), zaak 18 (Lelystad), zaak 19 (Boxtel), zaak 20 (Voorburg) en zaak 25 (Sliedrecht).

2 Zaak 1 (Schijndel) en zaak 15 (Barneveld)

3 Zaak 2 (Zevenbergen), zaak 3 (Wageningen), zaak 9 (Geleen), zaak 20 (Voorburg) en zaak 24 (Reuver).

4 Zaak 1 (Schijndel), zaak 2 (Zevenbergen), zaak 9 (Geleen), zaak 11 (Wezep), zaak 13 (Papendrecht), zaak 14 (Zaandam), zaak 16 (ABN-Rotterdam), zaak 17 (Berkel en Rodenrijs), zaak 19 (Boxtel), zaak 20 (Voorburg), zaak 25 (Sliedrecht) en zaak 26 (Rijen)

5 Zaak 2 (Zevenbergen), zaak 9 (Geleen), zaak 11 (Wezep), zaak 14 (Zaandam), zaak 18 (Lelystad), zaak 19 (Boxtel), zaak 20 (Voorburg), zaak 25 (Sliedrecht) en zaak 26 (Rijen)

6 Zaak 2 (Zevenbergen), zaak 3 (Wageningen), zaak 4 (CBR-Rotterdam), zaak 9 (Geleen), zaak 11 (Wezep), zaak 12 (Wateringen), zaak 13 (Papendrecht), zaak 14 (Zaandam), zaak 16 (ABN-Rotterdam), zaak 17 (Berkel en Rodenrijs), zaak 18 (Lelystad), zaak 20 (Voorburg), zaak 24 (Reuver), zaak 25 (Sliedrecht) en zaak 26 (Rijen).

7 Zaak 2 (Zevenbergen), zaak 3 (Wageningen), zaak 9 (Geleen), zaak 11 (Wezep), zaak 12 (Wateringen), zaak 13 (Papendrecht), zaak 14 (Zaandam), zaak 16 (ABN-Rotterdam), zaak 17 (Berkel en Rodenrijs), zaak 19 (Boxtel), zaak 20 (Voorburg), zaak 24 (Reuver), zaak 25 (Sliedrecht) en zaak 26 (Rijen).

8 Zaak 15 (Barneveld), zaak 16 (ABN-Rotterdam) en zaak 17 (Berkel en Rodenrijs)