Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA3271

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
149471 - HA ZA 06-2164
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Vrouw stelt verhuisbedrijf aansprakelijk voor letselschade die zij lijdt doordat zij ongelukkig ten val komt over een 'hondje' (een liggende plank van 60x74 cm met zwenkwielen eronder) die door de verhuismedewerkers wordt gebruikt om zware goederen vanaf de verhuisauto het huis in te rijden. De rechtbank wijst de vorderingen af. Geen niet-behoorlijke nakoming van de overeenkomst, geen onrechtmatig handelen, maar een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2007/85
NJF 2007, 286

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 149471 / HA ZA 06-2164

Vonnis van 25 april 2007

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Nuenen, gemeente Nuenen c.a.,

eiseres,

procureur aanvankelijk mr. J.E.M. van den Muyzenberg-van Zoelen,

thans mr. M.G.H. Vogels,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VEREIJKEN TRANSPORTEN EN VERHUIZINGEN B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

2. de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MIJ. N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagden,

procureur mr. J.E. Benner.

Partijen zullen hierna [eiseres], Vereijken en Nationale Nederlanden genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 december 2006,

- het proces-verbaal en aanvullend proces-verbaal van comparitie van 27 maart 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Tussen partijen staat het volgende vast.

2.2. [eiseres] is op 10 en 11 februari verhuisd naar een nieuwe woning, een bungalow. Zij heeft voor deze verhuizing het verhuisbedrijf van Vereijken ingeschakeld. De drie verhuismedewerkers van Vereijken die [eiseres] hebben verhuisd, hebben daarbij gebruik gemaakt van zogenaamde ‘hondjes’: liggende planken van 60 bij 74 centimeter groot, met zwenkwielen eronder, om zware goederen de woning mee in te rijden.

2.3. In de middag van 11 februari 2005 omstreeks 15.00 uur was [eiseres] bezig in de nieuwe woning toen de mobiele telefoon ging. Zij wilde naar de telefoon lopen en is daarbij in de hal over een hondje gevallen. Zij heeft hierbij letsel opgelopen aan haar rechterhand.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. te verklaren voor recht dat Vereijken primair aansprakelijk is op grond van artikel 6:74 BW althans subsidiair op grond van artikel 6:162 BW voor het ongeval d.d. 11 februari 2005;

II. te verklaren voor recht dat Nationale Nederlanden gehouden is op grond van artikel 7:954 BW de uitkering uit hoofde van de door Vereijken bij Nationale Nederlanden afgesloten aansprakelijkheidsverzekering direct aan [eiseres] te voldoen;

III. Vereijken en Nationale Nederlanden hoofdelijk te veroordelen om aan [eiseres] te vergoeden alle materiële en immateriële schade die [eiseres] als gevolg van het onder sub I genoemde ongeval heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

IV. Vereijken en Nationale Nederlanden hoofdelijk te veroordelen bij wijze van voorschot op de schadestaat procedure te voldoen aan [eiseres] een voorschot groot EUR 15.000,-;

onder veroordeling van Vereijken en Nationale Nederlanden in de kosten van deze procedure.

3.2. [eiseres] legt aan haar vorderingen kort gezegd het volgende ten grondslag.

[eiseres] vordert schadevergoeding op grond van artikel 6:74 lid 1 BW omdat zij meent dat Vereijken de tussen hen bestaande overeenkomst niet behoorlijk is nagekomen, nu medewerkers van Vereijken een hondje hebben laten rondslingeren. Volgens [eiseres] hebben deze medewerkers dusdoende ook onrechtmatig gehandeld en zijn zij aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW, omdat zij hiermee een gevaarlijke situatie in het leven hebben roepen en in stand hebben gelaten. [eiseres] acht Vereijken aansprakelijk op grond van artikel 6:76 althans 6:170 lid 1 BW. [eiseres] stelt schade te hebben geleden doordat zij letsel heeft opgelopen aan haar rechterhand, waardoor zij haar werk bij de Thuiszorg niet meer kon doen, het schilderwerk aan haar nieuwe woning niet zelf heeft kunnen uitvoeren en huishoudelijke hulp moest inschakelen. Ook vordert zij vergoeding van onvergoed gebleven medische kosten, reiskosten, verlies van haar no-claimteruggaaf over 2005 en overige schade, waaronder toekomstig te lijden schade, immateriële schade en kosten van rechtsbijstand.

3.3. Vereijken en Nationale Nederlanden voeren verweer. Zij concluderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [eiseres] afwijst, zowel in de bodemzaak (vorderingen sub I, II en III) als in het incident (vordering sub IV), met veroordeling van [eiseres] in de kosten, daaronder begrepen de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente indien de kosten niet binnen twee weken na datum van het vonnis worden voldaan.

3.4. Vereijken voert aan dat zij niet op grond van de artikelen 6:74 en 6:162 BW aansprakelijk is jegens [eiseres] voor eventuele tekortkomingen respectievelijk onrechtmatige gedragingen van haar werknemers. Voor het geval [eiseres] haar vordering mede baseert op de artikelen 6:76 en 6:170 BW voert Vereijken het volgende aan. Vereijken is haar contractuele verplichtingen jegens [eiseres] nagekomen. De spullen van [eiseres] zijn immers tijdig en in goede staat overgebracht naar de nieuwe woning. In haar algemene voorwaarden heeft Vereijken aansprakelijkheid voor schade, anders dan veroorzaakt door het niet nakomen van deze contractuele verplichtingen, uitgesloten. Bovendien hebben de medewerkers het hondje niet laten ‘rondslingeren’ en zijn zij niet tekort geschoten in de zorg die in de gegeven omstandigheden van hen kon worden verlangd, aldus Vereijken. Van een onrechtmatige gevaarscheppende gedraging van de verhuismedewerkers is volgens Vereijken ook geen sprake. Vereijken houdt het er voor dat sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

Indien aansprakelijkheid van Vereijken aan de orde zou zijn, beroept Vereijken zich op eigen schuld aan de zijde van [eiseres]. Vereijken betwist dat oorzakelijk verband bestaat tussen de val en de klachten waaraan [eiseres] stelt te lijden, alsook de daardoor beweerdelijk geleden schade. Vereijken betwist ook dat [eiseres] aanspraak kan maken op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Volgens Vereijken kan toekenning aan [eiseres] van een voorschot op de schadestaatprocedure hier niet aan de orde zijn.

Nationale Nederlanden beroept zich er op dat, nu Vereijken niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de [eiseres] geleden schade, [eiseres] geen vordering toekomt tot rechtstreekse betaling jegens Nationale Nederlanden.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In deze zaak staat de vraag centraal of het door [eiseres] ingeschakelde verhuisbedrijf Vereijken aansprakelijk is - wegens wanprestatie of onrechtmatig handelen van haar medewerkers - voor de schade die [eiseres] lijdt doordat zij is gevallen over het hondje van Vereijken.

4.2. De rechtbank is met Vereijken van oordeel dat de overeenkomst met [eiseres] een resultaatsverbintenis inhoudt en dat het toegezegde - en in artikel 10 van de algemene voorwaarden van Vereijken beschreven - resultaat is bereikt, te weten het tijdig en in goede staat overbrengen van alle spullen van [eiseres] naar haar nieuwe woning. In zoverre is Vereijken haar contractuele verplichtingen jegens [eiseres] nagekomen.

Dit sluit echter niet uit dat ook in zo’n geval sprake kan zijn van niet-behoorlijke nakoming van de verbintenis uit overeenkomst, namelijk indien weliswaar de toegezegde prestatie is geleverd, maar deze prestatie of daarmee samenhangende gedragingen aan de zijde van Vereijken op de een of andere wijze schade toebrengen aan [eiseres]. Dit laatste is waar [eiseres] zich primair op beroept wanneer zij stelt dat sprake is van onzorgvuldig handelen door de medewerkers van Vereijken, zo begrijpt de rechtbank.

4.3. Subsidiair beroept [eiseres] zich op onrechtmatige gevaarzetting. De rechtbank overweegt dat het in het leven roepen van een gevaarzettende situatie, bij verwezenlijking van dat gevaar, kan leiden tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW, indien is voldaan aan de criteria die door de Hoge Raad zijn geformuleerd in het Kelderluikarrest van 5 november 1965 (NJ 1966, 136). In dit arrest is bepaald dat alleen in het licht van de omstandigheden van het gegeven geval kan worden beoordeeld of en in hoeverre aan iemand, die een situatie in het leven roept welke voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt. Daarbij dient te worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen. Deze criteria dienen in onderling verband te worden beschouwd.

4.4. Of de verhuismedewerkers van Vereijken onvoldoende zorgvuldig te werk zijn gegaan of onrechtmatig hebben gehandeld, moet worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke omstandigheden van het geval.

4.5. Over de toedracht van de val zijn partijen het niet geheel met elkaar eens.

4.5.1. [eiseres] stelt dat zij geconcentreerd bezig was met inruimen van een vitrinekast in de hal van haar nieuwe woning, toen de mobiele telefoon ging die in de eetkamer lag. Zij deed een stap achteruit en draaide zich tegelijkertijd om, om naar de telefoon te lopen, en kwam toen met één voet op een hondje terecht dat achter haar stond en daar door een van de medewerkers van Vereijken was achtergelaten. Doordat zij met haar voet op het hondje kwam te staan, rolde deze weg, waardoor [eiseres] op haar stuitje is gevallen. Haar rechterhand is geblesseerd geraakt omdat zij daarmee haar val heeft willen breken, zo stelt [eiseres].

4.5.2. Vereijken stelt dat één van de verhuismedewerkers, de heer [W], met gebruikmaking van een hondje een collegetafel vanaf de verhuiswagen via de voordeur de hal van de woning heeft binnengereden, waarna de echtgenoot van [eiseres] aanbood om deze tafel samen in de slaapkamer te zetten. [W] en de echtgenoot van [eiseres] hebben de tafel samen opgepakt en zijn ermee de slaapkamer ingelopen. Op dat moment ging de mobiele telefoon die in de keuken lag. [eiseres], die op dat moment in de woonkamer bezig was, riep naar haar man dat de telefoon moest worden opgenomen. Laatstgenoemde gaf aan dat hij met een tafel in de hand stond en dat de telefoon maar even moest wachten. [eiseres] is vervolgens de woonkamer uitgerend richting de keuken en heeft hierbij geen oog gehad voor het hondje in de hal, waar de tafel op stond die [W] en haar echtgenoot daar inmiddels van af hadden getild. [eiseres] is ongelukkigerwijs in aanraking gekomen met het hondje en gevallen, aldus Vereijken.

4.5.3. In de dagvaarding heeft [eiseres] aangegeven dat de drie medewerkers van Vereijken ten tijde van het ongeval een koffiepauze hadden in de eetkamer van de nieuwe woning van [eiseres]. Dit is door Vereijken uitdrukkelijk betwist. Ter zitting heeft [eiseres] over het moment van haar val verklaard: “Ik weet niet waar de verhuizers op dat moment waren. Ik dacht dat één verhuizer in de eetkamer was, maar ik weet dit niet honderd procent zeker. Ik weet niet waar de andere verhuizers waren, ik denk dat ze heen en weer liepen met spullen. (…) Nadat ik was gevallen stond mijn man in de hal. Ik weet niet waar hij daarvoor was.”

4.6. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van partijen over de toedracht van het ongeval op een aantal punten afwijken. Wel staat tussen partijen vast dat de medewerkers van Vereijken bij de verhuizing gebruik maakten van meerdere hondjes, waarmee zware goederen vanaf de verhuisauto tot in huis werden gereden, en dat [eiseres] in de hal van haar nieuwe woning over een hondje is gestruikeld dat daar door een van de verhuismedewerkers is neergezet. Gelet op de hierboven weergegeven verklaring die [eiseres] ter zitting heeft afgelegd, neemt de rechtbank ook als vaststaand aan dat de verhuismedewerkers op het moment dat [eiseres] ten val kwam bezig waren met hun werkzaamheden en niet gezamenlijk koffiepauze hielden, zoals in de dagvaarding is gesteld.

4.7. De rechtbank stelt voorop dat een met de wielen op de grond staand hondje het gevaar in zich bergt dat daar iemand onbedoeld op gaat staan en wegglijdt (wegrijdt) of struikelt. Dit is door Vereijken ook uitdrukkelijk erkend. Dat het gebruik van een hondje gevaar kan opleveren betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat dit gebruik op zichzelf onzorgvuldig of onrechtmatig is. Of hiervan sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval.

4.8. Door Vereijken is onweersproken gesteld, en dus moet als vaststaand worden aangenomen, dat een hondje een nuttig hulpmiddel is tijdens verhuizingen, dat dit hulpmiddel door verhuisbedrijven veel wordt gebruikt, dat het de rug van de verhuismedewerkers ontlast bij het verplaatsen van zware goederen over grotere afstanden, dat voor het gebruik van hondjes geen branchevoorschriften gelden en dat bij Vereijken nog nooit eerder iemand over een hondje is gestruikeld.

4.9. De rechtbank overweegt dat [eiseres], die samen met haar echtgenoot op beide dagen heeft meegeholpen met verhuizen (zij ruimden de spullen in, de verhuismedewerkers deden het zware werk) gezien moet hebben dat er hondjes werden gebruikt. Dit heeft zij ook niet betwist. De rechtbank acht het bovendien een gegeven dat een verhuizing wanorde met zich meebrengt en dat tijdens een verhuizing spullen op plaatsen staan waar je ze niet verwacht. [eiseres] diende er derhalve op bedacht te zijn dat er overal in huis spullen konden staan die daar niet hoorden en die daar niet door haar waren neergezet. Nu [eiseres] wist dat er gewerkt werd met hondjes, moest zij er ook op bedacht zijn dat deze in huis konden staan. Dit gold in het bijzonder voor de hal, nu uit de door [eiseres] overgelegde plattegrond van de nieuwe woning blijkt dat de hal de centrale ruimte is waar zich de deuren bevinden naar nagenoeg alle andere vertrekken van de bungalow, zodat veel meubels en andere zware goederen door de hal naar de verschillende vertrekken moesten worden gereden. Gegeven deze omstandigheden mochten de verhuismedewerkers van [eiseres] verwachten dat zij extra oplettend en voorzichtig zou zijn.

4.10. Indien juist is, zoals Vereijken stelt maar [eiseres] betwist, dat [eiseres] vanuit de woonkamer door de hal richting de keuken is gerend om de telefoon op te pakken, dan is zonder meer sprake van een situatie van onoplettendheid en onvoorzichtigheid van [eiseres] waarmee de medewerkers van Vereijken redelijkerwijs geen rekening behoefden te houden. Maar ook indien wordt uitgegaan van de toedracht zoals door [eiseres] beschreven, is de rechtbank van oordeel dat zij door haar handelwijze, hoe voorstelbaar ook, onvoldoende voorzichtig is geweest. Indien zij in de hal geconcentreerd bezig was een kast in te ruimen terwijl de verhuizers heen en weer liepen met spullen, dan mocht van haar verwacht worden dat zij eerst om zich heen zou kijken alvorens achteruit te stappen en zich om te draaien om naar de telefoon te gaan.

4.11. [eiseres] stelt dat van een professioneel verhuisbedrijf als dat van Vereijken verwacht mag worden dat zij op een zorgvuldige wijze met hulpmiddelen omgaat. Vereijken heeft in dit verband aangegeven dat de hondjes tijdens pauzes aan de kant worden gezet. [eiseres] meent dat uit oogpunt van zorgvuldigheid de hondjes ook tijdens de werkzaamheden direct moeten worden weggezet nadat het te vervoeren object daar vanaf is gehaald. Dit zou betekenen dat bij het verplaatsen van zware goederen altijd een extra medewerker aanwezig moet zijn om het hondje weg te zetten, of dat de medewerkers het te verplaatsen object eerst naast het hondje op de grond moeten plaatsen en vervolgens – nadat het hondje is weggezet – opnieuw moeten optillen en verplaatsen naar de plaats van bestemming. Dit alles om te voorkomen dat iemand over het hondje valt. Door Vereijken is gewezen op de bezwaarlijkheid van een dergelijke werkwijze. De rechtbank is van oordeel dat van verhuismedewerkers in een geval als hier aan de orde niet kan worden gevergd dat zij in zo vergaande mate rekening houden met mogelijke onoplettendheid van de bewoner(s), dat zij de door hen gebruikte hondjes telkens direct rechtop zetten.

4.12. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat in de gegeven omstandigheden van dit geval niet gezegd kan worden dat de medewerkers van Vereijken onzorgvuldig zijn geweest bij de uitvoering van hun werkzaamheden of onrechtmatig hebben gehandeld door bij hun werkzaamheden gebruik te maken van hondjes en deze tijdens hun werkzaamheden gedurende enige tijd op de wielen in de hal te laten staan. De rechtbank is daarentegen van oordeel dat de val van [eiseres] en de vervelende gevolgen die deze val helaas voor haar heeft gehad, en nog altijd heeft, te wijten zijn aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Van aansprakelijkheid van Vereijken is dan ook geen sprake.

4.13. Omdat geen sprake is van niet-behoorlijke nakoming van de overeenkomst of onrechtmatige gedragingen van de medewerkers van Vereijken, is Vereijken niet aansprakelijk voor de door [eiseres] geleden schade. De vraag of de vordering van [eiseres] als weergegeven in 3.1 onder I gelezen moet worden als (mede) te zijn gebaseerd op de artikelen 6:76 en 6:170 lid 1 BW, zoals uit het lichaam van de dagvaarding zou kunnen worden afgeleid, kan daarom onbesproken blijven, evenals het beroep van Vereijken op het bepaalde in artikel 11 lid 5 van haar algemene voorwaarden.

4.14. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Vereijken worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 330,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.234,00

4.15. De door Vereijken gevorderde veroordeling in de nakosten moet worden afgewezen, nu in artikel 237 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor het verhaal van deze kosten een bijzondere procedure is voorgeschreven.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Vereijken tot op heden begroot op EUR 1.234,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.M. van Reijsen en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2007.