Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA5409

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-05-2007
Datum publicatie
21-05-2007
Zaaknummer
AWB 06/4506
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WIA, verweerder heeft niet zonder nader onderzoek kunnen concluderen dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/4506

Uitspraak van de meervoudige kamer van 3 mei 2007

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. M.A.M.M. Verspagen

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

te Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde M.J.H. Maas, werkzaam bij het Uwv-kantoor te Eindhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2006 heeft verweerder ingevolge de Wet Werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) met ingang van 5 juni 2006 aan eiser een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) toegekend. Eiser is bij dit besluit volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt geacht.

Het hiertegen namens eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 4 oktober 2006 ongegrond verklaard.

Tegen laatstgenoemd besluit is beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 27 maart 2007, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of verweerder terecht en op goede gronden eiser met ingang van 5 juni 2006 volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt heeft geacht.

2. De rechtbank is bij haar oordeelsvorming uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.

3. Eiser is op 7 juni 2004 uitgevallen voor zijn werk als kwaliteitscontroleur voor 32 uur per week wegens vermoeidheidsklachten, welke, naar later is gebleken, kunnen worden teruggevoerd op een zogenoemd stil hartinfarct dat eiser eerder heeft meegemaakt. Op 11 mei 2006 heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft na onderzoek geconcludeerd dat sprake is van een beperking van de mogelijkheden om te functioneren als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte. De verzekeringsarts heeft een functionele mogelijkhedenlijst opgesteld, waarin onder meer een urenbeperking van twee uur per dag is opgenomen. In de rapportage is opgenomen dat de prognose van de mogelijkheden om te functioneren stationair is, daar reeds over langere tijd geen wijzigingen in de mogelijkheden om te functioneren zijn opgetreden en het medisch beeld van dien aard is dat dit ook niet binnen afzienbare tijd is te verwachten. Voorts heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat herbeoordelingscode 1 geldt, inhoudende dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een significante verbetering van de belastbaarheid is te verwachten. De verzekeringsarts acht een professionele herbeoordeling noodzakelijk in november 2006.

4. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens na onderzoek vastgesteld dat voor eiser geen passende functies zijn te duiden. Op grond daarvan wordt eiser na afloop van de wettelijk voorgeschreven wachttijd, 4 juni 2006, voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt beschouwd. Omdat hij wel volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt wordt geacht, wordt hij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de WGA. Naar aanleiding van het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar alsmede hetgeen hij bij de hoorzitting naar voren heeft gebracht heeft de bezwaarverzekeringsarts vastgesteld dat de rapportage van de verzekeringsarts niet consistent is. Het komt de bezwaarverzekeringsarts voor dat de vermelding onder “prognose van de mogelijkheden om te functioneren” ten onrechte in de rapportage van de verzekeringsarts terecht is gekomen, omdat het hier een (standaard) tekstfragment betreft dat mogelijkerwijs per abuis niet werd bijgesteld door de primaire verzekeringsarts. De toekenning van de herbeoordelingscode 1 en de planning van een heronderzoek over een half jaar zijn volgens de bezwaarverzekeringsarts echter bewust gebeurd, waarmee deze versie van de prognose het feitelijke oordeel van de primaire verzekeringsarts weergeeft. Ook inhoudelijk is de inschatting dat verbeteringen van de belastbaarheid mogen worden verwacht volgens de bezwaarverzekeringsarts terecht, nu de urenbeperking van twee uur per dag naar de mening van de bezwaarverzekeringsarts erg fors is in relatie tot het dagverhaal. De bezwaarverzekeringsarts komt tot de conclusie dat de primaire verzekeringsarts terecht heeft geoordeeld dat eisers huidige beperkingen geen blijvend karakter hebben. Derhalve is volgens de bezwaarverzekeringsarts geen uitkering ingevolge de inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) aan de orde maar een uitkering ingevolge de WGA.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Het is voor eiser een raadsel hoe een medicus op basis van het feitencomplex tot de conclusie heeft kunnen komen dat verbetering van de belastbaarheid mag worden verwacht en dat de urenbeperking erg fors is in relatie tot het dagverhaal. Bovendien acht eiser het standpunt dat de primaire verzekeringsarts per abuis een tekst heeft ingevoegd en de betreffende prognose kennelijk op een vergissing berust niet overtuigend. Eiser heeft het rapport van de bezwaarverzekeringsarts voorgelegd aan revalidatiearts W.C.G. Blanken. Deze heeft in zijn rapportage zonneklaar bevestigd dat de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts gebrekkig is. De revalidatiearts heeft onder andere erop gewezen dat er geen eigen onderzoek is verricht en ook geen informatie is opgevraagd bij de behandelend artsen. Verder acht eiser een toename van de belastbaarheid, gelet op de aard van zijn aandoeningen, niet reëel. De revalidatiearts heeft aangegeven dat de arteriosclerotische afwijkingen in de toekomst alleen maar toe zullen nemen en dat de pompfunctie zich niet zal herstellen.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. In het tweede lid van artikel 4 van de WIA is bepaald dat onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Ingevolge het derde lid van artikel 4 van de WIA wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

7. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit is de rechtbank van oordeel dat bij de voorbereiding van het bestreden besluit door verweerder op een essentieel onderdeel niet de vereiste zorgvuldigheid in acht is genomen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 21 december 2006 de conclusies van revalidatiearts W.C.G. Blanken heeft onderschreven dat de ateriosclerotische afwijkingen en de verminderde pompfunctie van het hart in de toekomst geen verbeteringen te zien zullen geven, in zoverre dat het ziekteproces als zodanig inderdaad geen verbeteringen te zien zal geven. De bezwaarverzekeringsarts heeft echter ook opgemerkt dat wanneer alsnog (vaat)chirurgisch zal worden ingegrepen, een aanmerkelijke verbetering van de belastbaarheid is te verwachten. De behandelend cardioloog heeft hierop in zijn schrijven van 12 maart 2007 aangegeven dat de vraag of een operatie aan de buikaorta/bekkenslagaders op de lange termijn tot de mogelijkheden behoort en een verbetering van de conditie kan geven, niet bij hem hoort, maar bij de vaatchirurg. De cardioloog heeft geadviseerd het oordeel van vaatchirurg dr. Ph.W.M. Cuypers te vragen. Voorts heeft de cardioloog in zijn schrijven aangegeven dat indien de beperkingen uitsluitend zijn toe te schrijven aan de hart- en vaatafwijkingen, het niet in de rede ligt te veronderstellen dat in deze toestand verbetering zal optreden. De cardioloog heeft erop gewezen dat de vaatchirurg tot dusverre geen indicatie zag voor ingrijpen. Daarbij heeft hij aangegeven dat atherosclerose en/of arteriosclerose chronische kwalen zijn, waarvan eerder een verslechtering dan een verbetering is te verwachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft hierop gereageerd door middel van zijn, ter zitting overgelegde, rapportage van 23 maart 2007. De bezwaarverzekeringsarts heeft in dit schrijven het volgende vermeld:

“De vaatchirurg zag inderdaad totnogtoe geen aanleiding hiertoe, echter de overwegingen hiertoe zijn niet bekend. Ik sluit niet uit dat de vaatchirurg de situatie m.b.t. de bloedvoorziening van de benen nog niet als ernstig genoeg inschatte, als gevolg waarvan er nog geen indicatie bestond om chirurgisch in te grijpen. Terecht verwijst de cardioloog voor de beantwoording van de vraag of een operatie aan de buikaorta en/of de bekkenslagaders in de toekomst tot de mogelijkheden behoort en of een dergelijke ingreep tot verbetering van de belastbaarheid zou kunnen leiden naar de vaatchirurg. Hoewel gemachtigde anders lijkt te suggereren is diens visie niet bekend: vooralsnog zag deze weliswaar geen aanleiding tot een vaatoperatie, echter de conclusie dat zulks ook in de toekomst niet aan de orde zou zijn acht ik prematuur en onjuist.”

8. De rechtbank is van oordeel dat het betoog van de bezwaarverzekeringsarts dermate veel onzekerheden en speculaties bevat dat verweerder niet zonder nader onderzoek heeft kunnen concluderen dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Het had gelet hierop, alsmede gelet op het advies van de cardioloog, op de weg van de bezwaarverzekeringsarts gelegen om nadere informatie op te vragen bij de behandelend vaatchirurg. Nu dit is nagelaten berust het bestreden besluit, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet op een voldoende zorgvuldig onderzoek en ontbeert het, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, een deugdelijke motivering.

9. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

10. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door het Uwv aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 38,00 dient te worden vergoed.

11. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 38,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. Y.S. Klerk als voorzitter en mr. M. Lammers en mr. J.H.L.M. Snijders als leden in tegenwoordigheid van drs. M.T. Petersen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2007.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: