Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA3370

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
19-04-2007
Zaaknummer
AWB 06/4390
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 39 van de IZR

· Uitkering vereveningsfonds

· Vaststellingsbesluit: avv

· Exceptieve toetsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/4390

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2007

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

tegen

het dagelijks bestuur van de Interprovinciale Ziektekostenregeling (hierna: IZR),

verweerder,

gemachtigde mr. K. Schrijvers.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2006 heeft verweerder aan eiser ingevolge artikel 39 van de IZR een uitkering uit het vereveningsfonds toegekend van € 325,48.

Het hiertegen namens eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 23 oktober 2006 niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen laatstgenoemd besluit is beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 31 januari 2007, waar eiser is verschenen in persoon. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of verweerder terecht en op goede gronden het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. De IZR is aangegaan door tien provincies die een openbaar lichaam IZR in het leven hebben geroepen en hebben voorzien in een publiekrechtelijke ziektenkostenverzekering ten behoeve van aanspraken van het personeel op vergoeding van geneeskundige verzorging. Omdat in 2006 het ziektekostenstelsel in Nederland is gewijzigd en een standaardverzekering voor alle ingezetenen is ingevoerd, is bij besluit van het algemeen bestuur van de IZR van 16 juni 2004 de IZR met ingang van 1 januari 2005 opgeheven. Na de opheffing is artikel 39 van de IZR in werking getreden.

3. Ingevolge het derde lid van artikel 39 van de IZR wordt een uitkering uit het vereveningsfonds door het dagelijks bestuur deels bestemd voor de provincie en deels uitgekeerd aan personen van wie het de premies heeft geïnd, met inachtneming van het hierna bepaalde:

a. het dagelijks bestuur bepaalt het begin van een termijn die als basis dient voor de onder b en c bedoelde berekeningen. Het houdt daarbij rekening met de grootte van de uitkering uit het vereveningsfonds. Het einde van de termijn is het moment waarop deze regeling ten aanzien van de in de aanhef bedoelde personen feitelijk niet meer is toegepast;

b. het dagelijks bestuur berekent hoeveel de provincie in die termijn heeft bijgedragen krachtens het bepaalde in artikel 24, tweede lid, na aftrek van de geïnde premies;

c. het berekent wat iedere persoon, bedoeld in de aanhef, in die termijn heeft betaald;

d. het stelt het totaal van de uitkomsten van de onder b en c bedoelde berekeningen vast. Het berekent welk percentage de uitkering uit het vereveningsfonds van dat totaal is;

e. het stelt de bepaling van de termijn en alle uitkomsten aan de orde in het overleg bedoeld in artikel 125, tweede lid, juncto 125 eerste lid, onder d, van de Ambtenarenwet.

4. Bij vaststellingsbesluit van 7 juni 2006 heeft verweerder ingevolge artikel 39, derde lid, van de IZR het volgende vastgesteld:

1. sub a: de basistermijn voor de uitkeringen is het jaar 2004, te weten van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004;

2. sub b: de berekening van betaalde premies van provincies/instellingen over 2004 is uitgekomen op € 111.576.000,-;

3. sub c: de berekening van de betaalde premies van de deelnemers over 2004 is uitgekomen op: € 99.974.000,-;

4. sub d: de totaaluitkomsten van de berekeningen onder 2 en 3 is € 211.550.000,-. Het vermogensfonds bedraagt € 33.978.000,- en de uitkering uit het vermogensfonds is derhalve 16% van de totaaluitkomst.

5. Verweerder heeft de tegen het vaststellingsbesluit gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat het vaststellingsbesluit een algemeen verbindend voorschrift (avv) betreft, waartegen ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a, en artikel 7:1, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geen bezwaar en beroep kan worden ingesteld. Voorts is volgens verweerder niet gebleken dat het vaststellingsbesluit onverbindend of niet toepasselijk zou zijn. Nu eiser geen grieven heeft gericht tegen het besluit waarin € 325,48 aan hem is toegekend, liggen er geen te beoordelen bezwaren voor, aldus verweerder.

6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder door zijn bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, voorbij gaat aan zijn grief dat het beroepsrecht op die wijze wordt beperkt. De primaire beschikking van 7 juni 2006 is een afgeleide van het vaststellingsbesluit, hetgeen door verweerder als avv wordt gekwalificeerd. Bovendien zijn de besluiten op dezelfde dag genomen. De werking van het vaststellingsbesluit is niet algemeen, maar specifiek voor alle individuele deelnemers. Eiser voert aan dat met zijn beroep een algemeen belang wordt gediend. Ter zitting stelt eiser zich nog op het standpunt dat het vermogen van de IZR een bedrag van € 26.000.000,- - hoger bedroeg dan waar verweerder bij de verdeling vanuit is gegaan en dat dit bedrag op onnavolgbare wijze voortijdig aan het vermogen is onttrokken. Voorts heeft verweerder ten onrechte het jaar 2004 als basistermijn genomen. Hiermee worden degenen die vóór 2004 deelnemer waren ten onrechte uitgesloten.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser alleen gronden heeft aangevoerd tegen het zogenaamde vaststellingsbesluit. De rechtbank is van oordeel dat, nu in het vaststellingsbesluit een termijn, saldo’s van het vereveningsfonds en het eigen vermogen van IZR en een uitkeringspercentage zijn vastgesteld, volgens welke zal worden uitgekeerd, er sprake is van zelfstandige normen die de toetsingsmaatstaf vormen voor iedere uitkering. Nu de zelfstandige normen zich ook lenen voor een herhaalde toepassing, te weten voor alle verzekerden bij IZR in het jaar 2004, kan niet anders geoordeeld worden dan dat het vaststellingsbesluit als een avv dient te worden gekwalificeerd. Dat het vaststellingsbesluit en het besluit ingevolge artikel 39, derde lid, sub f, van de IZR op dezelfde datum zijn genomen, doet daar niet aan af.

9. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:2, aanhef en onder a, en artikel 7:1 van de Awb kan geen bezwaar worden gemaakt tegen een besluit inhoudende een avv. Wanneer de belanghebbende in het kader van de bestuursrechtelijke procedure over een besluit het argument opwerpt dat de regeling waarop dat besluit is gebaseerd onverbindend moet worden geacht, is de rechtbank gehouden te toetsen of het desbetreffende avv een voldoende deugdelijke grondslag vormt voor het besluit in concreto, in casu het besluit waarbij aan eiser een bedrag van € 325,48 is toegekend. Voor zover eiser met zijn stellingen deze exceptieve toetsing voor ogen heeft, overweegt de rechtbank dat eiser in het kader van deze rechtsgang het vaststellingsbesluit van 7 juni 2006 indirect aan de orde kan stellen door de exceptie van onverbindendheid op te werpen, zodat ondanks de in artikel 8:2 van de Awb geformuleerde uitzondering exceptief de inhoud van beide besluiten kan worden getoetst aan de regelgeving waarop laatstgenoemd besluit is gebaseerd of aan algemene rechtsbeginselen.

10. De rechtbank is van oordeel dat de verdeelsleutel noch in strijd is met een hogere geschreven regeling, noch met beginselen van ongeschreven recht. Het vaststellingsbesluit voldoet aan het bepaalde in de Wet gemeenschappelijke regelingen en aan de grondslag voor de verdeelsleutel in artikel 39, derde lid, van de IZR. Bij de nadere vaststelling van de verdeelsleutel komt verweerder een ruime mate van beleidsvrijheid toe. Eiser heeft in dat kader naar voren gebracht dat aanwijzing van het jaar 2004 als basis voor de vaststelling van de kring van deelnemers die voor de uitkering in aanmerking komen, strijdig is met het beginsel van willekeur omdat oud-deelnemers niet meer in aanmerking komen voor een uitkering uit het vereveningsfonds. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn betoog. De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting nader gemotiveerd waarom 2004 als basis dient voor de berekeningen van de betaalde premies van de provincies, instellingen en deelnemers. Uitsluitend deelnemers die in 2004 waren ingeschreven en premie hebben betaald komen in aanmerking voor een uitkering, omdat het praktisch gezien onhaalbaar is om alle deelnemers die in 2004 niet meer bij IZR verzekerd waren maar in andere jaren wel, te traceren. Bovendien zou de uitkering uit het vereveningsfonds per deelnemer nagenoeg nihil zijn als alle deelnemers, dus ook degenen die voor 2004 bij IZR verzekerd waren, in aanmerking zouden komen voor een uitkering. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de door verweerder gemaakte afweging een marginale toetsing niet kan doorstaan. Ten aanzien van de grief van eiser dat ten onrechte een bedrag van € 26.000.000,- aan het vermogen is onttrokken, oordeelt de rechtbank dat eiser deze grief onvoldoende met bewijsstukken heeft onderbouwd en ook overigens niet is gesteld of gebleken dat verweerder met vaststelling van het vermogen op een bedrag van € 33.978.000,-- in strijd heeft gehandeld met hogere regels of met algemene rechtsbeginselen.

11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen sprake is van onverbindendheid van artikel 39, derde lid, van de IZR.

12. Nu eiser geen gronden tegen de gemaakte berekening van de aan hem toegekende uitkering heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep van eiser zal daarom ongegrond worden verklaard.

13. De rechtbank ziet geen aanleiding één der partijen te veroordelen in de proceskosten dan wel verweerder op te dragen het griffierecht te vergoeden.

14. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. G.H. de Heer-Schotman als rechter in tegenwoordigheid van mr. M. le Fèbre als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2007.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: