Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA7559

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-05-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/424
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan de orde is de vraag of verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser met ingang van 2 augustus 2005 terecht en op goede gronden heeft vastgesteld op 45 tot 55 %.

Niet valt uit te sluiten dat de functie van internationaal vrachtwagenchauffeur al van aanvang af ongeschikt was voor eiser. Onder deze omstandigheden behoort de keuze van verweerder, om niettemin die functie als maatman te hanteren, bij de motivering van het bestreden besluit nader te worden toegelicht. Daarbij dient verweerder inzichtelijk te maken dat zijn standpunt, dat de functie van internationaal vrachtwagenchauffeur niet van aanvang af ongeschikt was, mede berust op een medische beoordeling (achteraf) van eisers toestand ten tijde van zijn aanvang in die functie. Nu dat niet is gebeurd, is het bestreden besluit op dit onderdeel onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/424

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2007

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

tegen

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

te Amsterdam, verweerder,

gemachtigde mr. G.A.G.T. Heijmans, werkzaam bij het Uwv-kantoor te Eindhoven.

Procesverloop

De uitkering van eiser ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %, is met ingang van 2 augustus 2005 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55 %. Het hiertegen door eiser ingediende bezwaar is bij besluit van 21 december 2005 ongegrond verklaard.

Tegen laatstgenoemd besluit heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 5 december 2006, waar eiser is verschenen in persoon en verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser met ingang van 2 augustus 2005 terecht en op goede gronden heeft vastgesteld op 45 tot 55 %.

2. Eiser is op 9 november 1999 wegens psychische klachten uitgevallen voor zijn werk als internationaal vrachtwagenchauffeur. In verband daarmee is hij met ingang van 7 november 2000 in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %.

3. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag het standpunt van verweerder dat eiser, rekening houdend met zijn functionele mogelijkheden en beperkingen, in staat moet worden geacht de functies van vleeswarenmaker, slachter en visverwerker (SBC-code 271070), machinaal metaalbewerker (SBC-code 464080) en brander, snijder en soldeerder (SBC-code 264100) te vervullen. Met dergelijke gangbare arbeid kan eiser een zodanige verdiencapaciteit realiseren dat hij met ingang van 14 juli 2005 voor 45 tot 55% arbeidsongeschikt moet worden geacht. Verweerder is in dat verband uitgegaan van de maatmanfunctie van internationaal vrachtwagenchauffeur gedurende 28,65 uur per week.

4. Eiser stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat verweerder bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid een onjuiste maatman, opleidingsniveau en urenomvang heeft gehanteerd. Volgens eiser moet als maatman worden gehanteerd de ICT-er op HBO-niveau. Eiser heeft aangevoerd dat hij zijn laatstelijk vervulde functie van vrachtwagenchauffeur slechts korte tijd heeft uitgeoefend en dat hij bovendien vanaf het begin vanwege zijn psychische klachten ongeschikt was voor die functie. Daarom moet worden uitgegaan van de functie van ICT-er, welke functie hij voordien gedurende drie jaren heeft vervuld. Voorts zijn de geduide functies niet geschikt: gezien eisers opleiding en zijn werkervaring op HBO-niveau zouden functies moeten worden geduid die opleidingsniveau 6 hebben.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

6. Onder arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken in de zin van de WAO dient te worden verstaan het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid, resulterend in een relevant inkomensverlies ten opzichte van het inkomen van de zogeheten maatman of maatvrouw.

7. Hieruit volgt dat bij de beantwoording van de vraag of iemand arbeidsongeschikt is twee factoren van belang zijn, te weten:

of de betrokkene medische beperkingen heeft;

of en in hoeverre hij als gevolg daarvan geheel of gedeeltelijk buiten staat is zich met daarvoor in aanmerking komende arbeid een inkomen te verwerven.

8. De verzekeringsarts heeft eiser per datum in geding beperkt geacht ten aanzien van de aspecten afleiding, veelvuldige storingen en onderbrekingen, sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden of taakinhoud, deadlines en productiepieken, hoog handelingstempo, samenwerken en omgaan met conflicten. Voorts is aangegeven dat eiser is aangewezen op voorspelbare werksituaties, werk zonder leidinggevende aspecten en zonder conflicterende functie-eisen. Ten slotte zijn er beperkingen ten aanzien van trillingsbelasting en ten aanzien van de werktijden. Eiser heeft de juistheid van dit medische oordeel niet bestreden, zodat de medische grondslag van het bestreden besluit geen verdere bespreking behoeft en hierna als uitgangspunt dient.

9. Ten aanzien van de arbeidskundige grieven van eiser wordt het volgende overwogen.

10. Eiser heeft de laatste twee maanden voor zijn uitval in november 1999 via een uitzendbureau gewerkt als internationaal vrachtwagenchauffeur. Daarvoor werkte eiser - eveneens via een uitzendbureau - gedurende een maand als hoofd technische dienst en daaraan voorafgaand werkte hij gedurende 3 jaren als systeembeheerder bij een hogeschool.

11. In het kader van de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid moet in beginsel als maatman worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als die, welke de verzekerde laatstelijk voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid verrichtte. Daarbij brengt het enkele feit dat de verzekerde de betreffende werkzaamheden slechts korte tijd heeft verricht op zichzelf niet mee dat die werkzaamheden niet als maatgevend zouden moeten worden aangemerkt. Opleiding en werkervaring van de verzekerde spelen bij het vaststellen van de maatman geen rol. De rechtbank verwijst in dit verband naar de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), onder meer in de uitspraak van de CRvB van 20 mei 2005, gepubliceerd onder LJN: AT7623 op rechtspraak.nl.

12. Van de hiervoor onder 11. bedoelde hoofdregel kan worden afgeweken indien moet worden aangenomen dat de laatstelijk verrichte arbeid wegens medische beperkingen van de verzekerde van meet af aan voor hem ongeschikt was.

13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van laatstgenoemde uitzonderingssituatie, omdat daarvan uit de verschillende (medische en arbeidskundige) rapporten niet blijkt.

14. De verzekeringsarts Kippersluis heeft echter in de rapportage van 11 december 2000 vermeld dat eiser al psychische en lichamelijke klachten had voordat hij in september 1999 begon met zijn werk als vrachtwagenchauffeur: “Uiteindelijk werkte hij 3 jaar op contract als systeembeheerder (…), maar kwam toch niet in vaste dienst dus zocht een andere baan. Die vond hij als hoofd technische dienst, maar eigenlijk was hij toen psychisch al gedecompenseerd dus ging hij daar zelf weer weg en vond via het UZB werk als vrachtwagenchauffeur, wat hij 2 maanden volhield tot hij 09-11-1999 in de ZW kwam. Zijn concentratie was slecht, hij sliep slecht en kwam thuis eigenlijk tot niets meer. Daarnaast zijn er nog enige fysieke restklachten van het ongeval (auto-ongeval in 1990, toevoeging rechtbank) (o.a. snel kortademig bij inspanning t.g.v. hartbeschadiging en longbeschadiging en daarnaast heupklachten bij zwaar belasten t.g.v. heupfractuur) maar daarmee had hij zich niet ziekgemeld”.

Uit de arbeidskundige rapporten blijkt dat het werk van internationaal vrachtwagenchauffeur plaatsvond op onregelmatige tijden, waaronder s’avonds en ’s nachts. Eiser is nadien - op grond van de medische rapporten neemt de rechtbank aan vanaf 2000, hoewel het dossier geen Functionele Mogelijkheden Lijst uit dat jaar bevat - medisch beperkt geacht ten aanzien van de werktijden: hij is aangewezen op werk zonder wisselende werktijden en kan ’s avonds en ’s nachts niet werken.

Omdat eiser al klachten had voordat hij begon te werken als vrachtwagenchauffeur, hij al na twee maanden in dat werk uitviel en gelet voorts op eisers beperkingen die deze functie thans ongeschikt voor hem maken, valt bepaald niet uit te sluiten dat de functie al van aanvang af ongeschikt voor eiser was. Onder deze omstandigheden behoort de keuze van verweerder, om niettemin die functie als maatman te hanteren, bij de motivering van het bestreden besluit nader te worden toegelicht. Daarbij dient verweerder inzichtelijk te maken dat zijn standpunt, dat de functie van internationaal vrachtwagenchauffeur niet van aanvang af ongeschikt was, mede berust op een medische beoordeling (achteraf) van eisers toestand ten tijde van zijn aanvang in die functie. Nu dat niet is gebeurd, is het bestreden besluit op dit onderdeel onvoldoende onderbouwd.

15. Ten aanzien van de selectie van voor eiser geschikt geachte functies geldt het volgende.

16. Het opleidingsniveau van eiser is blijkens de arbeidskundige rapportage vastgesteld op 5. Dat niveau past bij de opleidingen die eiser heeft afgerond, waarvan het hoogste niveau MBO is. De omstandigheid dat eiser gedurende een jaar een avondopleiding op HBO-niveau heeft gevolgd - maar niet heeft afgerond - rechtvaardigt geen hogere inschaling en evenmin is aannemelijk geworden dat eisers werkervaring als systeembeheerder gedurende drie jaren kan worden gelijkgesteld met een voltooide opleiding op HBO-niveau. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het door de (bezwaar)arbeidsdeskundige gehanteerde opleidingsniveau onjuist te achten. Overigens is niet duidelijk geworden welk belang eiser zou hebben bij vaststelling van een hoger opleidingsniveau: die vaststelling zou immers leiden tot een selectie van functies met een hoger uurloon, met als gevolg daarvan een lagere mate van arbeidsongeschiktheid dan thans is aangenomen.

17. De rechtbank is echter van oordeel dat de geschiktheid van de geselecteerde functies onvoldoende is gemotiveerd en overweegt dienaangaande als volgt.

18. De CRvB heeft in zijn uitspraken van 12 oktober 2006 met betrekking tot het aangepaste CBBS-systeem (onder meer te vinden onder LJN: AY9971, gepubliceerd op rechtspraak.nl) geoordeeld dat met de aangebrachte aanpassingen de aan het CBBS klevende onvolkomenheden, zoals deze waren beschreven in de uitspraken daaromtrent van de CRvB van 9 november 2004, in voldoende mate zijn opgeheven. Uit hetgeen de CRvB in voormelde uitspraken van 12 oktober 2006 heeft overwogen vloeit voort dat verweerders (bezwaar)arbeidsdeskundige alle door het CBBS-systeem aangebrachte signaleringen (‘*’, ‘G’ en ‘M’) van een afzonderlijke toelichting dient te voorzien, waarbij tevens geldt dat in voorkomende gevallen, afhankelijk van de zich voordoende feiten en omstandigheden, voorafgaand overleg met de verzekeringsarts noodzakelijk zal zijn.

19. Voor het onderhavige besluit brengt dat het volgende mee. Uit de geprinte versies van het ‘resultaat functiebeoordeling’ blijkt dat bij alle geselecteerde functies op meerdere beoordelingspunten signaleringen (‘G’ en ‘M’) zijn aangebracht. In de rapportage van de arbeidsdeskundige van 1 juni 2005 is een nadere motivering opgenomen met betrekking tot de geschiktheid van de geduide functies voor wat betreft een aantal van die gesignaleerde beoordelingspunten. In alle geduide functies komen echter een of meer beoordelingspunten voor die zijn voorzien van een signalering zonder dat de geschiktheid van de functie op dat beoordelingspunt is gemotiveerd. Dat betekent dat onvoldoende is gemotiveerd waarom verweerder de betreffende functies voor eiser geschikt acht.

20. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het beroep gegrond worden verklaard. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen hier is overwogen.

21. De rechtbank vindt in het voorgaande aanleiding te bepalen dat door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 37,00 dient te worden vergoed.

22. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 37,00.

Aldus gedaan door mr. M. Lammers als rechter in tegenwoordigheid van drs. M.T. Petersen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2007.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: