Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA8461

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
02-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/3199 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan de orde is de vraag of verweerder terecht en op goede gronden zijn primaire besluit, waarbij de WWB-uitkering van eiser gedurende de periode van 1 januari 2006 tot 1 maart 2006 met 100% is verlaagd, heeft gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/3199 WWB

Uitspraak van de meervoudige kamer van 29 mei 2007

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven,

verweerder,

gemachtigde mr. G.A.M.J. Nelissen.

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2006 heeft verweerder de uitkering krachtens de Wet werk en bijstand (WWB) van eiser gedurende de periode van 1 januari 2006 tot 1 maart 2006 met 100% verlaagd.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 30 mei 2006 ongegrond verklaard.

Tegen laatstgenoemd besluit is beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 24 april 2007, waar eiser is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of verweerder terecht en op goede gronden zijn primaire besluit, waarbij de WWB-uitkering van eiser gedurende de periode van 1 januari 2006 tot 1 maart 2006 met 100% is verlaagd, heeft gehandhaafd.

2. De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontvangt sinds 1996, met onderbrekingen, bijstand van de gemeente Eindhoven.

Met het oog op zijn reïntegratie is eiser, na eerdere mislukte reïntegratietrajecten, doorgeleid naar Atlant Groep. Tijdens een beoordelingsgesprek op 14 oktober 2005 heeft eiser aangegeven dat hij niet wenst deel te nemen aan een traject dat leidt naar algemeen geaccepteerde arbeid. Om deze reden wil eiser niet deelnemen aan het traject bij Atlant Groep. Eiser wil enkel doorgeleid worden naar de functie van beveiligingsbeambte, administratief medewerker of naar een eigen bedrijf. Tijdens de gesprekken van 7 en 11 november 2005 heeft eiser meerdere malen aangegeven niet bereid te zijn andere functies uit te oefenen dan de functie van beveiligingsmedewerker. Aan eiser is vervolgens bij besluit van 2 december 2005 een maatregel opgelegd inhoudende dat zijn uitkering gedurende de periode van 11 november 2005 tot 11 december 2005 volledig wordt gekort.

3. Bij aangetekende brief van 16 januari 2006 is eiser vervolgens door Atlant Groep uitgenodigd voor een intakegesprek op 23 januari 2006 om concrete afspraken te maken met betrekking tot de invulling van een reïntegratietraject. In deze brief wordt gerefereerd aan het feit dat op 11 november 2005 een eerder gesprek heeft plaatsgevonden en dat eiser in dit gesprek heeft aangegeven niet mee te willen werken aan een traject dat niet alleen gericht is op de beveiligingsbranche. Eiser heeft deze aangetekende brief niet in ontvangst genomen.

Bij brief van 24 januari 2006 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een gesprek op 31 januari 2006. Aangegeven wordt dat bij het gesprek ook mevrouw [...] van Atlant Groep aanwezig zal zijn en dat tijdens het gesprek de mogelijkheden van eisers traject bij Atlant Groep worden besproken. Tijdens dit gesprek gaf eiser aan niet te willen meewerken aan een traject dat niet gericht was op het verkrijgen van een functie als beveiligingsmedewerker.

4. Bij besluit van 10 februari 2006 is aan eiser opnieuw een maatregel opgelegd bestaande uit de volledige korting van eisers uitkering gedurende de periode van 1 januari 2006 tot 1 maart 2006. Aan deze maatregel is de motivering ten grondslag gelegd dat eiser weigert zijn medewerking te verlenen aan het opstellen van een reïntegratieplan en het starten van een reïntegratietraject bij Atlant Groep. Omdat eiser zich reeds eerder aan deze gedraging schuldig heeft gemaakt, is er sprake van recidive en wordt aan eiser een zwaardere maatregel opgelegd namelijk: volledige korting gedurende twee maanden.

5. Bij het bestreden besluit op bezwaar heeft verweerder de aan eiser opgelegde maatregel gehandhaafd. In reactie op hetgeen door eiser in bezwaar naar voren is gebracht, heeft verweerder aangegeven dat eiser nimmer melding heeft gemaakt van nek- en rechterschouderklachten en dat eiser geen medische stukken heeft verstrekt waaruit blijkt dat eiser in de afgelopen zes jaar in behandeling is geweest voor deze klachten. Volgens verweerder is verder geen sprake van ontoereikende voorlichting en ernstige communicatieproblemen, maar van onwil aan eisers zijde.

6. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert daartoe aan dat hij wel wil meewerken. Eiser geeft aan zelfs een cursus beveiliging te hebben gevolgd. Door de vele nachtdiensten kreeg eiser echter gezondheidsklachten en werd hij ontslagen. De gemeente heeft verder een project in het kader van de WIW (lees: Wet Inschakeling Werkzoekenden) afgeblazen waardoor hij niet aan het werk kon komen. Eiser geeft aan op eigen kosten zijn rijbewijs gehaald te hebben om zo zijn kansen op de arbeidsmarkt te verhogen. Eiser stelt dat in de loop der tijd zijn contactpersoon is gewijzigd en dat het met de nieuwe persoon moeilijk communiceren is. Eiser stelt ten slotte dat hij door de sanctie in financiële problemen komt. Tevens krijgt hij psychische klachten omdat hij onder zware druk staat. Eiser is afhankelijk van deze inkomsten en krijgt steeds meer schulden.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB, is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:

a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 25, eerste lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

9. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WWB stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB verlaagt het college overeenkomstig de verordening bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

10. De verordening als hiervoor bedoeld betreft de Afstemmings- en fraudeverordening WWB 2005 van de gemeente Eindhoven (hierna: de verordening).

11. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de verordening wordt de verlaging toegepast op de bijstandsnorm of bijzondere bijstand en bedraagt de verlaging per maand nooit meer dan de van toepassing zijnde norm.

12. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de verordening hebben gedragingen die reïntegratie belemmeren een verlaging van de uitkering tot gevolg. De omvang van de verlaging bedraagt als richtlijn:

a. 25% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een verwijtbare lichte gedraging;

b. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een verwijtbare zware gedraging.

13. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de verordening wordt het percentage van de verlaging zoals bedoeld in artikel 6 verdubbeld indien de belanghebbende zich binnen 24 maanden na de vorige verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging (recidive) zoals genoemd in artikel 6.

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser geweigerd heeft zijn medewerking te verlenen aan het opstellen van aan reïntegratieplan en het starten van een reïntegratietraject bij Atlant Groep. De rechtbank stelt in dit verband vast dat in de gedingstukken een consistente lijn valt waar te nemen voor wat betreft de weigerachtige opstelling van eiser om te reïntegreren in werkzaamheden die niet beveiligingswerkzaamheden betreffen. Eisers grief dat hij wel wil mee werken aan het reïntegratietraject wordt niet door middel van enig gedingstuk gestaafd. De rechtbank acht het voorts niet aannemelijk dat de door eiser gestelde communicatieproblemen de oorzaak zouden vormen van onderhavig probleem. De rechtbank wijst eiser er in dit verband op dat de omstandigheid dat eiser weigert om een aangetekende brief van Atlant Groep in ontvangst te nemen bepaald niet duidt op een coöperatieve opstelling aan de zijde van eiser. Voorts doet de omstandigheid dat eiser een cursus beveiliging heeft gevolgd en zijn rijbewijs heeft behaald niets af aan de omstandigheid dat eiser geen medewerking heeft verleend aan zijn reïntegratietraject bij Atlant Groep. Ten slotte acht de rechtbank eisers stelling dat de gemeente een WIW-project heeft afgeblazen waardoor hij niet aan het werk kon komen, niet relevant. In de door eiser in dit verband overgelegde brief staat aangegeven dat eiser niet voor verdere dienstverlening van Pluspunt Eindhoven B.V. in aanmerking komt omdat hij al elders een traject doorloopt. Bovendien heeft deze omstandigheid zich twee jaar voor het maatregelwaardige gedrag voorgedaan zodat daaraan om deze reden al geen relevantie meer toekomt.

15. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder de bevoegdheid toekwam om aan eiser een maatregel op te leggen. Aangezien eiser binnen 24 maanden hetzelfde verwijtbare gedrag wordt aangerekend als waarvoor hem reeds eerder, te weten op 2 december 2005, een maatregel is opgelegd, zou ingevolge artikel 5, tweede lid van de verordening het percentage van de verlaging mogen worden verdubbeld. In hetgeen door eiser is aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat hem ter zake van zijn handelen en nalaten geen of in mindere mate een verwijt kan worden gemaakt.

16. Naar aanleiding van de grief van eiser dat hij niet zo lang zonder enige vorm van inkomsten kan omdat hij dan in financiële problemen komt ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de maatregel, zoals deze thans door verweerder is opgelegd, zich verdraagt met de verordening. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

17. De verordening voorziet in de tekst van artikel 5, tweede lid, in het geval van recidive binnen 24 maanden slechts in een verdubbeling van het percentage van de in artikel 6 van de verordening bedoelde verlaging. Artikel 5, tweede lid, van de verordening voorziet daarentegen niet in een verdubbeling van de duur van de maatregel. In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5, tweede lid, van de maatregel is het volgende vermeld: “Bij de uitvoering van de verdubbeling wordt bij voorkeur het percentage verdubbeld. Indien dit op basis van persoonlijke omstandigheden onwenselijk is, kan worden volstaan met een verdubbeling van de periode in plaats van een verdubbeling van het percentage (met inachtneming van artikel 3 lid 1)”. De rechtbank is allereerst uit een oogpunt van rechtszekerheid van oordeel dat een dergelijke mogelijkheid tot het verdubbelen van de periode waarop de maatregel van toepassing is, wil deze toegepast kunnen worden, in de tekst van de verordening zelf dient te zijn opgenomen en niet enkel in de toelichting. Daarnaast is de in de toelichting opgenomen passage kennelijk bedoeld om de betrokkene tegemoet te komen door gedurende een langere periode een lager percentage op de uitkering te korten. De in de toelichting op de verordening genoemde mogelijkheid tot het verdubbelen van de periode is kennelijk niet bedoeld voor een situatie hier aan de orde, waarin verweerder een maatregel van 100% heeft opgelegd onder verdubbeling van de periode tot een duur van in totaal twee maanden. Verweerder heeft overigens in antwoord op daartoe strekkende vragen van de rechtbank, zelf naar de toelichting verwezen en aangegeven dat een verdubbeling van het percentage van 100% in een periode van een maand niet mogelijk is en dat daarom noodgedwongen gekozen is voor verdubbeling van de periode. De rechtbank is echter van oordeel dat, nu de tekst van de verordening geen mogelijkheid biedt een dergelijke sanctie op te leggen, het hier in geding zijnde besluit in strijd is met deze verordening. Ook artikel 14 van de verordening waarin in lid 2 is bepaald dat het college beslist in gevallen waarin de verordening niet voorziet kan verweerder geen soelaas bieden, omdat de gemeenteraad getuige de toelichting bij artikel 5, tweede lid, de thans voorliggende situatie wel heeft voorzien, maar daarin kennelijk geen aanleiding heeft gezien een en ander in de verordening zelf te regelen.

18. Gezien het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit op bezwaar wegens strijd met een algemeen verbindend voorschrift vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

19. Voor een proceskostenveroordeling is geen plaats nu er geen sprake is geweest van professionele rechtsbijstand.

20. Wel ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat de gemeente Eindhoven het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 38,00 dient te vergoeden.

21. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast de gemeente Eindhoven aan eiser te vergoeden het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 38,00.

Aldus gedaan door mr. M.G.P.A. Burghoorn als voorzitter en mr. E.H.B.M. Potters en

mr. P.P.M. van der Burgt als leden in tegenwoordigheid van drs. J.G.J. van Geesink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2007.

De griffier is buiten staat

deze uitspraak te ondertekenen.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002,

3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: