Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA5547

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-05-2007
Datum publicatie
23-05-2007
Zaaknummer
AWB 07/1577
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De vraag die partijen verdeeld houdt is of verweerder met inachtneming van hetgeen daaromtrent in zijn beleidsregels is bepaald in redelijkheid heeft kunnen besluiten met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling te verlenen om oprichting van de antennemast alsnog mogelijk te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/1577

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 mei 2007

inzake

[verzoeker],

te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. M.G.H. Vogels,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haaren,

verweerder,

gemachtigden ing. G. Leeuw en I.M.M. Visser.

Als belanghebbende partij ingevolge artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aan het geding deelgenomen:

Orange Nederland N.V., te Den Haag, vergunninghoudster, gemachtigde U. Dannijs.

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2007 heeft verweerder Orange Nederland N.V. met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) lichte bouwvergunning verleend voor het oprichten van een antennemast voor telecommunicatiedoeleinden op het perceel plaatselijk bekend Nemelaerstraat ongenummerd (bij nr. 24), te Haaren.

Bij brieven van 7 mei 2007 heeft verzoeker tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht ter zake van dit besluit een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

Bij uitspraak van 8 mei 2007 heeft de voorzieningenrechter het besluit van 1 mei 2007 met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb geschorst.

De zaak is op 15 mei 2007 behandeld ter zitting om te beoordelen of de uitgesproken schorsing moet worden opgeheven, alwaar verzoeker is verschenen bij gemachtigde en verweerder en vergunninghoudster zich hebben doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of aanleiding bestaat om de bij uitspraak van 8 mei 2007 uitgesproken schorsing van verweerders besluit van 1 mei 2007 tot het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO en bouwvergunning aan Orange Nederland N.V. op te heffen als bedoeld in artikel 8:87, eerste lid, van de Awb.

2. De voorzieningenrechter gaat bij de beantwoording van die vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3. Orange Nederland N.V. heeft de onderhavige antennemast nodig om voldoende dekking binnen de gemeente Haaren te kunnen garanderen. Orange Nederland N.V. beschikte eerder over een tijdelijke bouwvergunning voor een antennemast aan het Sportlaantje te Haaren, welke bouwvergunning op 12 april 2005 is geëxpireerd. De locatie Nemelaerstraat ongenummerd, waar de antennemast thans dient te komen, is op een sportpark en op afstand van ongeveer 155 meter van verzoekers woning aan de [adres] gelegen.

De antennemast is 39,90 meter hoog.

4. Verzoeker heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat verweerder in strijd met zijn beleidsregels inzake de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling heeft verleend voor de onderhavige antennemast, nu de antennemast niet in samenhang met bestaande bebouwing noch op een bedrijventerrein of langs rijkswegen dan wel langs andere belangrijke wegstructuren wordt geplaatst en op de onderhavige locatie evenmin sprake is van fors en blijvend groen als voor- en/of achtergrond.

Verzoeker heeft voorts gewezen op een aantal onderzoeksrapporten over de gevolgen van straling van antennemasten voor omwonenden en is van mening dat verweerder vanwege de mogelijk schadelijke gezondheidseffecten van dergelijke antennemasten zijn medewerking aan het oprichten van een antennemast op de onderhavige locatie had moeten weigeren. Door toch medewerking te verlenen aan oprichting van de antennemast op onderhavige locatie, handelt verweerder volgens verzoeker in strijd met het voorzorgsbeginsel, neergelegd in artikel 174 van het EG-verdrag en het recht op een goede lichamelijke en geestelijke gezondheid, neergelegd in artikel 12 van het Internationale Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. De keuze voor de onderhavige locatie is bovendien onevenredig bezwarend, omdat er een geschikte locatie voor de antennemast bestaat aan de [straat], waar zich geen of minder woningen bevinden. Verzoeker is van mening dat verweerder het gezondheidsbelang van omwonenden moet laten prevaleren boven het commerciële belang van Orange Nederland N.V. bij het kunnen realiseren van de antennemast, zolang niet vaststaat dat schadelijke effecten daarvan voor de gezondheid van omwonenden zijn uitgesloten.

5. Verweerder heeft vooropgesteld dat bij het zoeken naar een nieuwe locatie niet alleen rekening moet worden gehouden met de randvoorwaarden die in de beleidsregels zijn geformuleerd, maar ook naar een aantal andere aspecten, zoals netwerkeisen en bereikbaarheid, moet worden gekeken. Verweerder heeft aangegeven dat uit onderzoek naar verschillende locaties binnen de kern Haaren is gebleken dat de locatie op het sportpark aan de Nemelaerstraat wat dat betreft het meest geschikt is voor het plaatsen van de antennemast. Verweerder heeft toegelicht dat deze locatie op beperkte afstand van de huidige locatie in een zeer groene omgeving en in de buurt van bestaande bebouwing ligt en daarnaast goed bereikbaar is.

Verweerder is voorts van mening dat het plaatsen van de antennemast op de locatie aan de Nemelaerstraat niet in strijd is met het voorzorgsbeginsel, nu uit de door verzoeker genoemde onderzoeken alsook uit navraag bij daarvoor aangestelde en ter zake deskundige instanties zoals de GGD, de Wereldgezondheidsorganisatie en de Gezondheidsraad niet blijkt van bewezen schadelijke gevolgen voor de gezondheid van omwonenden.

6. Het wettelijk kader is als volgt.

7. Ingevolge artikel 44, eerste lid en onder c, van de Ww mag een reguliere bouwvergunning alleen en moet deze worden geweigerd, indien -kort samengevat- het bouwwerk in strijd is met het bestemmingsplan. Ingevolge artikel 44, derde lid, van de Ww geldt deze weigeringsgrond ook in het geval een lichte bouwvergunning is vereist.

8. Ingevolge het bestemmingsplan “Haaren West” heeft het perceel Nemelaerstraat ongenummerd de bestemming “Rekreatieve doeleinden”.

9. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften zijn gronden met deze bestemming bestemd voor aktieve rekreatie zoals een manege, sportterreinen, tennisbanen en een jeugdcircus alsmede voor parkeren.

10. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de planvoorschriften zijn op gronden als bedoeld in het eerste lid uitsluitend gebouwen ten dienste van de bestemming en daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen toegestaan.

11. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

12. In artikel 20, eerste lid, en onder f, van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 is bepaald dat voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking komt een antenne-installatie als bedoeld in het Besluit bouwvergunningsvrije en lichtbouwvergunningplichtige bouwwerken, in de bebouwde kom, mits de antenne, of indien de antenne is geplaatst op een antennedrager als bedoeld in dat besluit, de hoogte van de antennedrager en de antenne tezamen, gemeten van de voet van de antenne, respectievelijk de antennedrager niet meer is dan 40 meter.

13. Ingevolge verweerders beleidsregels omtrent de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO -voor zover hier van belang- dienen bij het verlenen van een vrijstelling voor een antenne-installatie als bedoeld in het Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, in de bebouwde kom de volgende randvoorwaarden in acht te worden genomen:

a. geen antennes plaatsen op woongebouwen;

b. uitgangspunt is site-sharing;

c. voorkeur voor plaatsing in samenhang met (eventuele) bestaande bebouwing;

d. voorkeur voor plaatsing in nabijheid van fors en blijvend groen als voor- en/of achtergrond. Eén rij beplanting met volwassen populieren voldoet hier niet aan;

e. voorkeur voor plaatsing op bedrijventerrein of langs rijkswegen en evt. andere belangrijke wegenstructuren met inachtneming van het hierbovenstaande;

f. geen antennemasten binnen een ecologische hoofdstructuur of er tegenaan dan wel binnen natuurgebieden;

g. geen antennemasten in gebieden waarvan de landschappelijke waarde is gelegen in de openheid;

h. geen plaatsing in de directe nabijheid van beeldbepalende/monumentale panden die tot verstoring van het beeld leidt, behoudens een positief advies van de welstandscommissie.

14. Tussen partijen is niet in geschil dat de antennemast licht bouwvergunningplichtig is en voor wat betreft de gekozen locatie in strijd met het bestemmingsplan is. De vraag die partijen verdeeld houdt is of verweerder met inachtneming van hetgeen daaromtrent in zijn beleidsregels is bepaald in redelijkheid heeft kunnen besluiten met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling te verlenen om oprichting van de antennemast alsnog mogelijk te maken.

15. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat verweerder de vrijstelling met

inachtneming van zijn beleidsregels heeft verleend.

16. Zoals verweerder heeft toegelicht, zijn de in de beleidsregels opgenomen randvoorwaarden te onderscheiden in dwingend geformuleerde voorwaarden, waarvan in beginsel niet kan worden afgeweken, en voorwaarden, waarin slechts een voorkeur of richtlijn is neergelegd, waarmee zoveel mogelijk rekening moet worden gehouden maar waarvan onder omstandigheden kan worden afgeweken. Waar verzoeker heeft gesteld dat verweerder bij zijn keuze voor de onderhavige locatie in strijd heeft gehandeld met de voorwaarden onder c tot en met e, is hij eraan voorbij gegaan dat deze voorwaarden niet imperatief zijn geformuleerd en verweerder hiervan bij zijn keuze voor een locatie voor de antennemast, mits deugdelijk gemotiveerd, kan afwijken.

17. In reactie op hetgeen verzoeker heeft gesteld, heeft verweerder aangegeven dat plaatsing van de antennemast op het bedrijventerrein ’t Hopveld dan wel langs rijkswegen of andere belangrijke wegenstructuren geen optie is, omdat deze locaties te ver van de huidige locatie zijn gelegen om voldoende dekking te garanderen, hetgeen de voorzieningenrechter op voorhand niet onaannemelijk acht. Verweerder heeft voorts ter zitting aan de hand van foto’s van het plangebied laten zien dat de locatie aan de Nemelaerstraat temidden van fors en blijvend groen en in de buurt van het bestaande jeu de boules gebouw is gelegen, zodat de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel is dat verweerder met zijn keuze voor de onderhavige locatie aan de Nemelaerstraat ook voor wat betreft de randvoorwaarden c en d binnen zijn beleid is gebleven. Waar verzoeker heeft aangevoerd dat de antennemast direct achter een poort zal worden gerealiseerd en vóór deze poort van fors en blijvend groen derhalve geen sprake kan zijn, is de voorwaarde onder d in de beleidsregels naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aldus geformuleerd dat een antennemast aan alle zijden door groen moet worden omringd.

18. De voorzieningenrechter is verder voorshands van oordeel dat verweerder ook overigens in redelijkheid heeft kunnen besluiten vrijstelling te verlenen voor het oprichten van een antennemast op de locatie aan de Nemelaerstraat. De voorzieningenrechter volgt verzoeker vooralsnog niet in zijn stelling dat deze locatie vanwege mogelijke gezondheidsrisico’s voor omwonenden onevenredig bezwarend moet worden geacht en verweerder zich op grond van het voorzorgsbeginsel van medewerking aan het plaatsen van de antennemast op deze locatie had moeten onthouden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit informatie van ter zake deskundige instanties, zoals de GGD, de World Health Organisation en de Gezondheidsraad noch uit de door verzoeker aangehaalde onderzoeken blijkt van een bewezen relatie tussen GSM/UMTS-antennemasten en schadelijke gevolgen voor de gezondheid van omwonenden, zodat verweerder in dit stadium geen reden behoefde te zien vrijstelling voor een antennemast op onderhavige locatie op grond van gezondheidsaspecten te weigeren.

19. Voor zover verzoeker heeft willen stellen dat de locatie aan de Gever desalniettemin geschikter is voor het oprichten van de antennemast dan de locatie aan de Nemelaerstraat, heeft verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende deugdelijk gemotiveerd dat de locatie aan de Gever vanwege zijn ligging in open gebied met landschappelijke waarden -anders dan de onderhavige locatie- niet aan de beleidsregels voldoet en ook overigens niet geschikt is, nu deze locatie vanwege de afstand tot de huidige locatie niet aan de door de provider gestelde netwerkeisen voldoet.

20. Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de bij besluit van 1 mei 2007 aan Orange Nederland N.V. verleende vrijstelling en bouwvergunning voor het oprichten van een antennemast voor telecommunicatiedoeleinden op het perceel plaatselijk bekend Nemelaerstraat ongenummerd (bij nr. 24), te Haaren in bezwaar stand zal kunnen houden. De voorzieningenrechter zal de bij uitspraak van 8 mei 2007 uitgesproken schorsing van dit besluit daarom opheffen. In verband hiermee bestaat geen aanleiding te bepalen dat de proceskosten of het griffierecht moeten worden vergoed.

21. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- heft de bij uitspraak van 8 mei 2007 uitgesproken schorsing van verweerders besluit van 1 mei 2007 tot verlenen van vrijstelling en bouwvergunning aan Orange Nederland N.V. voor het oprichten van een antennemast voor telecommunicatiedoeleinden op het perceel plaatselijk bekend Nemelaerstraat ongenummerd (nabij nr. 24), te Haaren, op.

Aldus gedaan door mr. L.C. Michon als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.M. Manie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2007.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschriften verzonden: