Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA8806

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
05-07-2007
Zaaknummer
01/089090-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Drie jaar gevangenisstraf voor onder meer overvallen of pogingen daartoe.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte gedurende een periode van enkele jaren binnen een georganiseerd samenwerkingsverband op grote schaal bezig is geweest met onder meer het (pogen tot het) overvallen van banken en diefstallen met braak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

verkort vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/089090-04

Datum uitspraak: 5 juli 2007

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

[geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977

wonende te [adres]

thans gedetineerd te: P.I. Breda - HvB De Boschpoort.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 januari 2007, 22 maart 2007, en 18, 19 en 21 juni 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 december 2006. Een kopie van deze dagvaarding is aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 4 januari 2007 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht.

Met inachtneming van deze wijziging tenlastelegging is aan verdachte tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 8 juni 2006 te Schijndel ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een bedrag aan geld, geheel of ten dele toebehorende aan de SNS-bank, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personeel van voornoemde SNS-bank en/of een of meer andere in/nabij deze bank aanwezige perso(o)n(en), te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden

en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met voormeld oogmerk zich met zijn mededader(s) vanuit Amsterdam naar Schijndel heeft begeven, zulks terwijl hij/zij beschikt(en) over een ontvreemde personenauto en/of bromfiets, en/of die bromfiets (vervolgens) nabij de SNS-bank heeft/hebben gestald, en/of heeft/hebben gepoogd zich, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf, met deze bromfiets naar de SNS-bank te verplaatsen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

(artikel 312 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)(zaak 1)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 8 juni 2006 te Schijndel, in elk geval in het arrondissement

's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met

geweldpleging door twee of meer verenigde personen (art. 312 Wetboek van Strafrecht) ten nadele van de de SNS-bank te Schijndel, opzettelijk een of meer vervoermiddel(en), te weten een (ontvreemde) auto en/of een (ontvreemde) bromfiets, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad;

(artikel 46 Wetboek van Strafrecht)(zaak 1)

2.

hij op of omstreeks 09 mei 2006 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een bromfiets, merk Vespa, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) die weg te nemen bromfiets onder zijn / hun bereik heeft /hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, te weten door het

verbreken, althans vernielen, van het ketting- en/of stuurslot van voornoemde

bromfiets; (artikel 311 lid 1 sub 5 Wetboek van Strafrecht)(zaak 1)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 09 mei 2006 tot en met 08 juni 2006, in elk geval op of omstreeks 8 juni 2006 te Schijndel, in elk geval in het arrondissement 's-Hertogenbosch en/of te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een anderof anderen, althans alleen, (telkens) een bromfiets, merk Vespa heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of

zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die bromfiets (telkens) wist(en) dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

(artikel 416 lid 1 onder a Wetboek van Strafrecht)(zaak 1)

3.

hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2006 tot en met 23 maart 2006 te Nieuwegein tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een personenauto (merk Fiat Punto, kenteken (kenteken)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en /of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) die weg te nemen personenauto onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van verbreking van het portier- en/of contactslot; (artikel 311 lid 1 sub 4 en 5 Wetboek van Strafrecht)(zaak 1)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 maart 2006 tot en met 08 juni 2006, in elk geval op of omstreeks 08 juni 2006, te Nieuwegein en/of te Schijndel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een personenauto (merk Fiat Punto, kenteken (kenteken)) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten

tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto (telkens) wist(en) dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

(artikel 416 lid 1 onder a Wetboek van Strafrecht)(zaak 1)

4.

hij op of omstreeks 28 maart 2006 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een winkelfiliaal van Albert Heijn (aan de Oostelijke Handelskade) heeft weggenomen een hoeveelheid rookartikelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, te weten het verbreken van een toegangsdeur en/of een (glazen) winkelpui van dat winkelfiliaal;

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht;) (delict 6)

5.

hij op of omstreeks 25 april 2006 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een winkelfiliaal van Albert Heijn (aan de Oostelijke Handelskade) heeft weggenomen een hoeveelheid rookartikelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, te weten het verbreken van een (glazen) winkelpui van dat winkelfiliaal en/of het verbreken van een aantal rolluiken van enkele kasten; (artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

(delict 6)

6.

hij op of omstreeks 18 mei 2006 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een winkelfiliaal van Albert Heijn (aan de Oostelijke Handelskade) heeft weggenomen een aantal dvd's en/of twee dvd-recorders en/of een hoeveelheid rookartikelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, te weten het verbreken van een toegangsdeur en/of een (glazen) winkelpui van dat winkelfiliaal en/of het verbreken van een aantal rolluiken van enkele kasten; (artikel 311 Wetboek van Strafrecht) (delict 6)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 18 mei 2006 tot en met 26 september 2006 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een aantal dvd's heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die dvd's wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416 Wetboek van Strafrecht) (delict 6)

7.

hij op of omstreeks 30 november 2005 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een personenauto (merk Volkswagen Golf VR6, kenteken (kenteken)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) die weg te nemen personenauto onder zijn/hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van verbreking van het contactslot;

(artikel 311 lid 1 sub 5 Wetboek van Strafrecht) (zaakdossier 8)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 30 november 2005 tot en met 22 december 2005 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) een personenauto (merk Volkswagen, type Golf VR6, kenteken (kenteken)) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormelde personenauto (telkens) wist(en) dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

(artikel 416 lid 1 onder a Wetboek van Strafrecht) (zaakdossier 8)

8.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot en met 26 september2006 te Schijndel, in elk geval in het arrondissement 's-Hertogenbosch en/of te Amsterdam, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en/of een of meer andere natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het overtreden van artikel 312 Wetboek van Strafrecht en/of artikel 317 Wetboek van Strafrecht en/of artikel 311 Wetboek van Strafrecht en/of artikel 416 Wetboek van Strafrecht en/of artikel 46 Wetboek van Strafrecht en/of een of meer andere misdrijven;

(artikel 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht).

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Vrijspraak.

(m.b.t. het onder 1 primair tenlastegelegde:)

De officier van justitie heeft tot bewezenverklaring van de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot diefstal met geweldpleging gerequireerd.

De rechtbank is uit het dossier het navolgende gebleken.

In de periode van 15 mei 2005 tot en met 8 juni 2006 [verdachte] al dan niet samen met zijn medeverdachten, de SNS-bank te Schijndel uitvoerig geobserveerd. Ook heeft verdachte in die periode, al dan niet samen met medeverdachten, meermalen een geldtransport bij de bank geobserveerd en eenmaal het afstortluik bij die bank gecontroleerd.

Op 8 juni 2006 [verdachte] en [medeverdachte 4] [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] zich vervolgens in Schijndel. Verbalisanten hebben die ochtend in de Haydnstraat in Schijndel een in Amsterdam gestolen bromfiets aangetroffen. Later die ochtend wordt gezien dat [medeverdachte 4] de bromfiets verplaatst tot zeer nabij bij de SNS-bank. Waargenomen wordt ook dat [medeverdachte 4] handschoenen en een tot aan de hals gesloten bomberjack draagt. Nadat de bank is bevoorraad, wordt door verbalisanten waargenomen dat een man tracht de bromfiets te starten, maar dat dit kennelijk niet lukte. Vervolgens wordt waargenomen dat [medeverdachte 4] en [verdachte] naar de bromfiets lopen en dat [verdachte] tracht de bromfiets te starten. Toen dit kennelijk niet lukte, liepen beide personen weg. Hierna hebben verdachte en [medeverdachte 4] [medeverdachte 7], en [medeverdachte 6] Schijndel verlaten.

Voormelde vier personen hebben later na hun aanhouding zelf geen helderheid verschaft over de reden van hun aanwezigheid op 8 juni 2006 in Schijndel. Daarom zal naar het oordeel van de rechtbank de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen doorslaggevend moeten zijn voor het al dan niet kunnen aannemen van het begin van uitvoering van het voornemen de SNS-bank te Schijndel te overvallen.

Gelet op de hierboven omschreven handelingen van de vier verdachten hebben verdachte en zijn medeverdachten naar het oordeel van de rechtbank (nog) geen gedragingen verricht welke naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders kunnen worden beschouwd dan als te zijn gericht op de voltooiing van de diefstal met geweldpleging op de SNS-bank te Schijndel. Derhalve was er nog geen sprake van een begin van uitvoering als hierboven bedoeld.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde.

(m.b.t. het onder 3 tenlastegelegde:)

De officier van justitie stelt dat het onder 3 subsidiair tenlastegelegde medeplegen van opzetheling van een Fiat Punto wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De rechtbank overweegt het navolgende.

Observanten hebben waargenomen dat een lichtgroene Fiat Punto op 8 juni 2006 achter de auto van [ver[verdachte] reed op het moment dat [verdachte] Schijndel verliet. Verder is uit peilbakengegevens gebleken dat de auto van [verdachte] later die dag in de buurt is geweest van de plaats waar de in feit 3 vermelde Fiat Punto met het kenteken (kenteken) is aangetroffen.

Dit alles levert voor de rechtbank niet het wettig en overtuigend bewijs op voor medeplegen van opzetheling. De rechtbank zal verdachte daarom van dit feit vrijspreken.

(m.b.t. het onder 6 tenlastegelegde:)

De officier van justitie stelt dat de onder 6 primair tenlastegelegde inbraak in vereniging bij Albert Heijn op 18 mei 2006 wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De rechtbank overweegt het navolgende.

Uit peilbakengegevens blijkt dat de auto van [ver[verdachte] omstreeks 01.55 uur in de nacht waarin de inbraak plaatsvond bij het huis van verdachte [medeverdachte 4] is geweest.

Deze auto heeft zich later die nacht tussen 03.02 uur en 03.20 uur opgehouden in de buurt van de betreffende vestiging van Albert Heijn. Hierna heeft de auto ongeveer 35 minuten stilgestaan nabij die vestiging van Albert Heijn. Daarna is de auto van [verdachte] omstreeks 04.02 uur weer bij de woning van [medeverdachte 4] geweest. Later zijn in september 2006 bij [medeverdachte 4] een aantal nieuwe dvd’s aangetroffen, waarvan de titels gelijk zijn aan titels van bij Albert Heijn ontvreemde nieuwe dvd’s. Niet aangetoond is dat de aangetroffen dvd’s de bij Albert Heijn gestolen dvd’s waren. Hoewel aangekondigd, is nader onderzoek naar de herkomst niet verricht.

Het vorenstaande is voor de rechtbank onvoldoende om wettig en overtuigend bewezen te achten dat [verdachte] de onder 6 primair tenlastegelegde diefstal in vereniging met braak bij Albert Heijn heeft gepleegd.

(m.b.t. het onder 7 tenlastegelegde:)

De rechtbank acht evenals de officier van justitie niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de diefstal van de Golf VR6. De rechtbank zal verdachte daarom van dit feit vrijspreken.

De officier van justitie stelt dat de onder 7 subsidiair tenlastegelegde opzetheling in vereniging van een Volkswagen Golf VR6 wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De rechtbank overweegt het navolgende.

Het enkele feit dat [verdachte] met zijn auto in de buurt is geweest van de gestolen Volkswagen Golf VR6 levert voor de rechtbank niet het wettig en overtuigend bewijs op dat hij deze auto in vereniging met een ander of anderen heeft geheeld. De rechtbank zal verdachte daarom van dit feit vrijspreken.

Overwegingen met betrekking tot de bewezenverklaring.

De raadsman heeft gesteld dat de wijze waarop de politie aan het Imei-nummer van verdachte is gekomen, onrechtmatig is. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat uit een proces-verbaal blijkt dat [verbalisant] [verdachte] op 25 maart 2005 op het Prins Bernhardplein te Amsterdam heeft aangehouden voor het plegen van enkele verkeersovertredingen. Vervolgens heeft hij de telefoon van [verdachte] gecontroleerd met volgens de raadsman als door de verbalisant erbij verzonnen argument dat verdachte zich toen op een plek bevond waar in gestolen telefoons wordt gehandeld. Dit terwijl de verbalisant naar het oordeel van de raadsman geen bevoegdheid had tot het controleren van de telefoon. De telefoongesprekken en alle informatie die hieruit is voortgevloeid dienen volgens de raadsman derhalve te worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank overweegt het volgende.

In een proces-verbaal van bevindingen (BOB-dossier blz. 240 -241) vermeldt [verbalisant] onder ander het navolgende:

“Op 25 maart 2005 omstreeks 21.00 uur werd naar aanleiding van diverse verkeersovertredingen en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden [verdachte] aangehouden te Amsterdam ter hoogte van het Amstelstadion. [verdachte] bestuurde op dat moment een Volkswagen Golf. [verdachte] werd vervolgens overgebracht naar het politiebureau. [verdachte] riep:”Jullie mogen alles controleren want jullie vinden toch niets”. Bij zijn voorgeleiding werd een mobiele telefoon aangetroffen van het merk Nokia type 6230. Aangezien er regelmatig in de omgeving waar [verdachte] werd gesignaleerd en aangehouden telefoons welke van diefstal afkomstig zijn, worden verhandeld, heb ik, verbalisant, het Imei-nummer gecontroleerd. Het Imeinummer 355008007037462 kwam vooralsnog niet voor”.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat [verbalisant] in het kader van zijn taakuitoefening tot opsporing van strafbare feiten bevoegd was de telefoon van [verdachte] te controleren nu [verdachte] werd gesignaleerd in de omgeving waarvan volgens [verbalisant] bekend was dat er in gestolen telefoons werd gehandeld. Dat [verbalisant] ter zake een in strijd met de werkelijkheid zijnde situatie heeft opgetekend, zoals de raadsman suggereert, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden.

Nu niet is gehandeld in strijd met de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van onrechtmatige bewijsverkrijging.

De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.

(m.b.t. het onder 1 subsidiair tenlastegelegde:)

De raadsman heeft primair bepleit dat voorbereiding van een misdrijf niet bestaat indien het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk. Nu verdachten zich hebben ontdaan van de in feit 1 subsidiair genoemde ontvreemde auto en de ontvreemde bromfiets is er naar het oordeel van de raadsman sprake van vrijwillige terugtred bij de voorbereidingshandeling. Volgens de raadsman vindt deze zienswijze steun in het feit dat de overval later op geen enkele wijze meer tussen de verdachten ter sprake is gekomen.

De raadsman verbindt hieraan de conclusie dat verdachte behoort te worden ontslagen van rechtsvervolging.

De rechtbank is uit het dossier het navolgende gebleken.

Ter voorkoming van een herhaling verwijst de rechtbank allereerst naar de handelingen die zijn waargenomen te Schijndel, welke hiervoor bij het onder 1 primair tenlastegelegde zijn beschreven.

Gelet op het waargenomene en op de modus operandi bij de overige in het strafdossier vermelde overvallen danwel pogingen daartoe is de rechtbank van oordeel dat verdachte en de medeverdachten op 8 juni 2006 te Schijndel een aantal voorbereidingshandelingen tot het plegen van een overval reeds had voltooid. Uit niets, ook niet uit hetgeen de raadsman ter zake heeft gesteld, blijkt dat er ten aanzien van het plegen van voorbereidingshandelingen sprake is geweest van een vrijwillig terugtreden. De (althans een aantal van de ) voorbereidingshandelingen waren immers voltooid.

Het stilzwijgen van verdachte en de medeverdachten sterkt de rechtbank in de overtuiging van de juistheid van wat in de bewijsmiddelen besloten ligt of voor de uit die bewijsmiddelen door de rechtbank getrokken conclusies.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

(m.b.t. het onder 1 subsidiair tenlastegelegde:)

De rechtbank interpreteert de tenlastelegging zo dat zij daarin inleest de diefstal met bedreiging met geweld waar in de tenlastelegging in het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit is volstaan met het vermelden van de in het spraakgebruik gehanteerde omschrijving van artikel 312 Wetboek van Strafrecht, te weten “diefstal met geweldpleging”. In het niet bewezen onder 1 primair tenlastegelegde is de “bedreiging met geweld” overigens wel uitdrukkelijk vermeld, zodat verdachte redelijkerwijs kon weten wat er werd bedoeld. De verdediging heeft hierop ook geen verweer gevoerd. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

(m.b.t. het onder 5 tenlastegelegde:)

De officier van justitie heeft in zijn requisitoir aangegeven dat als bewijsmiddel voor dit feit gebruikt kan worden gemaakt van het ovc-gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] om 04.23 uur. Weliswaar is dit gesprek volgens de ovc-apparatuur opgenomen op 2 mei 2006, echter later zou zijn gebleken dat dit gesprek had plaatsgevonden op 25 april 2006.

De raadsman heeft gesteld dat er voldoende twijfel blijft bestaan aan de datering van dat gesprek, zodat dit gesprek uitgesloten moet worden van het bewijs.

De rechtbank is uit het dossier het navolgende gebleken.

In de samenvatting delicten in zaakdossier 6 vermelden verbalisanten op blz. 47 het navolgende:

“Tijdens het uitluisteren van gesprekken welke volgens de ovc-apparatuur waren opgenomen op 2 mei 2006, en die ná het downloaden waren gebrand op een compactdisc voorzien van het nummer BRZ16.2.026, werd duidelijk dat verschillende gesprekken op een andere datum en tijdstip hadden plaatsgevonden. Een en ander werd duidelijk nadat de informatie, afkomstig uit de betreffende gespreken, werd geverifieerd. Vervolgens kwam vast te staan dat de in dit proces-verbaal weergegeven gesprekken hadden plaatsgevonden op 25 april 2006”.

Dat de ovc-gesprekken zeer waarschijnlijk hebben plaatsgevonden op 25 april 2006 en niet op 2 mei 2006 hebben verbalisanten aangetoond aan de hand van de gegevens vermeld op blz. 274 – 276 in zaakdossier 6.

Vorenstaande bevindingen van verbalisanten beschouwt de rechtbank van voldoende gewicht om aannemelijk te achten dat de betreffende ovc-gesprekken hebben plaatsgevonden op 25 april 2006.

Derhalve zal niet tot bewijsuitsluiting van deze gesprekken worden overgegaan.

(m.b.t. het onder 8 tenlastegelegde; art. 140 Sr)

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich gedurende een periode van enkele jaren binnen een georganiseerd samenwerkingsverband op grote schaal bezig heeft gehouden met het (pogen tot het) overvallen van banken en/of daartoe voorbereidingshandelingen heeft getroffen.

Verdachte maakte deel uit van dit samenwerkingsverband waarvan de handelwijze als volgt kan worden aangeduid.

Vanuit de dadergroep werden blijkens het strafdossier door verdachte, al dan niet in samenwerking met zijn medeverdachten, voorverkenningen gedaan in de nabijheid van banken die later werden overvallen of waarbij gepoogd werd die banken te overvallen. Binnen de dadergroep werd samengewerkt bij het verwerven van mokers die later gebruikt werden bij het inslaan van ruiten bij te overvallen banken.

De dadergroep werkte samen bij het stelen van de bromfietsen/scooters en auto’s die werden gebruikt als vluchtmiddel.

Uit het strafdossier waarin zich vele observatiegegevens en afgeluisterde gesprekken bevinden, is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat de dadergroep in een vrij vaste samenstelling en volgens een min of meer vaste werkwijze is opgetreden, welke werkwijze als volgt kan worden omschreven.

Door de dadergroep werden meerdere voorverkenningen uitgevoerd van de te overvallen bank en van de vluchtwegen.1 In een aantal gevallen werden takjes of propjes geplaatst voor het bepalen van het tijdstip van het arriveren van het geldtransport2.

Er werden in dezelfde winkel in Amsterdam mokers gekocht die gebruikt werden voor het inslaan van ruiten van de te overvallen bank3. Bromfietsen/scooters werden gestolen in Amsterdam 4en in de nacht voor de overval werden een bromfiets/scooter en een moker onder een afdekzeil in de buurt van de te overvallen bank gestald.5

Op de dag van de overval kwamen twee leden van de dadergroep in donkere kleding met die bromfiets/scooter naar de bank rijden en bij de bank aangekomen sloeg een van de daders met de moker de ruiten van de bank stuk of poogde dat te doen om aldus bij de kluis van de bank te geraken6. Na de (poging tot een) overval lieten de twee daders van de dadergroep de gebruikte moker achter op de plaats van het delict en reden vervolgens met de gestolen bromfiets/scooter weg, lieten deze bromfiets/scooter op korte afstand van de bank achter en vluchtten verder in een gereedstaande auto die ook gestolen was in Amsterdam.7

Tijdens het plegen van het misdrijf werden tussen de leden van de dadergroep geen telefonische gesprekken gevoerd.

Er is sprake geweest van een zekere mate van taakverdeling binnen de dadergroep waarbij een aantal deelnemers meerdere taken verrichtte en waarbij het voor alle deelnemers volstrekt helder was wat men ging doen.

Een aantal leden van de dadergroep (verdachte en zijn medeverdachte (medeverdachte 1), en in enkele gevallen medeverdachten (medeverdachte 2) en [medeverdachte 4]) verkenden de te overvallen banken en de vluchtwegen door met een auto rond te rijden in de nabijheid van de betreffende bank. Anderen [medeverdachte 4], (medeverdachte 5), [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7]) waren belast met het kopen van de mokers bij een vast adres in Amsterdam en met het stelen van (vlucht) bromfietsen/scooters en auto’s. Vervolgens werden de overvallen door leden van de dadergroep, gekleed in donkere kleding en zoveel mogelijk onherkenbaar, uitgevoerd.

Daarbij overweegt de rechtbank dat in ieder geval duidelijk is geworden dat verdachte samen met zijn medeverdachte (medeverdachte 1) die hij van huis ophaalde, vele voorverkenningen organiseerde door met zijn auto rond te rijden in de nabijheid van de te overvallen bank om deze bank en vluchtwegen te observeren.

Doordat het voor de leden van de dadergroep duidelijk was hoe de taken verdeeld waren, was een strakke hiërarchie niet nodig en behoefde de organisatiegraad niet hoog te zijn.

Gelet op de mate van taakverdeling tussen de leden van de dadergroep is er naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Uit het strafdossier blijkt dat de deelnemers van de organisatie op een af andere manier betrokken zijn geweest bij een groot aantal bankovervallen of pogingen dan wel voorbereidingen daartoe. De deelnemer behoeft volgens vaste jurisprudentie niet zelf te hebben meegewerkt aan een concreet misdrijf; het verlenen van ondersteuning is reeds voldoende.

Mede gelet op het feit dat de onderlinge taakverdeling gericht was op het plegen van misdrijven, is de rechtbank van oordeel dat binnen deze organisatie gehandeld werd met het oogmerk het plegen van delicten.

De rechtbank is van oordeel dat de organisatie tevens een duurzaam karakter had nu de dadergroep gedurende een periode van ongeveer twee jaar bezig is geweest met het plegen van genoemde delicten.

Nu verdachte in feitelijke zin heeft deelgenomen aan dit gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband dat tot oogmerk had het plegen van misdrijven is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie.

Samenvatting.

De rechtbank acht onder andere gelet op het hiervoor overwogene niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair, onder 2 primair, onder 3 primair en subsidiair, onder 6 primair en subsidiair en onder 7 primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1.

op 8 juni 2006 te Schijndel, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van

een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweldpleging door twee of meer verenigde personen (art. 312 Wetboek van Strafrecht) ten nadele van de SNS-bank te Schijndel,

opzettelijk een vervoermiddel, te weten een ontvreemde bromfiets, kennelijk

bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

2.

op 08 juni 2006, te Schijndel, tezamen en in vereniging met anderen, een bromfiets, merk Vespa, voorhanden heeft gehad terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van die bromfiets wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

op 28 maart 2006 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een winkelfiliaal van Albert Heijn (aan de Oostelijke Handelskade) heeft weggenomen een hoeveelheid rookartikelen toebehorende aan Albert Heijn, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak, te weten het verbreken van een toegangsdeur en een glazen winkelpui van dat winkelfiliaal;

5.

op 25 april 2006 te Amsterdam tezamen en in vereniging anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een winkelfiliaal van Albert Heijn (aan de Oostelijke

Handelskade) heeft weggenomen een hoeveelheid rookartikelen toebehorende aan Albert Heijn, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, te weten het verbreken van een glazen winkelpui van dat

winkelfiliaal en het verbreken van een aantal rolluiken van enkele kasten;

8.

hij in de periode van 1 september 2004 tot en met 26 september

2006 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en andere natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en een of meer ander(en), welke

organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het overtreden

van artikel 312 Wetboek van Strafrecht en artikel 311 Wetboek van Strafrecht en

artikel 416 Wetboek van strafrecht en/of artikel 46 Wetboek van Strafrecht en/of een

of meer andere misdrijven.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 46, 47, 57, 140, 310, 311, 312, 416.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

Vrijspraak voor het onder 2 primair, 3 primair en 7 primair tenlastegelegde.

(voor het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4, 5, 6 primair, 7 subsidiair en 8 tenlastegelegde:)

- een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest,

- onttrekking aan het verkeer van een moker

- teruggave van de overige inbeslaggenomen goederen aan verdachte.

De op te leggen straf.

Bij de beslissing over de straf, bijkomende straf en maatregel die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder de draagkracht.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- verdachte werd terzake van strafbare feiten soortgelijk aan de door hem gepleegde feiten blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister reeds eerder (in 2000) tot een meerjarige gevangenisstraf veroordeeld;

- verdachte heeft de door hem gepleegde strafbare feiten begaan na een lange periode van voorbereiding en heeft er dus goed over kunnen nadenken;

- verdachte heeft gedurende een langere periode een groot aantal strafbare feiten gepleegd danwel is bij het plegen van die strafbare feiten betrokken geweest;

- verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de benadeelden.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank heeft besloten geen rekening te houden met de overweging van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch betreffende schending van het gestelde in artikel 71 lid 4 Wetboek van Strafrecht, omdat de beslissing van het hof evenals die van de rechtbank luidde dat er geen reden was de voorlopige hechtenis op te heffen en de rechtbank op grond hiervan niet van enig te compenseren belang is gebleken.

De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is:

- met behulp van welke een van de feiten is begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van dit feit aan verdachte toebehoorde.

De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 3 subsidiair, 6 primair, 6 subsidiair, 7 primair en 7 subsidiair is tenlastegelegde en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 4, 5, en 8 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 4, 5 en 8 meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 subsidiair:

medeplegen van:

ter voorbereiding van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld

of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl

het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

opzettelijk een vervoermiddel, kennelijk bestemd tot het plegen van dat

misdrijf, voorhanden hebben.

T.a.v. feit 2 subsidiair:

medeplegen van opzetheling

T.a.v. feit 4:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

T.a.v. feit 5:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

T.a.v. feit 8:

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

T.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 primair, feit 3 subsidiair, feit 6

primair, feit 6 subsidiair, feit 7 primair, feit 7 subsidiair:

Vrijspraak

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2 subsidiair, feit 4, feit 5, feit 8:

Gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten van een

moker (H01.9101, nummer 50 op de bijgevoegde lijst van inbeslaggenomen voorwerpen).

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten van een

jachtgeweer (H01.8003, nummer 78 op de bijgevoegde lijst van inbeslaggenomen voorwerpen).

Teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten van alle voorwerpen vermeld op

de als bijlage aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, met uitzondering van een moker (nr. 50) en een jachtgeweer (nr. 78), aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.W.H. Renneberg, voorzitter,

mr. C.B.M. Bruens en mr. C.F.E. van Olden-Smit, leden,

in tegenwoordigheid van G.G. Dirks, griffier,

en is uitgesproken op 5 juli 2007.

1 zaak 1 (Schijndel) , zaak 3 (Wageningen), zaak 4 (CBR-Rotterdam), zaak 9 (Geleen), zaak 10 (Almere), zaak 11 (Wezep), zaak 14 (Zaandam), zaak 18 (Lelystad), zaak 19 (Boxtel), zaak 20 (Voorburg) en zaak 25 (Sliedrecht).

2 Zaak 1 (Schijndel) en zaak 15 (Barneveld)

3 Zaak 2 (Zevenbergen), zaak 3 (Wageningen), zaak 9 (Geleen), zaak 20 (Voorburg) en zaak 24 (Reuver).

4 Zaak 1 (Schijndel), zaak 2 (Zevenbergen), zaak 9 (Geleen), zaak 11 (Wezep), zaak 13 (Papendrecht), zaak 14 (Zaandam), zaak 16 (ABN-Rotterdam), zaak 17 (Berkel en Rodenrijs), zaak 19 (Boxtel), zaak 20 (Voorburg), zaak 25 (Sliedrecht) en zaak 26 (Rijen)

5 Zaak 2 (Zevenbergen), zaak 9 (Geleen), zaak 11 (Wezep), zaak 14 (Zaandam), zaak 18 (Lelystad), zaak 19 (Boxtel), zaak 20 (Voorburg), zaak 25 (Sliedrecht) en zaak 26 (Rijen)

6 Zaak 2 (Zevenbergen), zaak 3 (Wageningen), zaak 4 (CBR-Rotterdam), zaak 9 (Geleen), zaak 11 (Wezep), zaak 12 (Wateringen), zaak 13 (Papendrecht), zaak 14 (Zaandam), zaak 16 (ABN-Rotterdam), zaak 17 (Berkel en Rodenrijs), zaak 18 (Lelystad), zaak 20 (Voorburg), zaak 24 (Reuver), zaak 25 (Sliedrecht) en zaak 26 (Rijen).

7 Zaak 2 (Zevenbergen), zaak 3 (Wageningen), zaak 9 (Geleen), zaak 11 (Wezep), zaak 12 (Wateringen), zaak 13 (Papendrecht), zaak 14 (Zaandam), zaak 16 (ABN-Rotterdam), zaak 17 (Berkel en Rodenrijs), zaak 19 (Boxtel), zaak 20 (Voorburg), zaak 24 (Reuver), zaak 25 (Sliedrecht) en zaak 26 (Rijen).