Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA7546

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/3696
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Bezoldiging. Verweerder had i.c. niet op de adviezen van de bedrijfsarts mogen afgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/3696

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2007

inzake

[eiseres],

te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. L.F.J. de Graaff,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond,

verweerder,

gemachtigde mr. V.L.S. van Cruijningen.

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2005, verzonden op 8 december 2005, heeft verweerder eiseres de straf van ontslag opgelegd op grond van artikel 8:13 van het CAR/UWO, met ingang van de derde werkdag na de bekendmaking van dit besluit.

Bij besluit van 15 december 2005 heeft verweerder geweigerd terug te komen van zijn besluit van 24 maart 2005 om de betaling van de bezoldiging van eiseres te stoppen.

De door eiseres tegen de besluiten van 7 december 2005 en 15 december 2005 gemaakte bezwaren heeft verweerder ongegrond verklaard bij besluit van 12 juli 2006 (verzonden op 13 juli 2006).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 14 maart 2007. Eiseres is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een beroepschrift ten minste de gronden van het beroep te bevatten. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan het beroep, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2. Eiseres heeft in haar brief van 21 september 2006 verzocht de bezwaargronden aan te merken als gronden van beroep. Daarbij heeft zij kopieën van de brieven met de gronden van de bezwaren overgelegd.

3. De rechtbank is van oordeel dat eiseres hiermee in het onderhavige geval heeft kunnen volstaan, nu verweerder zijn primaire besluiten heeft gehandhaafd, zonder de aan deze besluiten ten grondslag liggende motiveringen te hebben gewijzigd. In het onderhavige geval bestaat voldoende duidelijkheid omtrent de punten die partijen verdeeld houden met betrekking tot het bestreden besluit van 12 juli 2006. Eiseres kan derhalve in haar beroep worden ontvangen.

4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

5. Eiseres is op 15 februari 1985 gaan werken voor verweerders organisatie, laatstelijk als medewerkster [functie] bij de afdeling [afdeling]. Eiseres heeft zich op 12 augustus 2003 ziek gemeld voor haar werk. Op enig moment is door de bedrijfsarts geconcludeerd dat eiseres het contact met de werkplek weer op moet nemen. Daarbij heeft de bedrijfsarts aangetekend dat hij dit nodig acht, hoewel de klachten nog niet over zijn en de belastbaarheid nog uiterst gering is. Eiseres moet medio februari 2004 gedurende twee keer per week en twee uur per dag teruggroeien naar haar werkzaamheden. Volgens verweerder heeft eiseres medio maart 2004 het werk gedeeltelijk hervat.

Op 10 mei 2004 heeft eiseres een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering aangevraagd. Deze aanvraag is bij besluit van 25 juni 2004 buiten behandeling gesteld, omdat eiseres niet tijdig de gevraagde gegevens heeft overgelegd.

Op 30 juni 2004 heeft eiseres bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een deskundigenoordeel aangevraagd over haar arbeidsongeschiktheid tot werken in week 28 (5 tot en met 11 juli 2004). Bij brief van 21 juli 2004 is eiseres op de hoogte gesteld van het deskundigenoordeel. Dat oordeel luidt dat er in week 28 geen medische argumenten aanwezig waren om eiseres niet in staat te achten om volledig in het eigen werk te werken.

Op 24 augustus 2004 heeft eiseres zich wederom ziek gemeld. Bij brief van 10 november 2004 aan verweerder heeft de bedrijfsarts geschreven dat eiseres een vervolgafspraak voor 8 november 2004 op het laatste moment heeft afgezegd en dat een nieuwe afspraak niet werd gemaakt. Op grond van onderzoek en consultatie van verscheidene collega’s heeft de bedrijfsarts een advies geformuleerd. Daarin heeft hij onder meer ten aanzien van eiseres aangegeven:

“Betreffende de rol van ziekte of gebrek in de verzuimbeoordeling kom ik tot de conclusie dat er sprake is van een objectiveerbaar probleem dat effect heeft op haar functioneren en ook haar gedrag buiten het arbeidsveld. De ernst echter van het ziektebeeld als zodanig rechtvaardigt in mijn ogen geen beroep op arbeidsongeschiktheid vanuit de medische beoordelingssituatie. Het hanteren van de klachten is primair de oorzaak van het niet in staat zijn tot optimaal functioneren. In redelijkheid kan van een werknemer met deze aandoening verwacht worden te functioneren binnen de dienstomvang die voor de werknemer geldt met dien verstande dat er sprake zal zijn van dagschommelingen op het vlak van de productiviteit. Samengevat: de werknemer is arbeidsgeschikt.

Mochten werknemer en werkgever het niet eens zijn met het advies dan is het mogelijk middels een psychiatrische expertise maximale helderheid te krijgen over de ernst van het probleem, de gevolgen voor het functioneren zowel binnen als buiten de arbeid en de mogelijke oplossingsrichtingen. Daarnaast is het ook voor beide partijen mogelijk een tweede mening te vragen bij [het] UWV.”

Naar aanleiding van de bevindingen van de bedrijfsarts heeft verweerder eiseres bij brief van 11 november 2004 opgedragen haar werkzaamheden op 16 november 2004 te hervatten.

Bij brief van 29 november 2004 aan eiseres heeft een andere bedrijfsarts, J. Ebben, medegedeeld dat hij aan de werkgever heeft gemeld dat het voor hem, na een gesprek van bijna één uur en op basis van de verder ter beschikking staande gegevens, niet mogelijk is een advies te geven over de arbeids(on)geschiktheid.

Met de brief van 30 november 2004, verzonden op 3 december 2004, heeft verweerder eiseres gesommeerd haar werkzaamheden met ingang van de dag na verzending van deze brief te hervatten. Mocht eiseres op die dag haar werkzaamheden niet hebben hervat, dan zal de bezoldiging worden gestaakt tot het moment dat eiseres haar werkzaamheden weer heeft hervat.

Eiseres heeft haar werk hervat. Op 2 en 24 februari 2005 heeft verweerder het salaris ingehouden. Eiseres heeft zich op die dagen in verband met de bekende klachten ziek gemeld. Na de ziekmelding op 24 februari 2005 heeft eiseres het werk niet meer hervat.

Bij brief van 24 maart 2005 heeft verweerder eiseres bericht dat eiseres in de weken 9, 10, 11 en 12 van 2005 afwezig is geweest, zonder dat deze afwezigheid op enigerlei wijze is verantwoord door erkend ziekteverzuim of door het opnemen van verlof. Over maart 2005 heeft eiseres een salarisbetaling ontvangen, waarop zij wegens het niet-verrichten van haar werkzaamheden geen recht had. De gehele salarisbetaling wordt gestaakt totdat eiseres haar werkzaamheden weer hervat met dien verstande dat de ten onrechte over de maand maart 2005 gedane betaling met toekomstige betalingen zal worden verrekend. Daarnaast heeft verweerder eiseres opgedragen het werk met ingang van 29 maart 2005 te hervatten.

Eiseres is op 24 maart 2005 op het spreekuur geweest bij de bedrijfsarts. Op grond van het spreekuurcontact heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat eiseres op grond van ziekte of gebrek in engere zin in staat is tot functioneren in de werksituatie. Op grond van in de persoon gelegen factoren acht de bedrijfsarts eiseres niet 100% productief, maar acht hij een gemiddelde van 80% haalbaar. De bedrijfsarts heeft hieraan het dringende advies aan werkgever en werknemer toegevoegd de oordeelsvorming over de arbeidsgeschiktheid nader te toetsen door middel van een psychiatrische expertise. Het voordeel hiervan zal maximale duidelijkheid naar werkgever en werknemer zijn alsook een toetsing van de visie van de bedrijfsarts waarin de werknemer geen vertrouwen kan vinden, aldus de bedrijfsarts.

Bij brief van 6 april 2005 heeft eiseres gereageerd op de weigering van verweerder haar ziekmelding te accepteren. In die brief heeft eiseres verweerder gewezen op haar verzoeken van 7 en 9 december 2004 om de staking van de salarisbetaling in heroverweging te nemen. Verweerder heeft niet gereageerd op die verzoeken. Eiseres heeft verweerder verzocht een oplossing te vinden voor de problemen.

Bij brief van 12 april 2005 heeft verweerder aangegeven dat de inhouding van de bezoldiging ongewijzigd van kracht blijft zolang eiseres haar werkzaamheden niet heeft hervat. Met de brief van 19 april 2005 heeft eiseres verweerder verzocht te reageren op het door haar in de brief van 6 april 2005 gestelde. Verweerder heeft gereageerd met de brief van 25 april 2005. Daarin is door verweerder aangegeven dat geen aanleiding bestaat de salarisbetalingen te hervatten zolang eiseres zonder geldige reden blijft weigeren weer te komen werken. Verweerder heeft eiseres er in deze brief op gewezen dat zij tegen het besluit van 24 maart 2005 binnen zes weken bezwaar kan maken. Verweerder heeft nagelaten dit in het besluit van 24 maart 2005 te vermelden. Verweerder heeft eiseres opgedragen haar werkzaamheden op 26 april 2005 te hervatten. Indien eiseres haar werkzaamheden niet hervat, zal dit worden aangemerkt als zeer ernstig plichtsverzuim en zal ontslag in overweging worden genomen.

Bij brief van 3 mei 2005 heeft verweerder zijn voornemen kenbaar gemaakt eiseres disciplinair te straffen met ongevraagd ontslag in verband met zeer ernstig plichtsverzuim.

Tevens heeft verweerder besloten eiseres, op grond van artikel 15:1:19 van de CAR/UWO, met onmiddellijke ingang voor de duur van de disciplinaire procedure, de toegang tot de gebouwen en kantoren van de gemeente Helmond te ontzeggen.

Bij brief van 2 juni 2005 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 april 2005 (lees: 25 april 2005) waarmee verweerder heeft geweigerd de salarisbetalingen te hervatten. Bij brief van 29 augustus 2005 heeft eiseres verweerder onder meer verzocht het achterstallige salaris aan haar uit te betalen, omdat een schorsing of non-actiefstelling in de risicosfeer van de werkgever ligt.

In juni 2005 heeft verweerder de bedrijfsarts de vraag voorgelegd of eiseres inzicht had in haar handelen en zij in staat was haar wil tot handelen in vrijheid te bepalen. Op verzoek van de bedrijfsarts heeft psychiater G.A.A.M. Wetzer een onderzoek verricht naar de gezondheid van eiseres. Psychiater Wetzer heeft volgens de bedrijfsarts op 7 oktober 2005 (in het dossier bevindt zich een afschrift van dit rapport dat is gedateerd 16 november 2005) gerapporteerd. Psychiater Wetzer heeft in zijn rapport aangegeven dat sprake is van een “[d]wangstoornis met secundair een depressie i.e.z. met vitale kenmerken. Gezien de ernst van haar `As-I’ stoornis is moeilijk in te schatten hoe patiënte in goeden doen heeft gefunctioneerd. Wellicht door de summiere biografie en de broze werkreleatie heb ik geen aanwijzingen voor een preëxistente persoonlijkheidsstoornis, mede door het ontbreken van een familiaire belasting en acuut traumatiserende momenten alsmede een behandelvoorgeschiedenis. … Ik adviseerde patiënte medicatie, met name serotonerge antidepressiva. Tevens adviseerde ik haar de mogelijkheid te onderzoeken van een intensieve gedragstherapeutische behandeling, met name in een klinische setting …”

Op basis van het rapport van de psychiater heeft de bedrijfsarts de door verweerder gestelde vraag in zijn brief van 12 oktober 2005 als volgt beantwoord: “De werknemer had inzicht in haar handelen en was voldoende wilsbekwaam om haar handelen in vrijheid te kunnen overzien en bepalen”.

Bij besluit van 8 november 2005 heeft verweerder het bezwaar van eiseres van 2 juni 2005 tegen het besluit van 24 maart 2005 wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.

6. Strafontslag

7. Allereerst is de vraag aan de orde of het strafontslag in stand kan blijven.

7. Verweerder heeft aan zijn besluit om eiseres te ontslaan het standpunt ten grondslag gelegd dat eiseres zeer ernstig plichtsverzuim kan worden verweten, doordat zij zonder geldige reden heeft geweigerd haar werkzaamheden te hervatten. Bovendien heeft eiseres de verplichtingen in het kader van de verzuimbegeleiding overtreden door tot drie keer toe medewerking aan de controle door de bedrijfsarts te weigeren. Verweerder is van mening dat eiseres voldoende inzicht had in haar handelen. Het plichtsverzuim was dan ook toerekenbaar.

8. Eiseres heeft tegen het ontslagbesluit aangevoerd dat geen sprake is van plichtsverzuim. Eiseres acht zich volledig arbeidsongeschiktheid wegens werkgerelateerde psychische klachten. Eiseres is dus op medische gronden niet in staat haar werkzaamheden te hervatten. Verweerder heeft de vraag betreffende haar arbeidsongeschiktheid ten onrechte niet voorgelegd aan een psychiater en heeft daarmee een eerder advies van de bedrijfsarts genegeerd. Bovendien heeft verweerder haar ten onrechte het verwijt gemaakt dat zij de regels in het kader van de verzuimbegeleiding heeft overtreden. Eiseres heeft zich dienaangaande altijd aan haar verplichtingen gehouden en is haar afspraken altijd nagekomen. Indien zij haar afspraken niet kon nakomen, heeft zij dat steeds tijdig kenbaar gemaakt.

10. De rechtbank overweegt als volgt.

9. Ingevolge artikel 8:13 van de CAR./UWO kan aan de ambtenaar als disciplinaire straf ongevraagd ontslag worden verleend.

10. Wat betreft het verwijt dat eiseres zonder geldige reden heeft geweigerd haar werkzaamheden te hervatten, overweegt de rechtbank als volgt.

11. De rechtbank leest in het advies van de bedrijfsarts Walenbergh van 10 november 2004 dat deze zelf niet volledig overtuigd is van de juistheid van zijn stelling dat eiseres arbeidsgeschikt is. Hij heeft immers zowel de werkgever als de werknemer op de mogelijkheid gewezen door middel van een psychiatrische expertise maximale helderheid te krijgen over onder meer de ernst van het probleem en de gevolgen voor het functioneren van eiseres binnen de arbeid. Nog duidelijker komt deze twijfel naar voren uit het advies van de bedrijfsarts Walenbergh van 24 maart 2005. Daarin heeft hij de werkgever en de werknemer het dringende advies gegeven de oordeelsvorming over de arbeidsgeschiktheid nader te toetsen door middel van een psychiatrische expertise om maximale duidelijkheid naar werkgever en werknemer te verkrijgen alsmede een toetsing van de visie van de bedrijfsarts waarin de werknemer geen vertrouwen kan vinden. Dat de vraag of eiseres arbeidsgeschikt is, niet gemakkelijk is te beantwoorden, blijkt ook uit het feit dat een andere bedrijfsarts, J. Ebben, naar aanleiding van een gesprek met eiseres op 25 november 2004, niet in staat was een advies over de arbeids(on)geschiktheid van eiseres te geven.

Verweerder had niet zonder meer mogen afgaan op de adviezen van bedrijfsarts Walenbergh dat eiseres arbeidsgeschikt was, nu dit advies onvoldoende eenduidig is; het had op verweerders weg gelegen het advies te toetsen door een psychiatrisch onderzoek te laten verrichten. De rechtbank miskent niet dat verweerder eiseres erop heeft gewezen dat zij zelf zou kunnen besluiten een psychiatrische expertise in te roepen - bijvoorbeeld in verweerders brief van 24 maart 2005 en die van 25 april 2005 – maar dit laat onverlet dat verweerder hier ook zelf een taak heeft.

12. Verweerder heeft in juni 2005 de bedrijfsarts gevraagd of eiseres inzicht had in haar handelen en of zij in staat was haar wil tot handelen in vrijheid te bepalen. Om deze vraag te kunnen beantwoorden heeft de bedrijfsarts een psychiater benaderd om een onderzoek te verrichten naar de gezondheid van eiseres. De psychiater heeft zijn bevindingen in een rapport van 7 oktober 2005 neergelegd. Dit rapport (dat eiseres bij brief van 4 mei 2006 aan verweerder heeft toegezonden) kan evenwel niet gelden als het hierboven bedoelde psychiatrisch onderzoek in verband met de vraag of eiseres medisch gezien in staat was haar arbeid te verrichten. In dit verband wijst de rechtbank erop dat de vraag die verweerder aan de bedrijfsarts heeft gesteld een beperktere is en alleen ziet op de toerekenbaarheid van het handelen van eiseres aan haar. Onduidelijk is welke vraagstelling de bedrijfsarts aan de psychiater heeft voorgelegd - ook ter zitting heeft verweerder hierover geen duidelijkheid kunnen verschaffen - maar een duidelijk antwoord op de vraag of eiseres haar werkzaamheden kan verrichten, bevat dit rapport niet (en overigens evenmin een antwoord op de vraag of eiseres inzicht had in haar handelen en of zij in staat was haar wil tot handelen in vrijheid te bepalen). Gelet op het feit dat de psychiater heeft geconcludeerd dat bij eiseres sprake is van een dwangstoornis met secundair een depressie i.e.z. met vitale kenmerken en hij een intensieve gedragstherapeutische behandeling, met name in een klinische setting geïndiceerd heeft geacht, kan uit dit rapport in ieder geval niet worden geconcludeerd dat eiseres zonder meer in staat was haar werkzaamheden te verrichten.

Voorts is voor de beantwoording van de vraag of de gedragingen van eiseres plichtsverzuim opleverden, niet bepalend welke kennis verweerder ten tijde van het bestreden besluit droeg, maar het samenstel van alle relevante feiten en omstandigheden, ongeacht op welk moment in de procedure deze naar voren zijn gekomen (CRvB 23 januari 1992, LJN: AK5280). Gelet op deze jurisprudentie kan de rechtbank niet voorbijgaan aan de brief van de behandelend psychiater H.H.W. Janssen van 11 mei 2006, aan de rechtbank overgelegd bij brief van 8 maart 2007. Deze psychiater heeft in zijn brief in antwoord op de vraag of eiseres zou kunnen werken als zijn mening gegeven dat eiseres dit gezien haar psychiatrisch ziektebeeld al lange tijd niet heeft gekund en op dit moment nog steeds niet kan. Nu deze psychiater in mei 2006 heeft gesteld dat eiseres al lange tijd niet heeft kunnen werken, is de rechtbank er niet van overtuigd dat deze stelling voor de onderhavige periode betekenis mist.

13. Het bovenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat voor de rechtbank thans in onvoldoende mate vaststaat dat eiseres geen goede reden had om, in weerwil van opdrachten van verweerders zijde, haar werk te hervatten. Daarmee staat in onvoldoende mate vast dat eiseres zich op dit punt schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

14. Wat betreft het verwijt dat eiseres de verplichtingen in het kader van de verzuimbegeleiding heeft overtreden, overweegt de rechtbank als volgt.

15. Eiseres heeft zich op 26 april 2005, via haar partner, ziek gemeld. Verweerder heeft eiseres vervolgens direct gesommeerd zich op die dag om 15.30 uur bij de Arbo-dienst te melden. Eiseres heeft zich 25 minuten later bij de Arbo-dienst gemeld. Vervolgens is eiseres de opdracht gegeven zich op 27 april 2005 om 12.10 uur te melden bij de bedrijfsarts. Op 27 april 2005 heeft eiseres een e-mail gestuurd met de mededeling dat zij niet in staat was aan die opdracht te voldoen. Verweerder heeft diezelfde dag de bedrijfsarts verzocht een spoedcontrole aan huis te plannen. Dit bezoek, waarvan eiseres op de hoogte is gesteld, werd aangekondigd voor 28 april 2005 om 8.15 uur. Op 27 april 2005 om 15.11 uur heeft de partner van eiseres laten weten dat eiseres was ingestort en dat de bedrijfsarts niet kon worden ontvangen.

16. Eiseres heeft aangevoerd dat zij vanwege de aard van haar medische klachten, onder meer dwangneuroses, op onvoorspelbare momenten een aantal dwangmatige handelingen moet verrichten die er soms toe leiden dat zij veel later dan gepland haar woning kan verlaten. Dit is ook gebeurd op 26 april 2005 en om die reden kwam zij te laat bij de Arbo-dienst. Er is vervolgens een verergering van haar klachten opgetreden.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres, door te laat te komen bij een afspraak met de bedrijfsarts en tot twee maal toe een afspraak af te zeggen, een beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid door de bedrijfsarts gefrustreerd. Daarmee is sprake van plichtsverzuim. De rechtbank is er echter niet voldoende van overtuigd dat dit plichtsverzuim eiseres kan worden toegerekend.

18. Zoals hierboven reeds is aangegeven, heeft verweerder in juni 2005 de bedrijfsarts gevraagd of eiseres inzicht had in haar handelen en of zij in staat was haar wil tot handelen in vrijheid te bepalen. De bedrijfsarts heeft vervolgens psychiater Wetzer benaderd. Het is evenwel onduidelijk gebleven welke vraagstelling de bedrijfsarts aan de psychiater heeft voorgelegd. Het rapport van de psychiater bevat ook geen antwoord op de door verweerder aan de bedrijfsarts gestelde vraag, hetgeen door verweerder is toegegeven op de op 15 mei 2006 gehouden hoorzitting bij de Adviescommissie Bezwaar en Administratief beroep. De bedrijfsarts heeft niettemin in zijn brief van 12 oktober 2005 aan verweerder geantwoord dat eiseres inzicht in haar handelen had en voldoende wilsbekwaam was om haar handelen in vrijheid te kunnen overzien en bepalen. De bedrijfsarts heeft daarbij zijn overwegingen aangegeven, maar het is niet duidelijk geworden waaraan hij deze heeft ontleend: de overweging dat de stoornis waaronder eiseres lijdt niet van zodanige aard is dat deze een imperatief karakter heeft waarop zij generlei invloed kan uitoefenen of waarin zij geen regie kan voeren, is in ieder geval niet terug te vinden in het rapport van de psychiater. Het komt de rechtbank voor dat de bedrijfsarts een erg vrije interpretatie van het rapport van de psychiater heeft verricht, die niet voldoende wordt geschraagd door hetgeen in dit rapport is vermeld. Onder deze omstandigheden had verweerder niet zonder meer mogen afgaan op het door de bedrijfsarts in zijn brief van 12 oktober 2005 gegeven antwoord.

19. Het bovenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit, voor zover dit betreft het strafontslag, voor vernietiging in aanmerking komt.

Bezoldiging

20. Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder terecht en op goede gronden heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 24 maart 2005. Eiseres heeft, naar onweersproken is gesteld, op de hoorzitting bij de Adviescommissie Bezwaar en Administratief beroep aangegeven haar vordering over de periode 24 maart 2005 tot 29 augustus 2005 niet houdbaar te achten. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot de vraag of verweerder terecht en op goede gronden heeft kunnen weigeren terug te komen van zijn besluit tot stopzetting van de bezoldiging wat betreft de periode na 29 augustus 2005.

21. Verweerder heeft aangegeven ook na volledige heroverweging uit het oogpunt van een evenwichtige en zorgvuldige afweging van belangen geen aanleiding te zien terug te komen van het besluit de doorbetaling van de bezoldiging te staken, reeds vanwege het feit dat eiseres steeds is blijven stellen wegens ziekte verhinderd te zijn dienst te verrichten, zonder voor die stelling een begin van bewijs te leveren. Aan de aanspraak op bezoldiging is voorts een einde gekomen op het moment waarop het dienstverband is verbroken.

22. Eiseres heeft tegen de weigering de salarisbetalingen te hervatten aangevoerd dat zij tijdig en meermalen heeft geprotesteerd tegen het besluit van 24 maart 2005 waarmee verweerder de salarisbetalingen heeft stopgezet. Daaruit blijkt dat ook verweerder steken heeft laten vallen, waarnaar nog een keer gekeken moet worden. Eiseres is op medische gronden niet in staat geweest haar werkzaamheden te hervatten en niet uit onwil. Volgens eiseres heeft verweerder hier nooit deugdelijk onderzoek naar verricht. Voorts heeft verweerder eiseres de toegang tot de werkplek met ingang van 3 mei 2005 ontzegd. Daarmee heeft verweerder eiseres de mogelijkheid haar werk te hervatten ontnomen.

23. De rechtbank overweegt als volgt.

24. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

25. Ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb kan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

26. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB dient in gevallen als het onderhavige, waarin een duuraanspraak in het geding is, bij de toetsing in verband met artikel 4:6 van de Awb een onderscheid te worden gemaakt tussen het verleden en de toekomst. Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna, moet een minder terughoudende toets worden gehanteerd. Daarom zal het in de regel bij een duuraanspraak niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden (CRvB 5 januari 2004, LJN: AO2035).

27. De rechtbank overweegt allereerst dat eiseres geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit op bezwaar van 8 november 2005, waarbij verweerder het bezwaar van eiseres van 2 juni 2005 tegen het besluit van 24 maart 2005 niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens onverschoonbare termijnoverschrijding. Dit besluit staat derhalve in rechte vast. Grieven die behelzen dat verweerder eerdere brieven van eiseres had moeten aanmerken als bezwaarschrift, hadden in een beroep tegen dat besluit moeten worden aangevoerd en kunnen thans niet meer naar voren worden gebracht.

28. De vraag of verweerder de bezoldiging van eiseres met ingang van 29 augustus 2005 had moeten hervatten, hangt nauw samen met de vraag of eiseres om medische redenen niet in staat was haar werkzaamheden te verrichten. Zoals hierboven reeds is aangegeven in verband met het aan eiseres opgelegde strafontslag, staat thans voor de rechtbank in onvoldoende mate vast dat eiseres arbeidsgeschikt was. Om deze reden komt ook het bestreden besluit, voor zover dit betreft de weigering om terug te komen van de beslissing inzake de doorbetaling van de bezoldiging, waar het betreft de periode na 29 augustus 2005, voor vernietiging in aanmerking.

29. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep gegrond moet worden verklaard.

30. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat door verweerder aan eiseres de door haar in bezwaar gemaakte proceskosten moeten worden vergoed, nu thans nog niet vaststaat dat aan alle in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb genoemde eisen, met name dat het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, is voldaan.

31. Wel zal de rechtbank bepalen dat door de gemeente Helmond aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 141,00 dient te worden vergoed.

32. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast de gemeente Helmond aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 141,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst de gemeente Helmond aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. Y.S. Klerk als rechter en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van E.H.J.M.T. van der Steen als griffier op 30 mei 2007.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: