Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA5403

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-05-2007
Datum publicatie
21-05-2007
Zaaknummer
AWB 06/3976
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij besluit van 21 juli 2006 vrijstelling verleend ten behoeve van de reconstructie van het knooppunt A50-A58 (Ekkersrijt). Eiser is eigenaar van een perceel in Son en Breugel waar hij woonachtig is. Zijn woning bevindt zich op korte afstand van de snelweg A50. Het perceel ligt op ruim 3 kilometer afstand van het te reconstrueren knooppunt. Voor het antwoord op de vraag of eiser als belanghebbende kan worden aangemerkt is van belang of op voorhand kan worden uitgesloten dat het bestreden besluit als zodanig voor eiser nadelige effecten door verkeerstoeneming met zich zal brengen. De rechtbank is van oordeel dat zulks het geval is.

Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/3976

Uitspraak van de meervoudige kamer van 21 mei 2007

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Son en Breugel,

verweerder,

gemachtigden mr. F.M.G.M. Leyendeckers en mr. H.A Samuels Brusse.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister), gemachtigde mr. J.F.L. Geboers.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2006 heeft verweerder aan de Minister van Verkeer en Waterstaat vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ten behoeve van de reconstructie van het knooppunt A50-A58 voor zover het de niet-bouwvergunningplichtige activiteiten betreft en voor zover deze reconstructie in strijd is met de bestemmingsplannen ‘Industrieterrein Ekkersrijt’, ‘Ekkersrijt West’, ‘A50, omlegging Son’ en ‘A50, omlegging Son herziening 1999’.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, welk verzoek de voorzieningenrechter bij uitspraak van 24 november 2006 heeft toegewezen in die zin dat het besluit van 21 juli 2006 is geschorst.

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep gevoegd met het beroep inzake nr. AWB 06/3974 behandeld op 12 januari 2007. Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde verweerder de gelegenheid te geven alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Zulks is gebeurd op 12 februari 2007.

Eiser heeft bij brief van 3 maart 2007 op de overgelegde stukken gereageerd. De Minister heeft een reactie ingediend op 6 april 2007. Verweerder heeft op gelijke datum een verweerschrift ingediend. Op 12 april 2007 heeft verweerder twee notities ingediend van TNO, getiteld ‘Concentratiedwarsprofiel langs de A50 (ter hoogte van km 101,0)’ en ‘Luchtkwaliteit knooppunt A50-A58 (2010 en 2020)’.

De behandeling van het beroep is voortgezet ter zitting van 23 april 2007, waar eiser is verschenen in persoon. Verweerder is verschenen bij gemachtigden, vergezeld van J. Overbeek, wethouder, en E. de Bruijn, werkzaam bij verweerders gemeente. De Minister is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van ir. F.M.W. Fieman, ing. P.J.A.M. Veeke, en ing. G. Eijkelenboom.

Overwegingen

1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 juli 2006. Verweerder heeft betwist dat eiser belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daartoe stelt verweerder dat eiser op een afstand van 3 kilometer van het te reconstrueren knooppunt woont. Verweerder meent voorts dat eiser geen in voldoende mate van anderen te onderscheiden persoonlijk belang heeft vanwege het enkele feit dat eiser stelt nadeel te ondervinden van het project, zoals een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van zijn woning.

2. Eiser is eigenaar van het perceel [adres] te [woonplaats] waar hij woonachtig is. Zijn woning bevindt zich op korte afstand van de snelweg A50. Het perceel ligt op ruim 3 kilometer afstand van het te reconstrueren knooppunt waarop het litigieuze vrijstellingsbesluit betrekking heeft. Eiser vreest dat de reconstructie zal leiden tot meer verkeer op de A50 ter hoogte van zijn woning. Dat resulteert volgens eiser in een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse en meer geluidhinder van motorvoertuigen.

3. Voor het antwoord op de vraag of eiser als belanghebbende kan worden aangemerkt, heeft de rechtbank zich laten leiden door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 8 februari 2006 (nr. 200505278/1, LJN: AV1241) en zich de vraag gesteld of, in aanmerking genomen de afstand van eisers perceel tot het te reconstrueren knooppunt en de overige omstandigheden van het geval, op voorhand kan worden uitgesloten dat het litigieuze besluit als zodanig voor eiser nadelige effecten door verkeerstoeneming met zich zal brengen. De rechtbank is van oordeel dat zulks het geval is.

4. De rechtbank overweegt daartoe, dat eiser op een afstand van 3 kilometer van het te reconstrueren knooppunt woont. Uit de stukken, met name de notitie van TNO “Concentratiedwarsprofiel langs de A50 (ter hoogte van km 101,0)”, en het verhandelde ter zitting is niet aannemelijk geworden dat de reconstructie van het knooppunt zal resulteren in een zodanige toename van de verkeersintensiteit op de A50, dat sprake is van een significant nadelig effect op het perceel eiser. Ter zitting is zijdens Rijkswaterstaat desgevraagd aangegeven dat niet op voorhand een relatie kan worden gelegd tussen de reconstructie en het aantal voertuigbewegingen op de A50. Eiser heeft een dergelijke relatie evenmin aannemelijk kunnen maken. Hieruit volgt dat eiser geen in voldoende mate te onderscheiden persoonlijk belang heeft bij het litigieuze besluit.

5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat eiser niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het beroep is, gelet op artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, derhalve niet-ontvankelijk.

6. Voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7. Mitsdien wordt beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep van eiser niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield als voorzitter en mr. J.H.G. van den Broek en mr. M.T. van Vliet als leden in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2007.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: