Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA4985

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-04-2007
Datum publicatie
14-05-2007
Zaaknummer
AWB 06/5029
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing voor het doden van overzomerende brandganzen

Uit het wettelijk stelsel van de Flora- en Faunawet vloeit voort dat het toestaan van het doden van dieren slechts als uiterste middel is gerechtvaardigd.Een ander betekent dat bij de toepassing van artikel 68,eerste lid, van die wet een strikte en terughoudende opstelling is geboden.

Op basis van de aan de ontheffing ten grondslag gelegde gegevens kan niet worden geconstateerd dat juist brandganzen dreigende belangrijke schade veroorzaken.

Bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7.12 van de Awb, tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8.72,vijfde lid,van de Awb een voorlopige voorziening te treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/5029

Uitspraak van de meervoudige kamer van 27 april 2007

inzake

Stichting De Faunabescherming,

te Amstelveen,

eiseres,

gemachtigde A.P. de Jong,

tegen

gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant,

verweerder,

gemachtigde mr. A.J. Boot.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen de Stichting Faunabeheereenheid Noord-Brabant te Tilburg (hierna: ontheffinghoudster), gemachtigde F. Koffeman.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2006 heeft verweerder aan ontheffinghoudster ontheffing verleend voor het opzettelijk verontrusten en doden van brandganzen met behulp van een hagelgeweer kaliber 12, 16 en 20 op de gronden van de volgende wildbeheereenheden: De Brabantse Wal, Moerstraten en omstreken, Zuid Plantage, Roosendaal, Steenbergen e.o., Oranje & Van Glymespolder, Niervaart, De Amerkant, De Biesbosch, Land van Altena, Het Elsbosch, De Maaskant, Groot Ravenstein en De Overlaat, voor de periode van de dag van verzending van het besluit tot en met 30 september 2006 en voor de periode van 1 april tot en met 30 september gedurende 2007 tot en met 2011.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is op 12 december 2006 deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Eiseres heeft op 27 december 2006 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld. De zaak is behandeld ter zitting van 16 maart 2007, waar eiseres is verschenen bij gemachtigde bijgestaan door H.H. Niesen, plaatsvervangend voorzitter van eiseres. Verweerder is verschenen bij gemachtigde, bijgestaan door C. Snellen. Ontheffingshoudster is eveneens verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

Aan de orde is de vraag of verweerder op goede gronden de ontheffing voor het opzettelijk verontrusten en doden van brandganzen heeft kunnen verlenen.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 2 juni 2006 heeft ontheffinghoudster een aanvraag ingediend voor ontheffing op voorhand voor het opzettelijk verontrusten en doden van brandganzen op de volgende gewassen: aardappelen, granen, bieten, peulvruchten, gras (waaronder graszaad en -zoden) en vollegronds groenteteelt. De aanvraag is ingediend op basis van het Faunabeheerplan 2006-2011 (hierna: het Faunabeheerplan), dat op 27 juni 2006 is goedgekeurd door verweerder.

Het wettelijk kader is als volgt.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Flora- en Faunawet (Ffw) is de brandgans aangewezen als beschermde inheemse diersoort. Die soorten, waaronder de brandgans, zijn bekendgemaakt op 7 november 2001 (Staatscourant, 13 november 2001, nr. 220, p. 10).

Ingevolge artikel 9 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen en of met het oog daarop op te sporen.

Ingevolge artikel 10 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Krachtens artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw, voor zover hier van belang, kunnen gedeputeerde staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 18 en artikel 72, vijfde lid, van deze wet. De ontheffing wordt slechts verleend aan een faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat in het onderhavige geval wordt voldaan aan het in artikel 68, eerste lid, aanhef, van de Ffw neergelegde vereiste dat door het verlenen van de in geding zijnde ontheffing geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige instandhouding van de soort brandganzen. Voorts wordt vastgesteld dat voldaan is aan het vereiste dat het Faunafonds wordt gehoord.

De mogelijkheid om een ontheffing te verlenen als bedoeld in artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw is uitdrukkelijk afhankelijk gesteld van een aantal randvoorwaarden. Uit die voorwaarden blijkt dat groot gewicht toekomt aan de belangen die de in de artikelen 9 en 10 van de Ffw neergelegde verbodsbepalingen beogen te beschermen. Handelingen in strijd met die verbodsbepalingen zijn slechts mogelijk als aan die voorwaarden wordt voldaan. In dit geval gaat het om het belang van voorkoming van belangrijke schade aan gewassen. Uit het wettelijk stelsel vloeit voort dat het toestaan van het doden van dieren daarbij slechts is gerechtvaardigd als uiterste middel. Een en ander betekent dat bij de toepassing van artikel 68, eerste lid, van de Ffw, een strikte en terughoudende opstelling is geboden. In dit verband dient daarom allereerst te worden vastgesteld of het brandganzen zijn die in de gebieden, waarvoor ontheffing verleend is, belangrijke schade dreigen te veroorzaken.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder dit onvoldoende aangetoond. Ter onderbouwing heeft eiseres verwezen naar het rapport uit 2006 ‘Overzomerende ganzen in Nederland: grenzen aan de groei?’ (opgesteld door SOVON Vogelonderzoek Nederland in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Vogelbescherming Nederland) waaruit blijkt dat brandganzen door hun gedrag en voedselkeuze juist relatief weinig schade aanrichten. Uit dit rapport volgt volgens eiseres ook dat brandganzen zich in Nederland vooral op graslanden ophouden en dan met name op terreinen in bezit of beheer van natuurbeschermingsorganisaties. De door verweerder opgevoerde schadecijfers hebben geen van allen betrekking op graslanden, aldus eiseres.

Ook heeft eiseres verwezen naar het Gidsdocument bij de Vogelrichtlijn waarin wordt aangegeven dat toestemming voor het doden van beschermde vogels kan worden verleend wanneer sprake is van een grote waarschijnlijkheid dat belangrijke schade zal worden veroorzaakt als er geen actie wordt ondernomen. Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte aanneemt dat sprake is van belangrijke schade als het gaat om € 250,00 per schadegeval zonder dat bedrag te relateren aan factoren als grootte van de percelen of de omvang van een bedrijf.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de conclusie dat sprake is van dreigende belangrijke schade gebaseerd is op de Beleidsnota Uitvoering Flora- en Faunawet 2006 (hierna: de Beleidsnota) en op het Faunabeheerplan, en dat tevens het Faunafonds heeft geadviseerd de ontheffing te verlenen.

De rechtbank stelt het volgende vast:

- in de Beleidsnota wordt enkel in het algemeen geconstateerd dat de soort brandgans in Noord-Brabant belangrijke schade veroorzaakt;

- in het Faunabeheerplan, waarop ook het Faunafonds zijn advies baseert, is opgenomen dat de brandgans een tamelijk schaarse broedvogel is en dat grote delen van de provincie Noord-Brabant nog onbezet zijn. Voorts wordt enkel vermeld dat schade wordt veroorzaakt door overzomerende ganzen in het algemeen en wordt geen uitsplitsing gegeven per ganzensoort;

- ter zitting is door ontheffingshoudster aangegeven dat de schade niet per ganzensoort wordt uitgesplitst, omdat dit intensief onderzoek zou vergen. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het percentage brandganzen binnen een ganzenpopulatie per gebied waarop de ontheffing ziet, verschilt;

- in het door eiseres overgelegde overzicht van de door het Faunafonds getaxeerde en uitgekeerde schadebedragen 2006 wordt de overzomerende gans als schadeveroorzakende diersoort;

- uit het rapport van SOVON blijkt dat in Nederland brandganzen in het algemeen juist weinig schade veroorzaken en met name op graslanden van natuurbeschermingsorganisaties verblijven, welke conclusie door verweerder niet is weersproken.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op basis van de door verweerder aan de verleende ontheffing ten grondslag gelegde gegevens niet kan worden geconstateerd dat juist brandganzen dreigende belangrijke schade op de gronden van de desbetreffende wildbeheereenheden specifiek veroorzaken. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met het in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde beginsel dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Nu de rechtbank het beroep reeds op grond van het bovenstaande gegrond zal verklaren, bestaat geen aanleiding de overige, door eiseres aangevoerde gronden te bespreken.

Ten overvloede merkt de rechtbank wel op dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 21 maart 2007 (200606996/1) heeft bepaald dat het bestuursorgaan bij de invulling van het begrip ‘belangrijke schade’ uit artikel 68, eerste lid, van de Ffw een zekere beoordelingsvrijheid toekomt en dat niet is gebleken van dwingende redenen die nopen tot een weging van de verschillende factoren, zoals de schade, de grootte van de percelen of omvang van het bedrijf. Voorts overweegt de Afdeling dat er geen grond is voor het oordeel dat het gekozen bedrag van € 250,00 per schadegeval de grenzen van redelijke wetsuitleg te buiten gaat.

De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Verder ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen en het besluit van 11 juli 2006 te schorsen, en daarbij te bepalen dat deze voorlopige voorziening vervalt zes weken nadat verweerder het nieuwe besluit heeft genomen.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 52,40. Dit bedrag is als volgt samengesteld.

De reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van het Bpb zijn vastgesteld op € 52,40.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door de provincie Noord-Brabant aan eiseres het door haar gestorte griffierecht van € 281,00 dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- schorst het besluit van 11 juli 2006;

- bepaalt dat deze schorsing vervalt zes weken nadat verweerder een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen;

- gelast de provincie Noord-Brabant aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht van € 281,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 52,40;

- wijst de provincie Noord-Brabant aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. P.H.C.M. Schoemaker als voorzitter en mr. M.L.P. van Cruchten en

mr. J.H.G. van den Broek als leden en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. F.A.M.C. Hermans als griffier op 27 april 2007.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: