Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA6779

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
11-06-2007
Zaaknummer
AWB 07/356
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2008:BC3629, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestursdwang om de opslag van tractoren en onderdelen daarvan te staken en gestaakt te houden.

Geslaagd beroep op overgangsrecht brengt mee dat er geen bevoegdheid is om te handhaven middels de oplegging van een last onder dwangsom; beroep op overgangsrecht vastgesteld aan de hand van ter zitting afgelegde getuigenverklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/356

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2007

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. P.J.G. Goumans,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne,

verweerder,

gemachtigden M. van der Hoven en mr. L.A. Pronk.

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2005, voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft verweerder eiser aangeschreven om binnen twaalf weken, gerekend vanaf de verzenddatum van bedoeld besluit, de opslag van tractoren en onderdelen daarvan aan de [adres] te [woonplaats] te staken en gestaakt te houden. Daarbij heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat, indien hij voor genoemde termijn de overtreding niet heeft beëindigd, een dwangsom wordt verbeurd van € 5.000,00 voor elke maand dat verzoeker in gebreke blijft te voldoen aan de aanschrijving, met een maximum van € 250.000,00.

Tegen dit besluit heeft verzoeker op 6 januari 2006 beroep ingesteld. Bij brief van 31 januari 2006 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht ter zake een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 20 maart 2006 heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:86 van de Awb het beroep van eiser gegrond verklaard, het besluit van 30 november 2005 vernietigd en bepaald dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit dient te nemen.

Bij besluit van 17 januari 2007, verzonden 19 januari 2007, heeft verweerder eiser aangeschreven om binnen zestien weken na de datum van verzending van dit besluit de opslag van tractoren en onderdelen daarvan op het perceel aan de [adres] te [woonplaats] te staken en gestaakt te houden. Daarbij is eiser een dwangsom opgelegd van € 5.000,00 voor elke maand dat de overtreding na de gestelde termijn van 16 weken voortduurt met een maximum van € 250.000,00.

Bij brief van 1 februari 2007 heeft tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld ter zitting van 11 april 2007, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Ter zitting zijn tevens een zevental door eiser meegebrachte getuigen gehoord.

Overwegingen

1. In dit geding is aan de orde de vraag of verweerder bij besluit van 17 januari 2007 op goede gronden eiser onder oplegging van een dwangsom heeft gelast de opslag van tractoren en onderdelen daarvan aan de [adres] te [woonplaats] te staken en gestaakt te houden.

2. Met het thans bestreden besluit heeft verweerder beoogd een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 maart 2006, strekkende tot vernietiging van verweerders besluit van 30 november 2005. In deze uitspraak is overwogen dat aan de in genoemd besluit neergelegde last ten onrechte geen onderscheid is gemaakt tussen het gebruik van de gronden en het gebruik van de zich daarop bevindende opstallen, zulks terwijl de aan de last ten grondslag gelegde gebruiksvoorschriften van het geldende bestemmingsplan uitsluitend betrekking hebben op het gebruik van gronden. Aldus was de aanschrijving niet voldoende duidelijk en daarmee in strijd met artikel 5:24, tweede lid, van de Awb. In deze uitspraak is voorts geoordeeld dat verweerder bij de beantwoording van de vraag of de activiteiten waarop de last betrekking had, worden bestreken door het van het geldende bestemmingsplan deel uitmakende overgangsrecht ten onrechte 30 juni 1981 als peildatum heeft gehanteerd in plaats van 12 juni 1986.

Verder is in deze uitspraak overwogen dat verweerder bij het na vernietiging nemen van een nieuw besluit uitdrukkelijk zal dienen in te gaan op de door eiser aangedragen schriftelijke verklaringen en andere bescheiden ter onderbouwing van zijn stelling dat hij reeds op 12 juni 1986 de gewraakte activiteiten op zijn perceel uitoefende.

3. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder aan het thans bestreden besluit de overtreding door eiser van zowel gebruiksvoorschriften met betrekking tot het gebruik van gronden als gebruiksvoorschriften met betrekking tot het gebruik van opstallen ten grondslag heeft gelegd. Daarmee is - naar door eiser ook niet wordt betwist - van schending van artikel 5:24, tweede lid, van de Awb niet langer sprake. Voorts heeft verweerder bij de beantwoording van de vraag of de gewraakte activiteiten worden bestreken door de beschermende werking van het overgangsrecht thans 12 juni 1986 als relevante peildatum gehanteerd. Gelet hierop zijn de desbestreffende gebreken, zoals geconstateerd in voormelde uitspraak van 20 maart 2006, geheeld.

4. Partijen houdt thans onder meer - en vooral - nog verdeeld het antwoord op de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gewraakte activiteiten strijdig zijn met de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan en niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht vallen.

5. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

6. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied” heeft het perceel aan de [adres] te [woonplaats] de bestemming “Agrarisch bouwblok A (met woning)”

Ingevolge artikel 11, lid B (met als opschrift “Ander gebruik van de grond”), eerste lid, eerste volzin, van de van dit plan deel uitmakende voorschriften is het verboden de als zodanig bestemde gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge de tweede volzin van dit artikellid, aanhef en onder d, wordt tot een met de bestemming strijdig gebruik in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden voor het ten verkoop opslaan van landbouwwerktuigen of onderdelen daarvan.

Ingevolge artikel 11, lid C (met als opschrift “Gebruik van opstallen”), eerste lid, eerste volzin, van de planvoorschriften is het verboden bouwwerken op als zodanig bestemde gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge de tweede volzin van dit artikellid, aanhef en onder a, wordt tot een met de bestemming strijdig gebruik van de bouwwerken in ieder geval gerekend de uitoefening van enige tak van handel en/of bedrijf met uitzondering van een agrarisch bedrijf.

7. Ingevolge artikel 41, lid B, onder 1, van de planvoorschriften, mag het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het plan bestaande gebruik van gronden (anders dan bebouwing) en opstallen, dat met het in het plan aangewezen gebruik in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge het bepaalde onder 2 van dit artikellid is het verboden het onder 1 bedoelde gebruik van gronden en opstallen te wijzigen, tenzij door wijziging van het gebruik de afwijking van het plan niet wordt vergroot.

8. De rechtbank zal allereerst ingaan op eisers betoog dat - anders dan verweerder meent - geen sprake is van gebruik in strijd met artikel 11, lid B, tweede volzin, aanhef en onder d, van de voornoemde planvoorschriften, aangezien tractoren niet kunnen worden aangemerkt als landbouwwerktuigen. Dit betoog faalt. Gelet op het algemene spraakgebruik dienen onder landbouwwerktuigen ook tractoren te worden begrepen. Nu een definitie van het begrip landbouwwerktuig in het onderhavige bestemmingsplan ontbreekt, dient bij dit algemene spraakgebruik worden aangesloten. Daarbij is in aanmerking genomen dat ook niet valt in te zien waarom de planwetgever zou hebben beoogd in het onderhavige voorschrift een onderscheid te maken tussen landbouwwerktuigen in de door eiser bepleite beperkte zin en tractoren, die er volgens eiser slechts toe dienen landbouwwerktuigen voort te bewegen.

9. Evenzeer faalt eisers betoog dat de gewraakte activiteiten niet strijdig zijn met artikel 11, lid C, tweede volzin, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Anders dan eiser meent kan de opslag van tractoren en onderdelen daarvan niet los worden gezien van de handel daarin ten behoeve waarvan die opslag plaatsvindt. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van de ingevolge voormeld voorschrift verboden uitoefening van enige tak van handel, niet zijnde een agrarisch bedrijf.

10. Vervolgens is de vraag aan de orde of de door verweerder gewraakte activiteiten op grond van het van het bestemmingsplan deel uitmakende overgangsrecht zijn toegestaan. Zoals gezegd is daarbij van belang in hoeverre deze activiteiten reeds plaatsvonden op 12 juni 1986.

11. Naar verweerder op zichzelf terecht heeft aangevoerd is het aan eiser om aannemelijk te maken dat hij met vrucht een beroep op het overgangsrecht kan doen. Anders dan verweerder is de rechtbank evenwel van oordeel dat eiser daarin is geslaagd. Daartoe wordt het volgende overwogen.

12. Eiser heeft voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit aan verweerder een vijftal schriftelijke verklaringen overgelegd van getuigen, waarvan de strekking is dat eiser reeds ten tijde van voormelde peildatum op zijn perceel bedrijfsmatig in tractoren handelde, waarbij sprake was van een aanzienlijke handelsvoorraad. Voorts heeft eiser daarbij boekhoudkundige gegevens, afkomstig van Belastingconsulent Administratiekantoor [consulent] te [plaats], overgelegd met betrekking tot de handelsvoorraad over de jaren 1980, 1981, 1984, en 1986. Voorts heeft hij gegevens overgelegd met betrekking tot de handelsvoorraad over het jaar 1993, afkomstig van Administratie en Belastingadviesburo Reintjes. In de onderhavige beroepsprocedure heeft eiser nog een zestiental aanvullende schriftelijke getuigenverklaringen overgelegd van, kort gezegd, overeenkomstige strekking als de eerder overgelegde verklaringen.

Ter zitting zijn voorts de navolgende, door eiser meegebrachte getuigen onder ede gehoord:

- [consulent te [plaats];

- [zes getuigen]

13. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de gedingstukken en de ter zitting onder ede afgelegde getuigenverklaringen in voldoende mate is komen vast te staan dat op de peildatum op het onderhavige perceel sprake was van handel in tractoren in een als bedrijfsmatig te kenschetsen omvang. Hoewel de getuigenverklaringen niet exact met elkaar overeenkomen acht de rechtbank mede op grond van die verklaringen voldoende aannemelijk gemaakt dat ten tijde van belang sprake was van een situatie waarin ten behoeve van de tractorhandel steeds een min of meer constante voorraad van 80 tractoren in de bedrijfsgebouwen aanwezig was en daarnaast nog eens 20 tractoren buiten op het perceel. Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat, voor zover de handel in tractoren door eiser niet geïntensiveerd in die zin dat sedert de peildatum meer dan genoemde aantallen tractoren ten verkoop aanwezig waren, sprake is van gebruik van de grond en de opstallen dat valt onder de beschermende werking van het overgangsrecht.

14. Hetgeen verweerder daartegen heeft aangevoerd kan daaraan niet afdoen. Hoewel de getuigenverklaringen, zoals in het vorenstaande reeds is aangegeven, niet geheel gelijkluidend zijn, met name wat de aantallen tractoren betreft die als handelsvoorraad aanwezig waren, komen deze voor het overige zodanig overeen dat in die verschillen, anders dan ter zitting zijdens verweerder is betoogd, onvoldoende grond is gelegen om aan die verklaringen geen geloof te hechten. Hetzelfde geldt voor de door verweerder gestelde vaagheid van de verklaringen omtrent de aantallen aanwezige tractoren.. Mede gelet op het tijdsverloop is het niet verwonderlijk dat de getuigen doorgaans geen exacte aantallen hebben kunnen noemen en slechts een schatting hebben gemaakt. Ook het feit dat het merendeel van de getuigen zakenrelaties van eiser zijn, maakt, anders dan door verweerder is betoogd, niet dat daarom aan de objectiviteit van de door hen afgelegde verklaringen moet worden getwijfeld. Juist het feit dat het om zakenrelaties gaat maakt dat zij uit eigen waarneming omtrent de bedrijfsvoering van eiser kunnen verklaren. Daarbij komt dat door eiser een aantal boekhoudkundige gegevens zijn overgelegd, afkomstig van Belastingconsulent Administratiekantoor [consulent] te [plaats], die steun bieden aan de door deze getuigen afgelegde verklaringen. Mede gelet op hetgeen ter zitting door de getuige [consulent] omtrent de totstandkoming van die stukken is verklaard, ziet de rechtbank onvoldoende reden om aan de juistheid van hetgeen in die stukken omtrent de handelsvoorrraad is verklaard, te twijfelen. Met name acht de rechtbank het weinig waarschijnlijk dat deze stukken reeds destijds valselijk zijn opgemaakt met als oogmerk het op een later moment onderbouwen van een beroep op het overgangsrecht. Van enig ander motief tot het valselijk opmaken van deze verklaringen is de rechtbank niet gebleken.

Ook het feit dat eiser blijkens een door verweerder overgelegd rapport van een milieucontrole op 20 juni 1995 tegenover de controlerend ambtenaar zou hebben verklaard op het onderhavige perceel geen tractorhandel te hebben, doet naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk aan hetgeen de getuigen hebben verklaard. Daargelaten of en, zo ja, met welk motief eiser deze uitlating heeft gedaan - ter zitting is hierover onvoldoende duidelijkheid verkregen - kan er namelijk niet aan voorbij worden gezien dat in hetzelfde controlerapport wordt vermeld dat op het perceel veel meer tractoren aanwezig zijn dan voor een normaal agrarisch bedrijf nodig is. Daarbij komt dat het rapport betrekking heeft op een tijdstip, gelegen ver na de peildatum van 12 juni 1986.

Tot slot kunnen ook de door verweerder getoonde luchtfoto’s onvoldoende afdoen aan hetgeen de getuigen hebben verklaard. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze foto’s dat deze geen duidelijk inzicht verschaffen omtrent de omvang van de gewraakte activiteiten ten tijde van de peildatum. Zo geven zij in het geheel geen uitsluitsel over de aanwezigheid van tractoren in de aanwezige bedrijfsbebouwing, die daarop immers niet kan worden waargenomen. Ten aanzien van de omvang van de buiten op het perceel aanwezige bedrijfsvoorraad ten tijde van de peildatum, bieden de luchtfoto’s evenmin voldoende houvast. Gelet op de aanwezigheid van een aantal bomen op het perceel alsmede de schaduwwerking die van die bomen uitgaat acht de rechtbank het niet uitgesloten dat daardoor (een deel van) de ten tijde hier van belang aanwezige tractoren niet valt waar te nemen. Hierbij is voorts in aanmerking genomen dat ter zitting door eiser een aantal, kennelijk uit diens “familiealbum” afkomstige foto’s zijn getoond, waarop buiten op het perceel een aanzienlijk aantal, kennelijk ten verkoop uitgestalde tractoren is te zien. Gelet op de daarop ter zitting gegeven toelichting acht de rechtbank het aannemelijk dat deze foto’s zijn gemaakt in of rond de periode hier van belang.

15. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder niet bevoegd was eiser te gelasten aan te schrijven de opslag van tractoren, voorzover die niet uitgaat boven hetgeen hiervoor is verwoord, te staken. Het bestreden besluit is derhalve genomen in strijd met artikel 125, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet in samenhang met de artikelen 5:21, 5:22 en 5:32, eerste lid, van de Awb. Het beroep is derhalve gegrond, zodat het besluit zal worden vernietigd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeven de overige grieven van eiser geen bespreking.

16. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

17. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door verweerders gemeente het door eiser gestorte griffierecht ad € 141,00 dient te worden vergoed.

18. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten begroot op € 644,00;

- wijst de gemeente Deurne aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden;

- gelast dat de gemeente Deurne het door eiser gestorte griffierecht ad € 141,00 vergoedt.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.F.P. Smeets, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: