Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA7170

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
158303 - KG ZA 07-263
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Zelfs als het waar zou zijn dat de gezichtsverhoudingen van een Boeddha-afbeelding religieus/cultureel bepaald zijn, blijft het goed mogelijk daarbinnen een scala aan creativiteit en originaliteit (qua kleur, symmetrie, structuur, etcetera) tot uiting te brengen. De karakteristieke gelaatstrekken van de boeddha van de kunstenares springen in het oog. Van originaliteit van het werk van de kunstenares is dus wel degelijk sprake. Beschouwing van de beide schilderijen (dat van de kunstenaries en dat van Mondiart) naast elkaar, geeft direct de indruk dat sprake is van een zuivere nabootsing en dus van een inbreuk door Mondiart op het auteursrecht van de kunstenares. Door de rechter worden de bij dit soort inbreuken gebruikelijke bevelen gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 158303 / KG ZA 07-263

Vonnis in kort geding van 12 juni 2007

in de zaak van

1. [eiseres sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. J.E. Lenglet,

advocaat mr. T. de Jong te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MONDIART B.V.,

gevestigd te Best,

gedaagde,

procureur mr. G.H. Hermanides.

Partijen zullen hierna “[eisers]” en “Mondiart” genoemd worden. Daar waar eisers afzonderlijk worden bedoeld, zullen zij worden aangeduid met onderscheidenlijk “[eiseres sub 1]” en “[eiser sub 2]”.

1. De procedure

1.1. [eisers] hebben ter zitting van heden gesteld en gevorderd zoals hierna verkort is weergegeven.

1.2. De advocaat van [eisers] heeft de vorderingen ter terechtzitting toegelicht, mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities en producties, genummerd 1 tot en met 15.

1.3. De procureur van Mondiart heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities met een viertal producties.

1.4. Na gevoerd debat hebben partijen vonnis gevraagd.

1.5. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eisers] vormen een kunstenaarspaar dat samen woont en werkt. Zij houden zich hoofdzakelijk bezig met de vervaardiging en verkoop van schilderijen waarop een boeddha is afgebeeld.

2.2. [eiseres sub 1] is aangesloten bij de Stichting Beeldrecht, de Nederlandse auteursrechtorganisatie voor beeldend kunstenaars. Artikel 1, lid 1 van het reglement luidt als volgt.

1. Door aansluiting bij de Stichting Beeldrecht verleent de rechthebbende met uitsluiting van hem/haarzelf aan de Stichting Beeldrecht exclusief opdracht om zijn/haar auteursrechten uit te oefenen overeenkomstig de in artikel 2 en 3 van de Statuten omschreven bevoegdheden. Door aansluiting verleent de aangeslotene Beeldrecht tevens de volmacht om ter zake van die auteursrechten in alle instanties op eigen naam als eiseres gerechtelijke procedures aanhangig te maken. (...)

2.3. Mondiart is een onderneming die zich bezig houdt met de fabricage, import en verkoop van decoratiemateriaal, waaronder schilderwerken, spiegels en boeddhabeelden. Mondiart levert aan detaillisten waaronder meubel- en woonwinkels. Mondiart heeft in 2006 op een beurs in China een groot aantal schilderijen met een boeddha-afbeelding, gesigneerd “Paramount”, gekocht en in Nederland op de markt gebracht. Zij heeft dergelijke schilderijen aan afnemers geleverd en heeft die schilderijen nog steeds te koop in haar collectie.

2.4. Bij schrijven van 8 februari 2007 heeft de Stichting Beeldrecht Mondiart te kennen gegeven te hebben geconstateerd dat Mondiart schilderijen verhandelt welke nabootsing van de schilderijen van [eiseres sub 1] zijn en derhalve inbreuk maken op haar auteursrecht, nu voor die verhandeling door Mondiart geen toestemming is gegeven. Voorts is Mondiart gesommeerd om de inbreukmakende nabootsingen te staken, de voorraad ter vernietiging af te geven, de gebruikelijke opgaven te doen en een onthoudingsverklaring af te geven.

2.5. Mondiart heeft aan dit schijven geen gevolg gegeven.

3. Het geschil

3.1. [eisers] vorderen, na wijziging van eis –samengevat– bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. Mondiart te veroordelen het openbaar maken en/ of verveelvoudingen van inbreukmakende schilderijen te staken en gestaakt te houden;

2. Mondiart te bevelen haar afnemers te verzoeken de door Mondiart geleverde inbreukmakende schilderijen terug te zenden naar Mondiart, zulks onder toezending van een brief vertaald in een voor de betreffende afnemer begrijpelijke taal met de waarschuwing dat de voorzieningenrechter te ’s-Hertogenbosch heeft geoordeeld dat de geleverde schilderijen inbreuk maken op het exclusieve auteursrecht van Mondiart, met gebod aan mr. De Jong een kopie van die brieven te zenden ter controle op de naleving daarvan;

3. Mondiart te bevelen aan mr. De Jong te doen toekomen een opgave van de volgende informatie:

- de leverancier(s), maker(s), producenten en distributeur(s), van wie de inbreukmakende schilderijen door Mondiart verkregen zijn, onder mededeling van adres(sen), telefoon- en faxnummer(s);

- de aan Mondiart geleverde aantallen, nummers, prijzen en leverdata van de inbreukmakende schilderijen, zulks gerangschikt per leverancier, maker, producent of distributeur van de inbreukmakende schilderijen, onder overlegging van kopieën van de daarop betrekking hebbende facturen;

- de afnemers (voor zover bekend), alsmede de verkochte aantallen nummers, prijzen, leverdata en afleveradressen van de inbreukmakende schilderijen, zulks gerangschikt per afnemer, onder overlegging van kopieën van de daarop betrekking hebbende facturen;

- de bij Mondiart nog aanwezige voorraad van de inbreukmakende schilderijen onder vermelding van de locatie waar de inbreukmakende producten zich bevinden, alsmede de aantallen en de nummers van de inbreukmakende schilderijen;

- de met de inbreukmakende schilderijen behaalde omzet en winst, alsmede de verschillende ter berekening van de winst op de omzet in mindering gebrachte kostenposten, voorzien van duidelijke en gedetailleerde schriftelijke bewijsstukken;

4. Mondiart te bevelen de gehele voorraad, waaronder begrepen de door haar afnemers geretourneerde voorraad van inbreukmakende schilderijen ter vernietiging af te geven aan [eisers];

5. Mondiart te veroordelen aan [eisers] een dwangsom te voldoen van € 15.000,00 per overtreding van de onder 1 genoemde vordering, dan wel van € 10.000,00 voor ieder schilderij waarmee in strijd met dit vonnis wordt gehandeld, zulks ter keuze van [eisers], alsmede van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag waarmee Mondiart in gebreke blijft met de nakoming van de veroordelingen onder 2, 3, 4, en/ of 5;

Mondiart te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. [eisers] leggen hieraan –kort weergegeven– het navolgende ten grondslag.

[eisers] hebben onlangs geconstateerd dat er in verschillende kunsthandels en woonwinkels in Nederland schilderijen te koop worden aangeboden die in een zo verregaande mate overeenstemmen met de schilderijen van [eisers] dat zij zijn aan te merken als verveelvoudigingen (in gewijzigde vorm) zoals bedoeld in artikel 13 Auteurswet 1912. Bij navraag door [eisers] bleken alle winkels deze schilderijen te hebben ingekocht bij Mondiart. Door de verveelvoudigingen van de schilderijen van [eisers] in te voeren, te publiceren, te koop aan te bieden en te verhandelen, heeft Mondiart inbreuk gemaakt op de auteursrechten van [eisers] op grond van artikel 1 jo. artikel 12 en 13 Auteurswet 1912 en heeft zij onrechtmatig jegens [eisers] gehandeld. Mondiart heeft bovendien inbreuk gemaakt op de persoonlijkheidsrechten van [eisers] zoals bedoeld in artikel 25, lid 1 onder b, c en d van de Auteurswet 1912. De schilderwerken zijn door Mondiart onder een andere naam openbaar gemaakt. Bovendien zijn de schilderwerken op inferieure wijze nageschilderd. Door de handelwijze van Mondiart lijden [eisers] grote schade.

Aan de sommaties van [eisers] om de inbreukmakende en onrechtmatige handelingen te staken, de voorraad ter vernietiging af te geven, opgave te doen en een onthoudingsverklaring af te geven, heeft Mondiart tot op heden geen gehoor gegeven.

3.3. Mondiart heeft ten verwere –zakelijk weergegeven– het volgende naar voren gebracht.

i. De Stichting Beeldrecht heeft het uitsluitend recht om namens [eiseres sub 1] in rechte op te treden. Het staat [eiseres sub 1] dan ook niet vrij om thans uit eigen naam Mondiart in rechte te betrekken.

ii. [eisers] hebben Mondiart rauwelijks gedagvaard. Mondiart is immers nimmer door [eisers] gesommeerd. [eisers] dienen dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen. Beeldrecht heeft slechts éénmaal gesommeerd waarna [eisers] direct en dus rauwelijks is gedagvaard.

iii. [eiser sub 2] is geen auteursrechthebbende op het betreffende kunstwerk, zodat [eiser sub 2] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

iv. De afmetingen (de verhoudingen tussen ogen, neus, mond etcetera) zoals deze in het schilderij zijn weergegeven, zijn volgens het voor een boeddha-afbeelding geldend voorschrift. Het werk is dan ook verre van origineel en komt daarom niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking.

v. Voor zover al sprake is van originaliteit is van een verveelvoudiging in de zin van artikel 13 Auteurswet geen sprake.

vi. Er is geen sprake van geleden schade aan de zijde van [eisers]. Voor zover al sprake is van schade, is deze niet aan Mondiart toe te rekenen.

vii. Het petitum is niet uitvoerbaar nu [eisers] niet duidelijk hebben aangegeven om welk schilderij het gaat.

viii. Aan het onder 4 gevorderde kan Mondiart sowieso niet voldoen nu de meeste schilderijen al zijn doorverkocht aan allerlei afnemers die ze vervolgens ook weer hebben doorverkocht. Waar de kunstwerken zich thans bevinden is niet te achterhalen.

ix. Afgifte ter vernietiging is van een vergaande strekking dat die niet in kort geding kan worden bevolen.

x. Mondiart betwist dat [eisers] de door hen gevorderde proceskosten ook daadwerkelijk hebben gemaakt en ook dat deze als redelijk zijn te beschouwen.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ad i

4.1. Mondiart heeft aangevoerd dat [eiseres sub 1] aan de Stichting Beeldrecht een procesvolmacht heeft verstrekt, waarmee zij met uitsluiting van haarzelf de bevoegdheid om gerechtelijke procedures te voeren heeft overgedragen aan de Stichting Beeldrecht. Blijkens haar pleitnotitie baseert Mondiart haar stelling op het reglement van de Stichting Beeldrecht dat Mondiart als productie 4 heeft ingebracht. Uit dit reglement blijkt evenwel dat de Stichting Beeldrecht met uitsluiting van [eiseres sub 1] de bevoegdheid heeft om de auteursrechten uit te oefenen (te exploiteren), maar geenszins dat de volmacht om gerechtelijke procedures aanhangig te maken exclusief zou zijn. Het verweer faalt.

Ad ii

4.2. Vast staat dat de Stichting Beeldrecht Mondiart bij brief van 8 februari 2007 heeft gesommeerd. Mondiart heeft dus wel degelijk de gelegenheid gehad om in der minne aan de vordering te voldoen, hetgeen zij bewust heeft nagelaten en welk standpunt zij ook thans nog inneemt, zodat in dit geval aan de constatering dat het niet [eisers] zelf was die de sommatie deed uitgaan, niet de gevolgtrekking kan worden verbonden dat zij prematuur in rechte is betrokken zodat de proceskosten voor rekening van [eisers] moeten blijven. Overigens kan dit een en ander aan de ontvankelijkheid van [eisers] niet afdoen. Het verweer faalt.

Ad iii

4.3. Ter adstructie van haar verweer dat [eiser sub 2] geen auteursrechthebbende is op het betreffende kunstwerk heeft Mondiart naar voren gebracht dat [eiser sub 2] niet de maker is van de kunstwerken van het duo. Ter zitting heeft Mondiart hiertoe aangevoerd dat [eiser sub 2] slechts de ondergrond van de schilderijen pleegt te maken en dat de creatieve kenmerken die de werken een persoonlijk stempel geven door [eiseres sub 1] plegen te worden aangebracht. [eisers] hebben zulks niet betwist, hetgeen meebrengt dat in dit geding onvoldoende aannemelijk is geworden dat [eiser sub 2] maker is van het betreffende kunstwerk en daarmee auteursrechthebbende. Ten aanzien van [eiser sub 2] zal de vordering dan ook worden afgewezen.

Ad iv en v

4.4. Wat ook zij van de stelling van Mondiart dat de afmetingen van de gezichtsverhoudingen nu eenmaal religieus/cultureel bepaald (“voorschrift”) zijn, feit is dat daarbinnen een scala aan creativiteit en originaliteit (qua kleur, symmetrie, structuur, etcetera) mogelijk is. Mondiart heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat het litigieuze werk van [eiseres sub 1] niet origineel is enkele foto’s in het geding gebracht, genummerd 1 tot en met 6. De rechter is, in tegenstelling tot Mondiart, evenwel van oordeel dat deze foto’s juist een grote diversiteit laten zien in de wijzen waarop een boeddha kan worden afgebeeld en de creatieve keuzes van [eiseres sub 1] in het onderhavige schilderij benadrukken. Met name de karakteristieke gelaatstrekken van de boeddha van [eiseres sub 1] springen in het oog. Van originaliteit van het werk van [eiseres sub 1] is dus wel degelijk sprake.

4.5. Beschouwing van de beide schilderijen (dat van [eiseres sub 1] en dat van Mondiart) naast elkaar, geeft direct de indruk dat sprake is van een zuivere nabootsing: in beide gevallen is sprake van een tweeluik waardoor het hoofd van boeddha in tweeën is gesplitst, beide schilderijen hebben een afmeting van tweemaal 120 x 90 cm, de boeddha is op beide schilderijen “en face” en van dichtbij afgebeeld waardoor slechts een deel van het gezicht zichtbaar is, de boeddha heeft op beide schilderijen exact dezelfde gelaatstrekken en op beide werken is structuur in de onderlaag aangebracht. Het enige in het oog springende verschil is dat [eiseres sub 1] het gezicht heeft gedecentreerd terwijl Mondiart het heeft gecentreerd.

4.6. Het voorgaande leidt de rechter tot de conclusie dat met de vervaardiging van het boeddhaschilderij, zoals afgebeeld op de aan dit vonnis gehechte foto, sprake is van een verveelvoudiging zoals bedoeld in artikel 13 Auteurswet. Voorshands is dan ook in voldoende mate aannemelijk geworden dat Mondiart inbreuk maakt op de auteursrechten van [eiseres sub 1]. De verweren onder iv en v falen derhalve.

Ad vi

4.7. Het antwoord op de vraag of sprake is van schade kan in het midden blijven omdat dit niet relevant is voor de vraag of er inbreuk bestaat op het auteursrecht, terwijl in dit geding ook geen schadevergoeding wordt gevorderd, zodat ook dit verweer faalt.

Ad vii

4.8. Ter zitting is duidelijk geworden dat het alleen om de afbeelding gaat die nagenoeg een exacte kopie is van het kunstwerk van [eisers], zoals weergegeven op de foto die aan dit vonnis is gehecht. Mitsdien faalt het verweer onder vii.

Ad viii

4.9. Gezien het feit dat wellicht niet van alle “kopieën” te achterhalen is waar zij zich thans bevinden alsmede uit een oogpunt van proportionaliteit, zal de rechter het onder 2. gevorderde toewijzen als na te melden.

Ad ix

4.10. Aan Mondiart valt toe te geven dat een voorziening bestaande uit het moeten afgeven ter vernietiging, een vergaande strekking heeft. Dit betekent echter nog niet dat deze daarom in kort geding niet zou kunnen worden gegeven. Gelet op de aard en duidelijkheid van de inbreuk acht de rechter een dergelijke voorziening hier op zijn plaats. Het is dan uiteraard aan [eisers] om te bezien of zij die vernietiging aanstonds zullen realiseren of dat zij daarmee – gelet op het risico van het moeten betalen van volledige schadevergoeding – zullen wachten totdat in de bodemzaak hierover zal zijn beslist.

Algemeen

4.11. Nu de verweren falen, liggen de vorderingen voor toewijzing gereed. De op te leggen dwangsom zal daarbij worden beperkt als nader zal worden aangegeven.

Proceskosten

4.12. Mondiart B.V. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [eiseres sub 1] worden veroordeeld. De door [eisers] overgelegde specificatie komt niet onredelijk voor, zodat deze zal worden toegewezen. Inzoverre faalt het verweer onder x. De kosten aan de zijde van [eiseres sub 1] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,31

- vast recht 251,00

- salaris procureur 2.472,50

Totaal EUR 2.807,31

4.13. Ten aanzien van de vordering, die is ingesteld door [eiser sub 2], geldt [eiser sub 2] als de in het ongelijk te stellen partij, zodat hij in de kosten van Mondiart zal worden veroordeeld, voor zover die geacht moeten worden te zijn gemaakt tegen die vordering. Deze kosten worden begroot op nihil.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

Ten aanzien van [eiser sub 2]:

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt [eiser sub 2] in de kosten van het geding voor zover door het instellen van die vordering door Mondiart gemaakt, welke kosten begroot worden op nihil;

Ten aanzien van [eiseres sub 1]:

5.3. beveelt Mondiart het openbaar maken en/of verveelvoudingen van de inbreukmakende schilderijen te staken en gestaakt te houden;

5.4. beveelt Mondiart haar afnemers te verzoeken de door Mondiart geleverde inbreukmakende schilderijen – voor zover die nog in hun bezit zijn - terug te zenden naar Mondiart, zulks onder toezending van een brief vertaald in een voor de betreffende afnemer begrijpelijke taal met de waarschuwing dat de voorzieningenrechter te ’s-Hertogenbosch heeft geoordeeld dat de geleverde schilderijen inbreuk maken op het exclusieve auteursrecht van [eiseres sub 1],

en beveelt Mondiart aan mr. De Jong een kopie van die brieven te zenden ter controle op de naleving daarvan;

5.5. beveelt Mondiart aan mr. De Jong te doen toekomen een opgave van de volgende informatie:

- de leverancier(s), maker(s), producenten en distributeur(s), van wie de inbreukmakende schilderijen door Mondiart verkregen zijn, onder mededeling van adres(sen), telefoon- en faxnummer(s);

- de aan Mondiart geleverde aantallen, nummers, prijzen en leverdata van de inbreukmakende schilderijen, zulks gerangschikt per leverancier, maker, producent of distributeur van de inbreukmakende schilderijen, onder overlegging van kopieën van de daarop betrekking hebbende facturen;

- de afnemers (voor zover bekend), alsmede de verkochte aantallen nummers, prijzen, leverdata en afleveradressen van de inbreukmakende schilderijen, zulks gerangschikt per afnemer, onder overlegging van kopieën van de daarop betrekking hebbende facturen;

- de bij Mondiart nog aanwezige voorraad van de inbreukmakende schilderijen onder vermelding van de locatie waar de inbreukmakende producten zich bevinden, alsmede de aantallen en de nummers van de inbreukmakende schilderijen;

- de met de inbreukmakende schilderijen behaalde omzet en winst, alsmede de verschillende ter berekening van de winst op de omzet in mindering gebrachte kostenposten, voorzien van duidelijke en gedetailleerde schriftelijke bewijsstukken;

5.6. beveelt Mondiart de gehele voorraad, waaronder begrepen de door haar afnemers geretourneerde exemplaren, van inbreukmakende schilderijen ter vernietiging af te geven aan [eiseres sub 1];

5.7. bepaalt dat Mondiart aan [eiseres sub 1] een dwangsom verbeurt

(1) van € 15.000,00 per overtreding van de onder 5.3 opgenomen veroordeling, dan wel van € 1.000,00 voor ieder schilderij waarmee in strijd met dit vonnis wordt gehandeld, zulks ter keuze van [eiseres sub 1],

(2) van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Mondiart in gebreke blijft met de nakoming van de veroordelingen onder 5.4, 5.5, en/of 5.6.;

5.8. bepaalt dat deze dwangsommen vatbaar zullen zijn voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

5.9. veroordeelt Mondiart B.V. in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres sub 1] tot op heden begroot op EUR 2.807,31;

5.10. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.11. wijst het meer of anders gevorderde af;

5.12. bepaalt op de voet van het bepaalde in artikel 260 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering dat de eis in de hoofdzaak dient te worden ingesteld binnen een termijn van twee maanden na heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.M. Strijbos en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2007.