Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA5104

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-04-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
AWB 06/3417
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding na gegrond bezwaar/beroep tegen een Verklaring geschiktheid.

Verweerder heeft zich op goede gronden kunnen beperken tot vergoeding van gemaakte kosten van aanvraag nieuwe verklaring,aanpassing rijbewijs etc.

Eisers claim op vergoeding van inkomens- en pensioenchade tgv het beweerdelijk niet verlengen van zijn contract als vrachtwagenchauffeur tgv de onrechtmatigheid van de afgegeven Verklaring terecht afgwezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/3417

Uitspraak van de meervoudige kamer van 27 april 2007

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. M.A.W. Ketelaars,

tegen

de stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR),

te Rijswijk,

verweerder,

gemachtigde mr. M.C.A. van Vliet.

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2002 heeft verweerder eiser medegedeeld dat een Verklaring van geschiktheid wordt verstrekt voor de categorieën B/BE met een termijnbeperking van één jaar. Bij besluit van dezelfde datum is eiser medegedeeld dat hem geen Verklaring van geschiktheid wordt verstrekt voor de categorieën C/CE.

Het hiertegen gemaakte bezwaar is door verweerder ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld, dat door deze rechtbank bij uitspraak van 20 februari 2004 gegrond is verklaard. Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 19 juli 2004 opnieuw het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat door deze rechtbank gegrond is verklaard bij uitspraak van 29 maart 2006. Het door verweerder ingestelde hoger beroep tegen deze uitspraak is ongegrond verklaard.

Verweerder heeft vervolgens op 11 juli 2006 het bezwaar gegrond verklaard en daarbij het verzoek tot schadevergoeding deels afgewezen en deels toegewezen.

Eiser heeft op 26 juli 2006 hiertegen beroep ingesteld. De zaak is behandeld ter zitting van 16 maart 2007, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

Aan de orde is de vraag of verweerder op goede gronden toewijzing van de gevorderde schadevergoeding heeft kunnen beperken tot een bedrag van € 396,60.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In 2001 heeft eiser in een ambulance op weg naar het ziekenhuis enkele minuten het bewustzijn verloren. De bedrijfsarts van eiser heeft in 2002, in ieder geval voor 23 mei 2002, aangegeven dat eiser wegens medicijngebruik wat hem betreft geen vrachtwagen mocht besturen.

Eiser had als vrachtwagenchauffeur een tijdelijk arbeidscontract bij het bedrijf [werkgever] Transport [...] BV (hierna: [werkgever]), hetgeen door [werkgever] op 13 mei 2002 niet is verlengd.

Eiser heeft op 23 mei 2002 bij verweerder een Eigen Verklaring ingediend ter verkrijging van een Verklaring van geschiktheid, waarop verweerder op 16 september 2002 heeft beslist. Verweerder heeft aan deze beslissingen ten grondslag gelegd dat bij eiser sprake was van bewustzijnsstoornissen.

Op 28 juli 2003 heeft verweerder eiser naar aanleiding van een nieuwe aanvraag voor een periode van drie jaar geschikt verklaard.

In verband met een verzoek tot schadevergoeding heeft [werkgever] namens [werkgever] op 13 oktober 2003 een verklaring afgegeven waarin - voor zover relevant - het volgende is vermeld: ‘Hierbij verklaart ondergetekende [werkgever], medevennoot van [werkgever] Transport [...] BV het volgende. [eiser], geboren [...] 1953 en wonende te [adres], was bij de [werkgever] in dienst als chauffeur, en zou, indien zijn rijbevoegdheid niet was ingetrokken, nog steeds als chauffeur in dienst zijn.’

In 2006 heeft eiser opnieuw een aanvraag gedaan voor een Verklaring van geschiktheid. Verweerder heeft deze in 2006 opnieuw voor drie jaar verleend.

Het wettelijk kader is als volgt.

Ingevolge artikel 97 van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement) worden Verklaringen van geschiktheid afgegeven door het CBR aan een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen.

Ingevolge artikel 103, eerste lid, van het Reglement geeft het CBR, indien dat van oordeel is dat de aanvrager voldoet aan de vastgestelde eisen voor de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, voor die categorie of categorieën een Verklaring van geschiktheid af.

Ingevolge artikel 103, tweede lid, van het Reglement tekent het CBR, indien dat van oordeel is dat een redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de aanvrager slechts aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen voldoet voor een bepaalde termijn die korter is dan de in artikel 122 van de Wegenverkeerswet 1994 voorziene geldigheidsduur, die termijn aan op de Verklaring van geschiktheid.

Eiser stelt dat hij recht op schadevergoeding heeft omdat hij als gevolg van de besluiten van verweerder van 16 september 2002 niet in dienst is kunnen blijven bij [werkgever]. Hij stelt daardoor inkomens- en (pre)pensioenschade heeft geleden. Ook vordert hij kosten die hij in 2003 en 2006 heeft moeten maken voor het aanvragen van een nieuwe Verklaring van geschiktheid. Eiser wijst ter onderbouwing van deze stelling op de verklaring van 13 oktober 2003 van [werkgever].

Ter onderbouwing van de gevorderde schade heeft eiser berekeningen overgelegd van Raadgevend Actuarieel Bureau De Voogd Van der Heide die de inkomensschade heeft berekend op € 69.938,00 en de (pre)pensioenschade op € 74.548,00. Voorts heeft eiser ter zitting aangegeven behalve kosten in 2003 (begroot op € 358,80) ook in 2006 kosten ten behoeve van een nieuwe aanvraag te hebben gemaakt.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit - samengevat - het volgende ten grondslag gelegd.

Volgens verweerder bestaat geen causaal verband tussen het niet verlengen door [werkgever] van het arbeidscontract en de besluiten van verweerder van 16 september 2002: de door eiser gevorderde inkomsten- en pensioenschade is dan ook niet ontstaan door deze niet-verlenging. Volgens verweerder is het de opvatting van de bedrijfsarts geweest die ertoe heeft geleid dat eiser niet meer als vrachtwagenchauffeur mocht werken voor [werkgever].

Voorts heeft verweerder betoogd dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen zijn besluit van 28 juli 2003 waarin een Verklaring van geschiktheid voor drie jaar werd afgegeven, zodat verweerder op 11 juli 2006 geen Verklaring van geschiktheid door de duur van tien jaar heeft kunnen afgeven. Eventuele schade dient volgens verweerder dan ook berekend te worden tot uiterlijk 28 juli 2003, hetgeen is geschied tot een bedrag van € 396,60.

De rechtbank overweegt als volgt.

Nu verweerder het bezwaar gegrond heeft verklaard, staat de onrechtmatigheid van de besluiten van 16 september 2002 vast. Aan de orde is dan ook enkel of verweerder zich in de beslissing op bezwaar de schadevergoeding op goede gronden heeft kunnen beperken tot € 396,60, bestaande uit de door eiser gevorderde kosten van € 358,80 en de kosten voor aanpassing van het rijbewijs van eiser, te weten € 37,80, en de gevorderde inkomens- en (pre)pensioenschade heeft kunnen afwijzen.

Vastgesteld wordt dat tussen het aflopen van het contract op 13 mei 2002 en de besluiten van 16 september 2002 een periode van ruim vier maanden ligt. Reeds om die reden acht de rechtbank het niet aannemelijk dat [werkgever] naar aanleiding van deze besluiten het contract niet heeft verlengd. Bovendien blijkt uit de Eigen verklaring van eiser van 23 mei 2002 dat de bedrijfsarts op dat moment al had aangegeven dat eiser als gevolg van zijn medicijngebruik geen vrachtwagen mocht besturen. Eiser heeft ter zitting in gelijke zin verklaard.

Ter zitting heeft eiser in dit kader nog aangevoerd dat hij van zijn bedrijfsarts als vrachtwagenchauffeur mocht rijden indien het CBR dat zou goedkeuren. Aangezien de besluiten echter betrekking hebben op de (volgens verweerder aanwezige) bewustzijnstoornissen en niet op het medicijngebruik van eiser waarover de bedrijfsarts zich had uitgelaten, acht de rechtbank deze stelling van eiser evenmin aannemelijk. Ook overigens heeft eiser zijn stelling niet nader onderbouwd.

Tot slot stelt de rechtbank vast dat de verklaring van [werkgever] van 13 oktober 2003 slechts aangeeft dat eiser nog in dienst zou zijn als zijn rijbevoegdheid niet was ingetrokken. Hieruit is niet op te maken of [werkgever] het arbeidscontract niet heeft verlengd vanwege de besluiten van verweerder dan wel om andere redenen.

Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gestelde schade rechtstreeks voortvloeit uit de besluiten van verweerder.

Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat [werkgever] hem had toegezegd dat hij na 16 september 2002 weer in dienst zou kunnen komen, indien verweerder op redelijke termijn de Verklaring(en) van geschiktheid alsnog zou afgeven. De rechtbank overweegt dat partijen weliswaar in beroep gronden kunnen aanvullen die niet expliciet in bezwaar zijn aangevoerd. Nu eiser echter pas ter zitting deze stelling naar voren heeft gebracht, heeft verweerder er zich niet op kunnen voorbereiden. De rechtbank zal de stelling van eiser om die reden bij de beoordeling van het beroep buiten beschouwing laten.

De rechtbank zal het beroep, voor zover dit ziet op de gestelde inkomens- en (pre)pensioenschade, dan ook ongegrond verklaren en de in dit verband gevorderde schadevergoeding afwijzen.

Ten aanzien van de gevorderde kosten die eiser als gevolg van de aanvragen voor een Verklaring van geschiktheid in 2003 en 2006 heeft moeten maken, is de rechtbank van oordeel dat de besluiten van 16 september 2002 tot gevolg hebben gehad dat eiser in 2003 en 2006 opnieuw een aanvraag heeft moeten indienen. Indien verweerder immers de aanvragen had ingewilligd, waren de (hernieuwde) aanvragen in 2003 en in 2006 niet nodig geweest. Dat eiser geen afzonderlijk bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten op deze aanvragen doet hieraan niet af.

De rechtbank zal derhalve het beroep, voor zover dit ziet op de kosten over 2003 en 2006, gegrond verklaren en het bestreden besluit op dit punt vernietigen. Verweerder overweegt in het bestreden besluit dan ook ten onrechte dat hij de gevorderde kosten over 2003 enkel ‘uit coulance’ heeft toegekend. De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht aangaande de gevorderde kosten over 2003 zelf in de zaak te voorzien en deze toe te wijzen.

Hierbij stelt de rechtbank vast dat verweerder in de beslissing op bezwaar € 37,80 (voor de aanpassing van het rijbewijs) als schadevergoeding heeft toegekend, terwijl deze kosten door eiser al in het gevorderde bedrag van € 358,80 waren opgenomen. De rechtbank zal derhalve een schadevergoeding van € 358,80 toewijzen.

Nu verweerder zich in de beslissing op bezwaar niet heeft uitgelaten over de kosten over 2006 en eiser deze kosten ter zitting niet nader heeft kunnen specificeren, zal de rechtbank verweerder opdragen ten aanzien van deze kosten een besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

Nu eiser op de door hem overgelegde staat van kosten heeft nagelaten zijn verletkosten te specificeren, komen deze niet voor toewijzing in aanmerking.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat het CBR aan eiser het door hem gestorte griffierecht van € 141,00 dient te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover dit betrekking heeft op de gevorderde kosten ten gevolge van de aanvragen voor een Verklaring van geschiktheid in 2003 en 2006;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de gevorderde kosten ten gevolge van de aanvragen voor een Verklaring van geschiktheid in 2003;

- wijst het verzoek tot schadevergoeding toe, voor zover dit ziet op de gevorderde kosten ten gevolge van de aanvraag voor een Verklaring van geschiktheid in 2003, en stelt deze schadevergoeding vast op € 358,80;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat verweerder een besluit dient te nemen over de gevorderde kosten ten gevolge van de aanvraag voor een Verklaring van geschiktheid in 2006 met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- wijst het verzoek van eiser om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding voor het overige af;

- gelast het CBR aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht van € 141,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst het CBR aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. P.H.C.M. Schoemaker als voorzitter en mr. M.L.P. van Cruchten en mr. J.H.G. van den Broek als leden en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. E.G.M. Seelen als griffier op 27 april 2007.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: