Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA6871

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-05-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/2843
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging/terugvordering rijksbijdragen onderwijs

ROC heeft ruim 3500 deelnemers voor meerdere cursussen in de bekostiging meegenomen terwijl die slechts een keer het cursusgeld hebben voldaan.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel de deelnemers voor elk van de door hen gevolgde opleidingen of cursussen cursusgeld waren verschuldigd.

ROC heeft de deelnemers derhalve ten onrechte ook voor de tweede (of meer) cursussen laten meetellen voor de berekening van de rijksbijdrage.

In navolging van de jurisprudentie van de Afdeling is de rechtbank van oordeel dat de subsidietitel van de Awb op de bekostiging van het onderwijs van toepassing is.

Verweerder was voorts op de voor de wijziging van de relevant te achten data nog niet op de hoogte van de onjuistheid van de door ROC overgelegde gegevens en derhalve bevoegd om met terugwerkende kracht die bijdragen ten nadele te wijzigen.

Tenslotte heeft verweerder bij afweging van alle in aanmerking te nemen belangen in redelijkheid tot de omstreden terugvordering van de ten onrechte aan ROC betaalde bedragen kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/2843

Uitspraak van de meervoudige kamer van 31 mei 2007

inzake

de Stichting Regionaal Opleidingen Centrum Eindhoven,

te Eindhoven,

eiseres,

gemachtigde mr. W.E. Pors,

tegen

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

te ’s-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigden mr. A.J. Boorsma en mr. P.M. Feenstra.

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2005 heeft verweerder besloten de rijksbijdrage aan eiseres voor de jaren 2001, 2002, 2003 en 2004 gewijzigd vast te stellen op respectievelijk € 69.625.247,--, € 70.130.696,-- en € 80.834.740,-- en voorts een bedrag van € 6.772.761,-- terug te vorderen van eiseres.

Het hiertegen gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 25 april 2006 deels gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. In verband met de gegrondverklaring van het bezwaar heeft verweerder de rijksbijdrage voor het jaar 2001 weer vastgesteld op het oorspronkelijk bepaalde bedrag van € 69.637.178,--.

Tegen laatstgenoemd besluit heeft eiseres bij brief van 1 juni 2006 beroep ingesteld wat betreft de jaren 2002, 2003 en 2004. Dit beroep is behandeld ter zitting van 21 februari 2007, waar eiseres is verschenen bij gemachtigde. Tevens is voor eiseres verschenen drs. C.R.M. Tetteroo, voorzitter van het college van bestuur van eiseres. Verweerder is eveneens bij gemachtigden verschenen.

Het onderzoek ter terechtzitting is in afwachting van door verweerder nader te overleggen stukken geschorst.

Bij brief van 13 maart 2007 heeft verweerder gegevens betreffende de bekostigingsbeschikkingen over de jaren 2002 tot en met 2004 overgelegd.

Hierop is door eiseres bij brief van 15 maart 2007 gereageerd, waarna verweerder bij brief van 28 maart 2007 nog een nadere reactie heeft gegeven.

Vervolgens heeft eiseres naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 18 april 2007 (met nummer 200604022/1; www.raadvanstate.nl) op 14 april 2007 een brief gestuurd, waarop door verweerder bij brief van 1 mei 2007 nog is gereageerd.

Na daarvoor van partijen toestemming te hebben gekregen, heeft de rechtbank bepaald dat een

nadere zitting achterwege blijft en is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Bij de beoordeling van het geschil gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 12 juli 2002 is de rijksbijdrage aan eiseres over het jaar 2002 vastgesteld op € 72.132.521,00. Bij besluit van 14 oktober 2003 is de rijksbijdrage voor het jaar 2003 vastgesteld op € 77.297.043,00 en bij besluit van 6 oktober 2004 is de rijksbijdrage over het jaar 2004 vastgesteld op € 83.424.119,00.

Naar aanleiding van signalen over onregelmatigheden in de bekostiging bij instellingen in het hoger onderwijs heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in november 2001 de accountantsdienst van het ministerie van OCW opdracht gegeven een onderzoek uit te voeren bij zeven instellingen in het hoger beroepsonderwijs (HBO) als bedoeld in hoofdstuk 10, titel 1, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). De uitkomsten van dit onderzoek waren aanleiding voor de minister om in de periode vanaf maart 2002 tot en met september 2002 het zogenaamde ”Zelfreinigend Onderzoek” uit te doen voeren bij alle HBO-instellingen, het wetenschappelijk onderwijs (WO) en het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie (BVE). Daarmee werd beoogd inzicht te verkrijgen in de wijze waarop instellingen handelden ten aanzien van de bekostigingsregelgeving.

Bij brief van 13 december 2002 heeft verweerder de bevindingen en uitkomsten van het ”Zelfreinigend Onderzoek”, neergelegd in het rapport ”Ruimte voor Rekenschap”, aan de Tweede Kamer aangeboden.

Voornoemd rapport ging vergezeld van het rapport van de Commissie van Externe Deskundigen Zelfreinigend Onderzoek van 9 december 2002 ”Waar(heid) voor je geld, Overwegingen en bevindingen betreffende de wijze waarop de publieke gelden in het onderwijs zijn ingezet”, dat aanbevelingen bevat voor een eenduidige uitleg van de bekostigingsregels en bekostigingsvoorwaarden.

Bij brief van 10 maart 2003 hebben de minister van OCW en verweerder aangekondigd dat in aansluiting op het zelfreinigend onderzoek een vervolgonderzoek zal worden uitgevoerd bij alle instellingen in de sectoren BVE, HBO en WO. Daartoe is op 2 mei 2003 de Commissie Vervolgonderzoek Rekenschap (naar haar voorzitter hierna: commissie Schutte) ingesteld. Opdracht van de commissie Schutte was onderzoek uit te voeren naar onregelmatigheden in de bekostiging van het hoger onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs.

Op 5 maart 2004 heeft de accountant in opdracht van de commissie Schutte zijn ”Rapport van Bevindingen” van het door hem bij eiseres uitgevoerde onderzoek uitgebracht.

Bij brief van eveneens 5 maart 2004 heeft de commissie Schutte eiseres geïnformeerd over haar voorlopige oordeel met betrekking tot de uitkomsten van het vervolgonderzoek bij de instelling van eiseres en haar uitgenodigd een reactie op het voorlopig oordeel te geven.

Van deze mogelijkheid heeft eiseres bij brief van 15 maart 2004 gebruik gemaakt.

Bij brief van 1 april 2004 heeft verweerder het eindrapport van de commissie Schutte aan de Tweede Kamer aangeboden.

Eveneens bij brief van 1 april 2004 heeft de commissie Schutte eiseres geïnformeerd over haar definitieve oordeel over de uitkomsten van het ”Vervolgonderzoek Rekenschap” bij de instelling van eiseres. Daarbij zijn ten aanzien van een drietal casussen onregelmatigheden geconstateerd en wordt verweerder geadviseerd de daarmee gemoeide bedragen terug te vorderen. Ten aanzien van één casus is het niet mogelijk gebleken de noodzakelijke gegevens te verkrijgen.

Bij brief van 7 oktober 2004 heeft verweerder eiseres op de hoogte gebracht van het besluit de auditdienst van het ministerie van OCW nader onderzoek te laten verrichten naar de zogeheten casus 1 en 2. Ten aanzien van casus 3 heeft verweerder, in lijn met de kabinetsreactie van 16 april 2004, besloten niet tot terugvordering over te gaan. Ten aanzien van casus 4 is eiseres verzocht om aan te tonen dat sprake is geweest van een financiële transactie rond de betaling van les- en / of cursusgeld, dat de desbetreffende deelnemers daadwerkelijk op 1 oktober van het desbetreffende jaar onderwijs genoten en dat betaling van het les- en / of cursusgeld, als deze door de instelling zelf is verricht, niet ten laste van de rijksbijdrage is gekomen.

Bij brief van 21 oktober 2004 heeft eiseres op de brief van verweerder gereageerd.

Vervolgens heeft de auditdienst op 8 juni 2005 een afschrift van de rapportage over het aanvullend onderzoek naar casus 1 en casus 2 aan eiseres gezonden.

Naar aanleiding van de brief van eiseres en het rapport van de auditdienst heeft verweerder bij brief van 14 juni 2005 eiseres op de hoogte gebracht van zijn voornemen om ten aanzien van casus 1 tot terugvordering over te gaan en dat het bedrag dat over de jaren 2002, 2003 en 2004 wordt teruggevorderd op € 6.682.815,00 zal worden vastgesteld. Voorts heeft verweerder medegedeeld dat hij voornemens is ten aanzien van casus 2 niet tot terugvordering over te gaan. Met betrekking tot casus 4 merkt verweerder op dat de door eiseres aangeleverde informatie niet aantoont dat de betaling van het lesgeld voor 14 deelnemers niet ten laste van de rijksbijdrage is gekomen en dat in verband hiermee het voornemen bestaat om een bedrag van € 11.931,00 terug te vorderen.

Tijdens een hoorzitting op 23 juni 2005 en bij brief van 5 juli 2005 heeft eiseres op dit voornemen gereageerd.

Op 19 augustus 2005 heeft verweerder het primaire besluit genomen. Op grond van de artikelen 4:49 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verweerder – voor zover hier van belang - besloten terzake de feiten onder casus 1 en 4:

- de beschikking van 12 juli 2002 te wijzigen in die zin dat de rijksbijdrage voor het jaar 2002 nader wordt vastgesteld op € 70.127.417,--;

- de beschikking van 14 oktober 2003 te wijzigen in die zin dat de rijksbijdrage voor het jaar 2003 nader wordt vastgesteld op € 75.130.696,-- en;

- de beschikking van 6 oktober 2004 te wijzigen in die zin dat de rijksbijdrage voor het jaar 2004 nader wordt vastgesteld op € 80.834.740,--. Voorts is besloten dat het terug te vorderen bedrag ad € 6.772.761,00 in september 2006 wordt verrekend met de door eiseres te ontvangen rijksbijdrage.

Dit besluit is genomen naar aanleiding van het onderzoek van de commissie Schutte en het aanvullende onderzoek van de auditdienst waarbij ten aanzien van casus 1 is geconstateerd dat eiseres op de teldata 1 oktober 2000, 1 oktober 2001 en 1 oktober 2002, die van belang zijn voor respectievelijk de subsidiejaren 2002, 2003 en 2004, in totaal 3.592 deelnemers, die voor twee (of soms meer) cursussen stonden ingeschreven, twee keer in de berekening van de bekostiging van de rijksbijdrage heeft meegeteld. Deze deelnemers hadden echter slechts één keer het wettelijk verschuldigde cursusgeld voldaan, waarmee slechts één rechtsgeldige inschrijving tot stand was gekomen en de betreffende deelnemers slechts één maal in de berekening van de bekostiging hadden mogen worden meegenomen.

Beoordeling

Tussen partijen is niet in geschil dat de 3.592 deelnemers voor meerdere cursussen in de bekostiging zijn meegenomen, terwijl die slechts een keer het cursusgeld hebben voldaan. Partijen zijn echter verdeeld over de vraag of er, om voor bekostiging van deelnemers in aanmerking te komen, per cursus cursusgeld moet worden betaald. Voorts zijn partijen verdeeld over de vraag of de door verweerder vastgestelde wijziging ten nadele van eiseres van de rijksbijdragen en de terugvordering in verband hiermee op basis van de bepalingen in de Awb plaats kan vinden. Ook is in geschil de vraag hoe die terugvordering zich verhoudt tot de beginselen van proportionaliteit en evenredigheid.

De rechtbank zal allereerst beoordelen of er sprake is van onregelmatig handelen van eiseres en daarmee of er reden bestaat voor de wijziging ten nadele van eiseres zoals die door verweerder heeft plaatsgevonden.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat genoemde 3.592 deelnemers voor elk van de door hen gevolgde opleidingen of cursussen cursusgeld waren verschuldigd. Anders dan eiseres meent, volgt uit de definitie van het woord ”cursus” in artikel 1, aanhef en onder f, sub 4, van de LCW niet dat cursisten slechts eenmaal cursusgeld zijn verschuldigd indien aan dezelfde instelling twee opleidingen worden genoten. Terecht stelt verweerder zich op het standpunt dat volgens het systeem van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) en de LCW het betalen van cursusgeld is gekoppeld aan een opleiding, ongeacht aan welke instelling deze opleiding wordt gevolgd. Dat de wettelijke definitie van het begrip ‘cursus’ op dit punt onduidelijk is, maakt dat niet anders. De door eiseres bepleite lezing zou meebrengen dat in strijd met het stelsel van de genoemde wetten aan een opleiding kan worden deelgenomen zonder dat daarvoor cursusgeld behoeft te worden betaald.

Op grond van het vorenstaande moet worden vastgesteld dat eiseres de desbetreffende deelnemers ten onrechte ook voor de tweede (of meer) cursus(sen) heeft laten meetellen voor de berekening van de rijksbijdrage, nu deze deelnemers op grond van artikel 6, derde lid, van de LCW niet hadden mogen worden ingeschreven, omdat zij het verschuldigde cursusgeld niet hadden betaald.

Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank zowel voor deelnemers aan twee of meer cursussen als voor deelnemers die naast een voltijd beroepsopleidende leerweg (BOL) een tweede cursus hebben gevolgd. Uitgangspunt blijft immers dat, om voor bekostiging in aanmerking te komen, er sprake moet zijn van een geldige inschrijving en een geldige inschrijving vereist dat het cursusgeld is betaald. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat een beroep van eiseres op artikel 7.34 e.v. van de WHW, waar de toegang tot het onderwijs na betaling van collegegeld wordt geregeld, geen doel treft, aangezien in die bepalingen een voorziening is getroffen voor het gelijktijdig volgen van onderwijs specifiek in de BVE-sector en aan een instelling voor hoger onderwijs. Hiermee heeft de wetgever geen voorziening getroffen voor de samenloop van een lesgeldverplichting en een cursusgeldverplichting.

Uit het voorgaande volgt dat eiseres voor de bekostigingsjaren 2002, 2003 en 2004 een onjuiste opgave heeft gedaan van het aantal deelnemers dat meetelt voor de berekening van de hoogte van de rijksbijdrage.

Nu vaststaat dat eiseres een onjuiste opgave heeft gedaan voor de berekening van de hoogte van de rijksbijdrage, dient beoordeeld te worden of verweerder met toepassing van de subsidietitel uit de Awb tot wijziging van de rijksbijdragen en tot terugvordering van het teveel aan eiseres betaalde rijksbijdrage is gekomen.

Daartoe zal allereerst beoordeeld worden of de zogeheten subsidietitel uit de Awb op de bekostiging van toepassing is.

Zoals de Afdeling in een tweetal vergelijkbare gevallen heeft geoordeeld (uitspraken van 14 februari 2007 onder nummer 200602889/1 en van 18 april 2007 onder nummer 200604022/1) is ook de rechtbank van oordeel dat Titel 4.2 uit Hoofdstuk 4 van de Awb (de subsidietitel) van toepassing is op de bekostiging van het onderwijs.

Ingevolge artikel 2.5.9, tweede lid, van de WEB kan verweerder op de rijksbijdrage correcties aanbrengen indien uit de jaarrekening, uit de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 2.5.3., vierde lid, uit de resultaten van het onderzoek bedoeld in artikel 2.5.6, of uit de resultaten van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.5.7, blijkt dat de rijksbijdrage op onjuiste gronden is vastgesteld. Binnen een jaar na ontvangst van de jaarrekening maakt verweerder het bevoegd gezag de hiervoor bedoelde correctie bekend.

Nu in het onderhavige geval geen toepassing is gegeven aan artikel 2.5.9, tweede lid, van de WEB, staat deze bepaling – anders dan eiseres aanvoert - in het onderhavige geval dan ook niet in de weg aan de bevoegdheid van verweerder om op grond van de artikelen 4:49 en 4:57 van de Awb de besluiten van 12 juli 2002, van 14 oktober 2003 en van 6 oktober 2004 te wijzigen, de rijksbijdrage over de jaren 2002, 2003 en 2004 lager vast te stellen en de aan eiseres ten onrechte betaalde bedragen terug te vorderen.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder a, van artikel 4:49 van de Awb kan het bestuursorgaan de subsidievaststelling onder andere ten nadele van de ontvanger wijzigen op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld.

In het tweede lid van dit artikel 4:49 is – voorzover hier van belang - bepaald dat de wijziging terug werkt tot en met het tijdstip waarop de subsidie is vastgesteld, tenzij bij de wijziging anders is bepaald.

Op grond van het hier relevante deel uit het derde lid van artikel 4:49 kan de subsidievaststelling niet meer ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sedert de dag waarop zij is bekendgemaakt.

Voor het beantwoorden van de vraag of de zogeheten a-grond van artikel 4:49, eerste lid, van de Awb van toepassing is, dient beoordeeld te worden op welk moment verweerder de hiervoor relevante feiten bekend zijn geworden.

Ter beantwoording van deze vraag zoekt de rechtbank aansluiting bij hetgeen de Afdeling in de reeds eerder vermelde uitspraak van 14 februari 2007 hieromtrent heeft overwogen. Uit deze uitspraak volgt dat de datum van het verschijnen van de uitkomsten van het ”Zelfreinigend Onderzoek”, te weten 23 oktober 2002, het moment markeert waarop verweerder op zijn vroegst redelijkerwijs op de hoogte was van de door eiseres overgelegde onjuiste telgegevens.

Het voorgaande houdt in dat verweerder in ieder geval op 12 juli 2002 nog niet op de hoogte was of kon zijn van het feit dat de telgegevens voor de bekostiging over het jaar 2002 onjuist waren, op grond waarvan de subsidie hoger is vastgesteld dan zou behoren.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder door te wijzen op het onderzoek van de commissie Schutte en het nadien nog noodzakelijke onderzoek van de auditdienst aannemelijk heeft gemaakt dat de overgelegde gegevens in het kader van het ”Zelfreinigend Onderzoek” onvoldoende in kaart waren gebracht. Dat alle gegevens al eerder op cd-rom bij verweerder zijn aangeleverd en dat verweerder daarmee met de juiste feiten bekend zou zijn geraakt, is door eiseres niet aannemelijk gemaakt. Eerst op 8 juni 2005, de datum waarop het rapport van de auditdienst is verschenen, was verweerder redelijkerwijs op de hoogte van de door eiseres onjuist overgelegde telgegevens.

Dit betekent dat verweerder ook op 14 oktober 2003 en 6 oktober 2004 nog niet op de hoogte was van de onjuistheid van de door eiseres overgelegde telgegevens. Verweerder was derhalve wat dat betreft bevoegd de rijksbijdrage over de bekostigingsjaren 2002, 2003 en 2004 op de grond van artikel 4:49, eerste lid, onder a van de Awb gewijzigd vast te stellen.

Gelet op het bepaalde in artikel 4:49, tweede lid, van de Awb en op het feit dat in het bestreden besluit daaromtrent niets is bepaald, stelt de rechtbank vast dat de onderhavige wijzingen terug werken tot en met het tijdstip waarop de subsidie is vastgesteld.

Tevens stelt de rechtbank vast dat de onderhavige wijzigingen hebben plaatsgevonden binnen de in het derde lid van artikel 4:49 van de Awb bedoelde termijn van jaren.

Nu vaststaat dat verweerder bevoegd was de rijksbijdrage over de jaren 2002, 2003 en 2004 ten nadele van eiseres met terugwerkende kracht te wijzigen op grond van artikel 4:49, van de Awb, dient in dit verband thans nog de vraag te worden beantwoord of verweerder in redelijkheid van deze hem toekomende bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

Naar het oordeel van der rechtbank is er evenwel geen sprake van feiten of omstandigheden die moeten leiden tot de conclusie dat verweerder niet in redelijkheid van deze bevoegdheid tot wijziging gebruik heeft kunnen maken.

Ingevolge artikel 4:57 van de Awb kunnen onverschuldigd betaalde subsidiebedragen worden teruggevorderd voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld nog geen vijf jaren zijn verstreken.

Hierboven is geoordeeld dat het besluit tot wijziging van de subsidiebedragen over de jaren 2002, 2003 en 2004 in rechte stand kan houden. Dit houdt tevens in dat geoordeeld moet worden dat de desbetreffende bedragen onverschuldigd zijn betaald als bedoeld in artikel 4:57 van de Awb.

Aangezien de terugvordering voorts heeft plaatsgevonden binnen de termijn van vijf jaren na de dag waarop de onderhavige subsidiebedragen zijn vastgesteld, was verweerder bevoegd tot terugvordering van deze subsidiebedragen over te gaan.

Eiseres heeft in dit verband aangevoerd dat haar wordt verweten dat zij desbetreffende 3.592 deelnemers niet het volledige cursusgeld in rekening heeft gebracht. De schade die hierdoor is ontstaan bedraagt maximaal het gederfde cursusgeld. Dat bedrag staat volgens eiseres in geen enkele verhouding tot het bedrag dat wordt teruggevorderd. Eiseres heeft niet opzettelijk zo gehandeld met het oogmerk de instelling financieel te verrijken. Nu de invordering zulk een hoog bedrag vormt zal dit zeer verstrekkende gevolgen hebben voor de wijze waarop eiseres haar maatschappelijke taken kan invullen. Dit is in strijd met het beginsel van proportionaliteit.

Voorts is niet voldaan aan het evenredigheidsbeginsel. Verweerder hanteert de gedragslijn dat, indien kan worden aangetoond dat het bevoegd gezag het verschuldigd cursusgeld uit eigen middelen heeft betaald, niet wordt overgegaan tot terugvordering. De gevolgen van een correctie zijn onder deze omstandigheden voor eiseres onevenredig, in de zin van artikel 3:4 van de Awb, in verhouding tot de met de correctie te dienen doelen.

Verweerder heeft als volgt op het door eiser gestelde gereageerd.

Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat voor een indringende toets aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb geen ruimte is in gevallen waarin het de uitoefening van een

bevoegdheid betreft, die geen verdergaande strekking heeft dan het bewerkstelligen van een juiste toepassing van de wettelijke voorschriften. (Zie ABRS 11 juli 2002, AB 2000, 245 en ABRS 8 februari 2000, AB 2000, 91.) Het door eiseres aangevoerde kan niet afdoen aan de constatering dat eiseres als gevolg van het niet naleven van de relevante regelgeving ten onrechte over de betreffende jaren bekostiging heeft genoten.

Onevenredig is de terugvordering niet, aangezien het schaarse middelen uit ’s Rijks kas betreft, die eigenlijk over andere onderwijsinstellingen verdeeld hadden moeten worden.

De rechtbank oordeelt als volgt.

In aansluiting bij hetgeen de Afdeling in de reeds eerder genoemde uitspraak van 14 februari 2007 heeft overwogen is de rechtbank in onderhavige zaak tevens van oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen komen tot de omstreden terugvordering van de ten onrechte aan eiseres betaalde bedragen op grond van artikel 4:57 van de Awb. In een geval als het onderhavige, waarin herstel van de rechtmatige situatie wordt beoogd, kan niet worden geoordeeld dat verweerder beslissende betekenis had moeten toekennen aan de stelling van eiseres dat zij beschikte over voldoende privaat vermogen om de betrokken cursusgelden te voldoen. Gelet op evenvermeld oogmerk komt ook aan de stelling dat het terug te vorderen bedrag niet in verhouding staat tot het bedrag aan ten onrechte niet in rekening gebracht cursusgeld en de stelling dat eiseres niet opzettelijk heeft gehandeld, niet de betekenis toe die eiseres daaraan gehecht wenst te zien.

Op grond van het voorgaande kan het bestreden besluit in stand blijven. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Hetgeen meer of anders is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

Er bestaat geen aanleiding te bepalen dat de proceskosten of het griffierecht moeten worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. P.H.C.M. Schoemaker als voorzitter en mr. A.A.H. Schifferstein en

mr. L.C. Michon als leden in tegenwoordigheid van mr. E.A. Vermunt als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2007.