Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA3942

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-04-2007
Datum publicatie
26-04-2007
Zaaknummer
492430
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beeindiging onderneming.Onjuiste uitleg van bepaling CAO voor de Glastuinbouw met betrekking tot de mogelijkheid om een arbeidsovereenkomst met een arbeidsongeschikte werknemer die langer dan 18 maanden in vaste dienst is, op te zeggen. Geen kennelijk onredelijk ontslag. Werkgever heeft ervoor gezorgd dat werknemer bij een derde in dienst zou kunnen treden en heeft een reintegratiebureau ingeschakeld . Werknemer heeft zelf geen sollicitatiepogingen ondernomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, lokatie ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : [nummer]

Rolnummer : [nummer]

Uitspraak : 26 april 2007

in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

procederend met rechtsbijstand ingevolge toevoeging van de Raad voor de Rechtsbijstand d.d. 6 maart 2007 , [nummer]

gemachtigde: mr. M. van Tessel,

advocaat te Drunen, gemeente Heusden,

t e g e n :

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde,

gemachtigde: mr. F.J.E.Verlinden, medewerker van ABAB

Accountant-Belastingadviseurs-Juristen.

Partijen zullen verder worden aangeduid als ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’.

1. DE PROCEDURE

Eiser heeft bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. Gedaagde is in rechte verschenen en heeft een conclusie van antwoord genomen. Bij rolbeslissing van de kantonrechter is vervolgens een comparitie van partijen gelast, welke is gehouden op 19 maart 2007.

Ter gelegenheid van die comparitie hebben partijen hun standpunten nader toegelicht.

Daarna is vonnis bepaald. Onder de genoemde processtukken bevinden zich tevens de in die stukken nader aangeduide producties.

2. HET GESCHIL

2.1. [eiseres] vordert een verklaring voor recht dat het dienstverband tussen partijen nog voortduurt en voorts tot doorbetaling van het loon c.a. vanaf 1 oktober 2006 , een en ander te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding. Subsidiair vordert [eiseres] betaling door [gedaagde] van haar loon tot 30 november 2006 en een schadevergoeding naar billijkheid vanwege de kennelijke onredelijkheid van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

[eiseres] legt daaraan ten grondslag dat zij ten onrechte door [gedaagde] is ontslagen met gebruikmaking van een ontslagvergunning, afgegeven door het C.W.I..Primair stelt [eiseres] zich daarbij op het standpunt dat [gedaagde] het ontslag met gebruikmaking van die vergunning ten onrechte heeft gegeven, nu zij ten tijde van die ontslagaanzegging arbeidsongeschikt was.

Voor het geval deze ontslagaanzegging niet nietig dient te worden geoordeeld, stelt [eiseres] zich op het standpunt dat er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag omdat de gevolgen van het ontslag voor haar te ernstig zijn in verhouding met het belang van [gedaagde] bij dit ontslag.

2.2. [gedaagde] heeft hiertegen tot verweer aangevoerd dat hij op goede grond, te weten bedrijfsbeëindiging, de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Daarenboven is [gedaagde] van mening dat hij er alles aan heeft gedaan om aan de nadelige gevolgen van deze beëindiging voor [eiseres] tegemoet te komen.

2.3 Voor de toelichting van partijen op de door hen ingenomen standpunten zij verwezen naar de inhoud van de processtukken. Voor zover relevant voor de beoordeling van dit geschil komen de stellingen van partijen hierna bij de beoordeling aan de orde.

3. DE BEOORDELING

3.1. Tussen partijen bestaat, althans bestond een arbeidsovereenkomst. [eiseres] is per 1 maart 1999 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van [gedaagde], laatstelijk als medewerkster in de paprikateelt, tegen een bruto salaris (inclusief vakantiegeld en andere toeslagen) van

€ 1.540,95 bruto per maand. In de periode 7 april 1997 tot 3 oktober 1997 en van 13 april 1998 tot 31 januari 1999 is [eiseres] in de onderneming werkzaam geweest op basis van afroepovereenkomsten. [eiseres] is thans 48 jaar oud.

[gedaagde] heeft de arbeidsovereenkomst met [eiseres] bij schrijven van 26 augustus 2006 opgezegd met ingang van 1 oktober 2006, na verkregen toestemming van het Centrum voor Werk en Inkomen.

3.2. De arbeidsovereenkomst met [eiseres] is door [gedaagde] opgezegd in verband met de volledige beëindiging door [gedaagde] van zijn onderneming. Ten tijde van de opzegging van de arbeidsovereenkomst was [eiseres] ongeschikt tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte, omdat [eiseres] allergisch is voor stuifmeel van de paprikaplant.

Bij schrijven van 1 september 2006 heeft de gemachtigde van [eiseres] de nietigheid van het ontslag ingeroepen, zulks onder verwijzing naar een bepaling in de cao glastuinbouw.

In gemeld schrijven staat ondermeer: “Echter, zoals u bekend is, is cliënte op dit moment arbeidsongeschikt. Op basis van de CAO voor de Glastuinbouw wordt de opzegging geacht niet te zijn geschied als cliënte langer dan 18 maanden in vaste dienst is en zij op de laatste dag van de opzegtermijn nog arbeidsongeschikt is”.

Volgens [gedaagde] gaat [eiseres] uit van een onjuiste lezing van gemeld artikel in de CAO. Hij verklaart: “Op grond van artikel 6:670, dertiende lid van het Burgerlijk Wetboek kan er ten nadele van de werknemer worden afgeweken van het bepaalde in artikel 6:670, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek. In de cao glastuinbouw is dat zodanig vorm gegeven dat voor bepaalde werknemers die minder dan 18 maanden onafgebroken in dienst zijn, de ontslagbescherming zoals opgenomen in artikel 6:670, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek niet geldt”, en verder: “Voor eiseres, die langer dan 18 maanden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft gewerkt, geldt derhalve de hoofdregel als bedoeld in artikel 6:670, eerste lid onder aanhef onder a. van het Burgerlijk Wetboek. Deze hoofdregel is echter niet van toepassing indien zich één van de omstandigheden voor doet als genoemd in artikel 7:670b, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek, waarvan in casu sprake is. Gedaagde heeft namelijk zijn gehele onderneming gestaakt.”

3.3 De kantonrechter deelt deze mening van [gedaagde]. De betreffende bepalingen in de cao glastuinbouw houden een aanzienlijke verruiming in van de mogelijkheden tot opzegging van de arbeidsovereenkomst, nu daarbij het opzegverbod tijdens ziekte als bedoeld in artikel 7:670 lid 1 BW volledig is opgeheven. Vervolgens is daarbij in die cao de volledige opheffing van het opzegverbod tijdens ziekte voor een aantal specifieke gevallen weer ingeperkt, met name voor werknemers die meer dan 18 maanden onafgebroken in dienst zijn.

Voor deze laatste groep werknemers geldt vervolgens de hoofdregel als bedoeld in artikel 7:670, eerste lid onder aanhef onder a van het BW. Vervolgens wordt in het BW in artikel 7:670b, tweede lid een uitzondering gemaakt, namelijk voor het geval de werkgever zijn gehele onderneming heeft gestaakt.

Dit betekent dat de grondslag aan de primaire vorderingen als genoegzaam weersproken niet in rechte is komen vast te staan. De primaire vorderingen dienen mitsdien als ongegrond te worden afgewezen.

3.4 Subsidiair, voor het geval de bepalingen uit de cao niet met zich meebrengen dat het ontslag nietig dient te worden geoordeeld, vordert [eiseres] loon tot 30 november 2006.

Zij stelt zich daarbij op het standpunt dat de opzegtermijn 3 maanden bedraagt, waarbij tegen de laatste dag van een maand opgezegd moet worden, hetgeen zou betekenen dat [gedaagde] bij opzeggingsbrief gedateerd 26 augustus 2006 slechts op zou kunnen zeggen tegen 30 november 2006.

[gedaagde] gaat echter uit van een aanvang van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 maart 1999, hetgeen betekent een diensttijd die langer dan vijf jaar, maar korter dan tien jaar heeft geduurd. Op basis daarvan geldt ingevolge de wettelijke bepalingen een opzegtermijn van twee maanden, in plaats van de door [eiseres] beoogde drie maanden.

Volgens [eiseres] dient echter te worden uitgegaan van een aanvang dienstverband sedert

1 maart 1996, zodat het dienstverband langer heeft geduurd dan tien jaar. Volgens [gedaagde] is [eiseres] in 1996 onregelmatig werkzaam geweest als uitzendkracht, in een periode waarin [gedaagde] de glastuinbouwonderneming exploiteerde samen met twee anderen in maatschapsverband. Ter comparitie heeft [gedaagde] daar nog aan toegevoegd dat [eiseres] in ieder geval in 1996 niet bij hem of zijn maatschap werkzaam was, maar bij zijn buurman. [eiseres] heeft dit erkend. Dat leidt er toe dat, nu in ieder geval [eiseres] geen bewijzen heeft aangevoerd voor haar stelling ook in 1996 al in dienst van [gedaagde] werkzaam te zijn geweest en zij erkent in 1997 te hebben gewerkt voor de buurman van [gedaagde], uitgegaan dient te worden van ten hoogste een dienstverband ingaand 1997. Dat leidt tot een dienstverband van minder dan 10 jaar, zodat zijdens [gedaagde] de juiste opzegtermijn is gehanteerd.

De subsidiaire vordering tot betaling van loon tot 30 november 2006 dient mitsdien als ongegrond te worden afgewezen.

3.5 Tenslotte resteert de vordering tot betaling van een schadevergoeding naar billijkheid vanwege de kennelijke onredelijkheid van het ontslag, nu de gevolgen van het ontslag voor [eiseres] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [gedaagde] bij de opzegging, meer in het bijzonder nu [gedaagde] voor [eiseres] geen enkele voorziening heeft getroffen en het voor [eiseres] zeer moeilijk zal zijn om een andere werkkring te vinden en [gedaagde] daarnaast ook geen enkele financiële compensatie heeft geboden.

De kantonrechter acht daarbij van belang om het navolgende vast te stellen:

Ten tijde van de beëindiging door [gedaagde] van zijn onderneming was [eiseres] arbeidsongeschikt, daar zij allergisch is voor stuifmeel van de paprikaplant. Als onweersproken staat in rechte vast dat [eiseres] vanwege deze allergie niet langer in de gelegenheid zou zijn om werkzaamheden te verrichten in de toenmalige onderneming van [gedaagde]. [gedaagde] heeft het onroerend goed met opstallen, waarin hij zijn onderneming dreef, verkocht aan een derde. Deze nieuwe eigenaar van de opstallen ging in deze bedrijfsruimte een onderneming drijven, welke zich bezig hield met de teelt van perkplanten. [gedaagde] heeft er daarbij voor gezorgd dat [eiseres] desgewenst bij deze derde in dienst zou kunnen treden, doch [eiseres] heeft van dit aanbod geen gebruik gemaakt. Haar stelling dat die derde haar nooit rechtstreeks een aanbod om in dienst te treden heeft gedaan, doch slechts via [gedaagde], acht de kantonrechter van geen belang. Reeds aanstonds heeft [eiseres] namelijk dit aanbod afgeslagen, omdat, volgens haar mededeling ter terechtzitting, zij vanwege haar allergie niet alleen niet kan werken in de paprikateelt, maar ook niet ergens anders in een tuinbouwonderneming.

Verder staat als onweersproken in rechte vast dat [gedaagde] middels de inschakeling van een reïntegratiebureau heeft getracht om voor [eiseres] elders ander werk te vinden. Daarbij is echter aan het licht gekomen dat [eiseres] niet alleen niet meer in de tuinbouw werkzaam wilde zijn, maar dat zij verder de voorkeur had voor administratief werk of werk in een winkel, daar zij in ieder geval geen zwaar lichamelijk werk meer wenste te verrichten.

Ter terechtzitting heeft [eiseres] daaromtrent nog aangevoerd dat zij nog geen daadwerkelijke sollicitatiepogingen heeft ondernomen om elders in dienst te kunnen treden, zulks terwijl zij wist dat terugkeer binnen de toenmalige onderneming van [gedaagde] niet meer aan de orde was.

Dit alles leidt de kantonrechter tot het oordeel dat [gedaagde] er alles aan heeft gedaan om aan de nadelige gevolgen van de stopzetting van zijn onderneming voor [eiseres] –en aldus aan de gevolgen voor [eiseres] aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst- tegemoet te komen, zodat er thans niet langer gesproken kan worden van een kennelijke onredelijkheid van het ontslag.

De vordering van [eiseres] tot betaling door [gedaagde] van een schadevergoeding dient derhalve als ongegrond te worden afgewezen.

[eiseres] zal tenslotte als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden verwezen.

4. DE BESLISSING

De kantonrechter:

Wijst de vorderingen af.

Veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding aan de zijde van [gedaagde] tot aan deze uitspraak begroot op € 500,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met BTW belast).

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. M.H.Kobussen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.

blad 4