Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA2723

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
149583 - HA ZA 06-2172
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Eiser is het slachtoffer van een poging tot moord. Verweerders zijn de vier daders, waaronder zijn ex-echtgenote en een huisvriend / collega. De daders, zijn allen onherroepelijk veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen wegens het medeplegen van poging tot moord. Eiser is verdoofd, daarna met een hamer op het hoofd geslagen en vervolgens is getracht hem te verstikken. Blijvend zwaar lichamelijk en psychisch letsel opgelopen. Onder meer linkszijdig verlamd, rolstoelgebonden, cognitieve stoornissen, oog verloren. Volledig arbeidsongeschikt, aangewezen op 24 uur hulp per dag. Kinderen in pleeggezinnen geplaatst. Immateriële schadevergoeding EUR 150.000,-. Beroep op matiging door een van verweerders afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 96
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 166
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2007/99

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 149583 / HA ZA 06-2172

Vonnis van 11 april 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BEWINDVOERDERSKANTOOR KROEZEN B.V.,

gevestigd te Vortum-Mullem,

eiseres,

procureur mr. E.E.M. van Schaijk-Böhm,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

niet verschenen,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te onbekend,

gedaagde,

procureur mr. G.H.M. van Laarhoven,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. M.F.J. Martens,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te onbekend,

gedaagde,

niet verschenen.

Eiseres zal hierna Kroezen genoemd worden. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] genoemd worden en gezamenlijk [gedaagden]. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 december 2006,

- het proces-verbaal van comparitie van 2 april 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 16 juli 2002, gewezen op tegenspraak, bewezen verklaard dat [gedaagde sub 1] "op of omstreeks 10 november 2000 te Mariaheide, gemeente Veghel, ter uitvoering van het door haar, verdachte, en haar mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar, opzettelijk en met voorbedachten rade [B] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met anderen met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, aan die [B] slaappillen heeft toegediend en vervolgens met een hamer meermalen tegen het hoofd van die [B] heeft geslagen en vervolgens een plastic zak over het hoofd van die [B] heeft getrokken en dichtgehouden teneinde die [B] te laten stikken en vervolgens die [B] geruime tijd in levensbedreigende toestand alleen heeft gelaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

In verband met deze bewezenverklaring is aan [gedaagde sub 1] acht jaren gevangenisstraf opgelegd.

2.2. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 16 juli 2002, gewezen op tegenspraak, (onder meer) bewezen verklaard dat [gedaagde sub 3] "op of omstreeks 10 november 2000 te Mariaheide, gemeente Veghel, ter uitvoering van het door hem, verdachte, en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar, opzettelijk en met voorbedachten rade [B] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met anderen met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, aan die [B] slaappillen heeft toegediend en vervolgens met een hamer meermalen tegen het hoofd van die [B] heeft geslagen en vervolgens een plastic zak over het hoofd van die [B] heeft getrokken en dichtgehouden teneinde die [B] te laten stikken en vervolgens die [B] geruime tijd in levensbedreigende toestand alleen heeft gelaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

In verband met (onder meer) deze bewezenverklaring is aan [gedaagde sub 3] acht jaren gevangenisstraf opgelegd.

2.3. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] zijn eveneens schuldig bevonden aan het medeplegen van poging tot moord op [B] en tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen veroordeeld.

2.4. Bij beschikking van de kantonrechter te 's-Hertogenbosch d.d. 1 mei 2001 is voornoemde [B] onder bewind gesteld. Bij beschikking van de kantonrechter te Boxmeer d.d. 16 maart 2004 is Kroezen tot bewindvoerder aangesteld.

3. Het geschil

3.1. Kroezen vordert - samengevat - hoofdelijke veroordeling van [gedaagden]. bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van:

- EUR 150.000,- terzake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 november 2000,

- EUR 304.423,- terzake van verlies arbeidsvermogen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding,

- EUR 66.512,71 aan overige materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding,

- de kosten van de procedure.

3.2. Kroezen stelt daartoe, kort gezegd, dat [gedaagden]. uit hoofde van artikel 6:162 BW gehouden zijn de schade te vergoeden die [B] heeft geleden en nog zal lijden door hun toedoen.

3.3. [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] voeren verweer. Op de stelling van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] is verstek verleend. Ingevolge het bepaalde in artikel 140 lid 2 Rv zal dit vonnis ook wat hen betreft als een vonnis op tegenspraak worden beschouwd.

4.2. De hiervoor onder 2.1. en 2.2. genoemde arresten van het 's-Hertogenbosch in de strafzaken tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3], die op tegenspraak zijn gewezen en in kracht van gewijsde zijn gegaan, leveren dwingend bewijs op van het medeplegen van poging tot moord op [B]. Hetzelfde geldt voor wat betreft [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4], aangezien onweersproken is gesteld dat ook zij in de strafzaak onherroepelijk zijn veroordeeld ter zake voormeld misdrijf. Deze gedraging is als een onrechtmatig handelen van [gedaagden]. jegens [B] te kwalificeren.

4.3. Zowel [gedaagde sub 3] als [gedaagde sub 2] ontkennen betrokken te zijn geweest bij de poging tot moord op [B]. Dit verweer faalt bij gebrek aan iedere feitelijke onderbouwing.

4.4. Voor het overige is gesteld noch gebleken dat het onrechtmatig handelen niet kan worden toegerekend aan [gedaagden]., zodat zij de schade die [B] dientengevolge heeft geleden en nog zal lijden, dienen te vergoeden. Dit laatste is door [gedaagden]. niet betwist. [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] stellen echter dat de door Kroezen opgevoerde kosten niet (alle) in causaal verband staan tot het onrechtmatig handelen, terwijl zij voorts de noodzaak en de omvang van bepaalde posten betwisten. [gedaagde sub 2] beroept zich bovendien op matiging van de schadevergoeding.

4.5. Alvorens de verschillende schadeposten te behandelen zal de rechtbank eerst ingaan op het standpunt van [gedaagde sub 3] dat een deskundigenonderzoek nodig is naar de medische gevolgen van het misdrijf. Volgens [gedaagde sub 3] blijkt uit de bij de dagvaarding overgelegde producties niet dat er sprake is van een medische eindtoestand bij [B] en wat zijn beperkingen zijn. Voorts blijkt daaruit niet of, en zo ja in welke mate er sprake is van functieverlies en aantasting van de cognitieve vaardigheden. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Voor zover er al onduidelijkheid zou bestaan op de hiervoor vermelde punten, is die onduidelijkheid in ieder geval opgehelderd met het rapport van de neuropsycholoog d.d. 11 december 2006. Dit rapport is door Kroezen voorafgaand aan de comparitie in het geding gebracht als productie 12. Hoewel daartoe alle gelegenheid was, heeft [gedaagde sub 3] daarop niet meer gereageerd. [B] heeft bovendien bij de comparitie gedetailleerd aangegeven wat zijn beperkingen zijn - zie hierna onder 4.6. - waarop door [gedaagde sub 3] evenmin is gereageerd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om, alvorens verder omtrent de schadeposten te beslissen, een deskundigenbericht te gelasten.

A. Immateriële schade

4.6. Blijkens de dagvaarding en de daarbij gevoegde producties, alsmede de verklaring van [B] bij de comparitie en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken, heeft [B] als gevolg van het misdrijf de volgende beperkingen:

- linkszijdig verlamd,

- afhankelijk van een katheter,

- rechteroog is blind,

- linkeroog heeft kokervisie,

- epilepsie,

- cognitieve stoornissen,

- geheugenstoornissen.

Dat [B] deze beperkingen heeft is niet (gemotiveerd) betwist. Als gevolg van die beperkingen is [B] rolstoelafhankelijk. Hij kan niet meer zonder begeleiding lopen. Voorts is hij voor de rest van zijn leven voor 24 uur per dag zorgafhankelijk en voor 80-100% arbeidsongeschikt. Hij kan niet meer sporten en is niet meer in staat zijn kinderen op te voeden en een normaal gezinsleven te leiden. Voorts heeft hij verklaard dagelijks te moeten revalideren. Ook deze gevolgen zijn niet (gemotiveerd) betwist. Voorts speelt voor het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding mee dat [B] als gevolg van het misdrijf zijn gezin is kwijtgeraakt. Zijn kinderen zijn in een pleeggezin ondergebracht - aanvankelijk in aparte gezinnen, sinds november 2006 in één pleeggezin - en [B] is voor het contact met zijn kinderen sinds kort aangewezen op een "omgangsregeling" waarbij zij hem eens per maand bezoeken.

4.7. [gedaagde sub 2] stelt dat de problemen betreffende de scheiding van de kinderen en de beperkte bezoekregeling niet aan hem toegerekend kunnen worden. Dat betreft volgens hem een kwestie die voor rekening komt van de daarvoor verantwoordelijke instanties. Dit verweer faalt. Door zijn betrokkenheid bij de aanslag op het leven van [B] is [gedaagde sub 2] er direct verantwoordelijk voor dat de kinderen bij pleeggezinnen moesten worden ondergebracht, met alle gevolgen van dien. Het is immers als gevolg van het misdrijf dat de vader niet meer in staat is om zelf voor de kinderen te zorgen. De emotionele schade die [B] als vader daardoor lijdt komt dan ook volledig voor rekening van degenen die de aanslag op zijn leven hebben gepleegd.

4.8. [gedaagde sub 3] voert aan dat voor wat betreft de verbroken gezinsband moet worden gekeken naar de betrokkenheid van [gedaagde sub 1]. Als zij niets gedaan had, dan hadden de kinderen in ieder geval nog een moeder gehad. Dit verweer, dat erop neerkomt dat volgens [gedaagde sub 3] de emotionele schade van [B] voor zover het de verbroken gezinsband betreft niet aan zijn onrechtmatig handelen is toe te rekenen, faalt. [gedaagde sub 3] miskent met dit verweer dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:166 BW. [gedaagde sub 3] kan zich als mededader niet aan aansprakelijkheid voor een bepaalde schadepost onttrekken door te stellen dat die schade niet het gevolg is van zijn onrechtmatige gedraging.

4.9. [gedaagde sub 3] voert voorts aan dat het huwelijk van [B] en [gedaagde sub 1] al niet goed meer was, zodat het probleem met betrekking tot de verbroken gezinsband deels voor rekening van [B] zelf komt. Dit verweer van [gedaagde sub 3], dat moet worden beschouwd als een eigen-schuldverweer, faalt. Van een situatie waarin de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan [B] zelf kan worden toegerekend is geen sprake.

4.10. Ten slotte voert [gedaagde sub 3] aan dat toewijzing van een immateriële schadevergoeding uit de hoogste categorie niet gerechtvaardigd is. De rechtbank is echter van oordeel dat de hiervoor onder 4.6. beschreven beperkingen en hun gevolgen dat wel rechtvaardigen. De rechtbank overweegt daartoe dat het persoonlijk en beroepsleven van [B] blijvend is veranderd in negatieve zin, er sprake is van algeheel verlies van het ene oog en functieverlies van het andere, er sprake is van functieverlies van de linkerzijde van het lichaam, [B] levenslang medische begeleiding en controle zal behoeven, er sprake is van blijvend lichamelijk en geestelijk letsel, hij blijvend op een rolstoel is aangewezen, slechts begeleid zelfstandig kan wonen en er sprake is van totale arbeidsinvaliditeit. Dat [B] zich bezighoudt met dagbesteding, bezigheidstherapie, in beperkte mate eenvoudige maaltijden kan koken, boodschappen kan doen en niet in een psychiatrische inrichting of verpleeghuis verblijft, valt in het niet bij de blijvende nadelige lichamelijke, geestelijke en emotionele gevolgen die [B] van het handelen van [gedaagden]. ondervindt.

4.11. Met inachtneming van het vorenoverwogene stelt de rechtbank, gelet op de ernst en het onherstelbare karakter van het aan [B] toegebrachte letsel en de beperkingen die hij daarvan fysiek en mentaal ondervindt, zoals beschreven onder 4.6., de door [B] geleden en nog te lijden immateriële schade naar billijkheid vast op EUR 150.000,-. De gevorderde wettelijke rente vanaf 10 november 2000 zal, nu daartegen geen verweer is gevoerd, worden toegewezen.

B. Verlies arbeidsvermogen

4.12. Kroezen vordert wegens verlies arbeidsvermogen van [B] een bedrag van EUR 304.423,-. Ter onderbouwing van dit bedrag heeft zij een schadeberekening van het Nederlands Rekencentrum Letselschade (NRL) overgelegd (productie 5 bij dagvaarding).

4.13. [gedaagde sub 2] voert tegen het rapport aan dat het NRL in het rekenmodel ten onrechte is uitgegaan van een te bereiken leeftijd van 100 jaar. De levensverwachting van een Nederlandse man ligt rond de 75 jaar. De toekomstige schade moet dan ook naar beneden worden bijgesteld, aldus [gedaagde sub 2]. Dit verweer faalt. [gedaagde sub 2] heeft over het hoofd gezien dat het NRL een sterftekanscorrectie in de schadeberekening heeft verwerkt.

4.14. Volgens [gedaagde sub 3] is het NRL bij de opstelling van de schadeberekening van onjuiste veronderstellingen uitgegaan met betrekking tot het arbeidscontract van [B], de pensioenleeftijd, salarisschaal en bijklussen. De rechtbank overweegt als volgt.

4.15. Tegenover de stelling van Kroezen dat [B] voor onbepaalde tijd in loondienst was, stelt [gedaagde sub 3] niet meer dan dat hij "denkt dat [B] op het moment van het misdrijf nog in zijn proeftijd zat." Bij gebrek aan feitelijke onderbouwing faalt het verweer van [gedaagde sub 3] op dit punt. Het NRL is dan ook terecht uitgegaan van een dienstverband voor onbepaalde tijd. Ook de stelling van [gedaagde sub 3] dat het NRL er ten onrechte vanuit is gegaan dat [B] tot zijn 65e timmerman zou blijven, volgt de rechtbank niet. [gedaagde sub 3] baseert dit louter op het feit dat [B] nog niet zo lang als timmerman werkzaam was. Waarom dit eraan in de weg zou staan dat [B] tot zijn pensioen als timmerman zou werken, is op geen enkele wijze nader onderbouwd. De stelling dat het NRL ten onrechte is uitgegaan van salarisschaal D en een brutosalaris van EUR 226,89 per week is evenmin van enige feitelijke onderbouwing voorzien. Ook daaraan gaat de rechtbank derhalve voorbij. Ten slotte faalt ook het verweer dat het NRL ten onrechte is uitgegaan van een component "bijklussen" ad EUR 126.655,-. Bij antwoord betwist [gedaagde sub 3] dat [B] bijkluste. Ter comparitie heeft hij echter met zoveel woorden verklaard dat hij degene was die samen met [B] bijkluste. Voorts heeft [B] ter zitting desgevraagd nader toegelicht hoeveel uren hij per week bijkluste. Dat is door [gedaagde sub 3] niet weersproken. Evenmin heeft [gedaagde sub 3] gemotiveerd verweer gevoerd tegen het bij de schadeberekening voor het bijklussen gehanteerde uurtarief.

4.16. Gelet op het vorenoverwogene stelt de rechtbank de schade wegens verlies arbeidsvermogen conform het rapport van het NRL (en de vordering) vast op EUR 304.423,-. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding zal, nu daartegen geen verweer is gevoerd, worden toegewezen.

C. Kosten Van den Boom advocaten / kosten bewindvoerder

Kosten Van den Boom advocaten

4.17. Kroezen vordert een bedrag ad EUR 3.370,03 wegens kosten voor juridische bijstand, gemaakt in het kader van het verzoek tot onderbewindstelling. [gedaagde sub 3] voert verweer tegen deze schadepost. Hij betwist allereerst de noodzaak van het bewind. Volgens hem blijkt van die noodzaak niet uit de beschikking van de kantonrechter. Dit verweer faalt. De kantonrechter heeft in de beschikking van 1 mei 2001 overwogen "dat uit de stukken aannemelijk is geworden dat de rechthebbende [[B]-rb] als gevolg van zijn geestelijke toestand niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen" en [B] onder bewind gesteld. Anders dan [gedaagde sub 3] is de rechtbank van oordeel dat daarmee de noodzaak van het bewind vast staat. Het enkele feit dat [gedaagde sub 3] niet in staat is om zelf op basis van de aan het destijds ingediende verzoekschrift ten grondslag liggende stukken te beoordelen of die noodzaak er was, levert geen voldoende gemotiveerde betwisting op van de noodzaak van onderbewindstelling.

4.18. [gedaagde sub 3] betwist voorts dat de kosten gemaakt zijn. Het kostenoverzicht (overgelegd als productie 6a bij dagvaarding) betreft een handgeschreven overzicht waarvan niet duidelijk is wie het heeft opgesteld en op welke werkzaamheden het ziet. Ter comparitie is van de zijde van Kroezen aangevoerd dat het overzicht is opgesteld door de familie van [B] en dat de kosten allemaal betrekking hebben op de procedure ter zake de onderbewindstelling. Voorts wijst zij op de grootboekkaarten die als onderdeel van productie 6a zijn overgelegd, waaruit blijkt dat de kosten ook daadwerkelijk zijn voldaan. De rechtbank is van oordeel dat Kroezen hiermee het verweer van [gedaagde sub 3] voldoende gemotiveerd heeft weerlegd, temeer daar hij ter comparitie de door Kroezen verschafte toelichting niet heeft weersproken. De advocaatkosten zullen derhalve worden toegewezen zoals gevorderd. De gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding is niet betwist, zodat die eveneens zal worden toegewezen.

Kosten bewindvoerder

4.19. Kroezen vordert aan kosten van de bewindvoerder tot en met 31 december 2004 een bedrag ad EUR 3.511,10. Voor de periode vanaf 1 januari 2005 tot en met het 70ste levensjaar van [B] vordert zij een bedrag ad EUR 50.554,36. [gedaagde sub 3] betwist deze schadepost.

4.20. Voor zover [gedaagde sub 3] zijn verweer grondt op zijn stelling dat er geen noodzaak was voor het instellen van het bewind, faalt dit. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor onder 4.17. heeft overwogen. Ook het verweer ven [gedaagde sub 3] dat uit de stukken niet blijkt van de noodzaak van bewind tot en met het 70ste levensjaar van [B] faalt. Uit de rapportage neuropsychologisch onderzoek d.d. 11 december 2006 (voorafgaand aan de comparitie overgelegd als productie 12) blijkt dat [B] nog steeds lijdt aan cognitieve stoornissen ten gevolge van het hersenletsel in 2000, die in ernst weinig veranderd zijn. [gedaagde sub 3] heeft overigens ook niet gesteld, noch is anderszins gebleken, dat die cognitieve stoornissen op enig moment niet meer zullen bestaan. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat [B] ook in de toekomst nog onder bewind zal blijven staan.

4.21. [gedaagde sub 3] betwist voorts de hoogte van de gemaakte kosten tot 31 december 2004, omdat elk bewijs daarvoor ontbreekt. Dit verweer faalt. De noodzaak van het bewind staat vast. Dat daaraan kosten verbonden zijn behoeft geen betoog. Het door Kroezen opgevoerde bedrag over de periode vanaf het instellen van het bewind tot 31 december 2004 komt de rechtbank niet onredelijk hoog voor. Bovendien blijkt uit de dagvaarding dat men uitgaat van de landelijk vastgestelde tarieven voor bewindvoering. De kosten tot en met 31 december 2004, alsmede de daarover gevorderde rente vanaf de datum van de dagvaarding, zullen daarom worden toegewezen.

4.22. Met betrekking tot de kosten vanaf 1 januari 2005 overweegt de rechtbank het volgende. Kroezen vordert betaling van een bedrag ineens voor de kosten van de bewindvoering tot en met het 70ste levensjaar van [B]. Daartoe heeft Kroezen simpelweg de (geïndexeerde) bedragen die per jaar verschuldigd zullen zijn opgeteld. Bij vordering van een bedrag ineens voor toekomstige schade moet men echter uitgaan van een gekapitaliseerd bedrag. De ratio daarachter is, dat als men voor toekomstige schade betaling van het gehele schadebedrag ineens vordert - zoals Kroezen doet - een rentevoordeel wordt genoten en men dus meer ontvangt dan de schade die daadwerkelijk zal worden geleden. Alternatief is dat men vordert dat de gedaagde zal worden veroordeeld om telkens ieder jaar de voor dat jaar verschuldigde bedragen te voldoen. Omdat Kroezen betaling van een bedrag ineens vordert zal de rechtbank zelf het gekapitaliseerde bedrag berekenen en de schade dienovereenkomstig begroten.

4.23. De rechtbank zal daarbij uitgaan van een jaarlijkse vergoeding per 1 januari 2005 ten bedrage van EUR 990,- (inclusief BTW) conform de Aanbevelingen van het Landelijk Overleg Kantonsectorvoorzitters betreffende het meerderjarigenbewind (te vinden op www.rechtspraak.nl). Voor de berekening van de gekapitaliseerde schade verwijst de rechtbank naar de aan dit vonnis gehechte bijlage. Uit de berekening volgt dat de totale schade ter zake de kosten van bewindvoering EUR 21.568,- bedraagt. De rechtbank stelt de schade dienovereenkomstig vast.

4.24. Met betrekking tot de gevorderde wettelijke rente overweegt de rechtbank het volgende. De wettelijke rente over de tot de kapitalisatiedatum - de datum van dit vonnis - reeds verschenen schade ad EUR 2.251,- zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De wettelijke rente over de toekomstige schade, die inclusief fiscale component neerkomt op EUR 19.318,-, zal worden toegewezen vanaf de kapitalisatiedatum.

D. Kilometervergoeding / ziekenhuisdaggeldvergoeding

4.25. Kroezen vordert conform de aanbevelingen van het Nationaal Platform Personenschade (NPP) de ziekenhuisdaggeldvergoeding ad NLG 50,- per dag. Voor de periode van 11 november 2000, de dag waarop [B] naar het ziekenhuis ging, tot 26 september 2001, de dag waarop [B] vanuit het ziekenhuis naar het verpleegtehuis ging, komt dit neer op een bedrag van in totaal EUR 6.103,34. De toepasselijkheid van de aanbevelingen van het NPP is niet betwist. [gedaagde sub 3] heeft bij antwoord om opheldering gevraagd over de periode gedurende welke [B] in het ziekenhuis heeft verbleven. Ter comparitie is van de zijde van Kroezen bevestigd dat [B] gedurende de gehele hiervoor genoemde periode in meerdere ziekenhuizen heeft verbleven. Dit is door [gedaagde sub 3] niet (voldoende gemotiveerd) weersproken. De gevorderde vergoeding zal derhalve worden toegewezen.

4.26. Kroezen vordert, eveneens op basis van de aanbevelingen van het NPP, een kilometervergoeding van in totaal EUR 363,02 voor de reiskosten die de ouders van [B] hebben moeten maken om hem te bezoeken gedurende de periode dat hij in het ziekenhuis lag. De toepasselijkheid van de aanbevelingen van het NPP op dit punt is eveneens niet betwist. Voor wat betreft de periode dat [B] in het ziekenhuis heeft verbleven verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 4.25. is overwogen. Deze schadepost zal worden toegewezen.

4.27. Tegen de over bovenstaande schadeposten gevorderde wettelijke rente is geen verweer gevoerd, zodat die eveneens zal worden toegewezen.

E. kosten schadeberekening NRL

4.28. Kroezen vordert een bedrag van EUR 2.610,86 gemoeid met het opstellen van de berekening met betrekking tot het verlies arbeidsvermogen door het NRL. Deze post is niet betwist. Gelet op het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.

Beroep op matiging [gedaagde sub 2]

4.29. [gedaagde sub 2] doet een beroep op matiging van de schadevergoeding. Hij voert daartoe aan dat hij vanwege het feit dat hij is veroordeeld voor een misdrijf in onzekerheid verkeert over zijn verblijfstatus in Nederland. De mogelijkheid bestaat dat hij wordt teruggestuurd naar zijn land van herkomst, Irak. Hij zal daar geen middelen van bestaan hebben. Er dient dan ook rekening te worden gehouden met de financieel-economische situatie aldaar en met zijn persoonlijke situatie in het bijzonder. De rechtbank volgt [gedaagde sub 2] hierin niet. Het is aan hemzelf te wijten dat zijn verblijfstatus in gevaar is gekomen en hij mogelijk moet terugkeren naar Irak. Het standpunt dat er rekening moet worden gehouden met de financieel-economische situatie in Irak vindt geen steun in het recht.

4.30. [gedaagde sub 2] voert verder aan dat rekening moet worden gehouden met het procentuele aandeel in de schade waarvoor hij verantwoordelijk kan worden gehouden. Ook dit verweer faalt. Het miskent dat er in het onderhavige geval op grond van artikel 6:166 BW sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid voor het geheel.

Ten slotte

4.31. Uit het vorenstaande volgt dat de volgende bedragen zullen worden toegewezen:

* post A: immateriële schade (r.o. 4.11) EUR 150.000,00

* post B: verlies arbeidsvermogen (r.o. 4.16) EUR 304.423,00

* posten C, D en E:

* kosten Van den Boom advocaten (r.o. 4.18) 3.370,03

* ziekenhuis daggeldvergoeding (r.o. 4.25) 6.103,34

* kilometervergoeding (r.o. 4.26) 363,02

* kosten schadeberekening NRL (r.o. 4.28) 2.610,86

------------- +

12.447,25 --> EUR 12.447,25

* post C:

* kosten bewind tot 31-12-2004 (r.o. 4.21) 3.511,10

* kosten bewind 1 januari 2005 tot en met

11 april 2004 (r.o. 4.23-4.24) 2.251,00

----------- +

5.762,10 --> EUR 5.762,10

* post C: kosten bewind vanaf 11 april 2007 (r.o. 4.23-4.24) EUR 19.318,00

4.32. [gedaagden]. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Kroezen worden begroot op:

- dagvaarding EUR 95,67

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 4.667,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 5.160,00 (2,0 punten × tarief EUR 2.580,00)

Totaal EUR 9.922,67

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagden]. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan Kroezen te betalen:

I. een bedrag van EUR 150.000,- (honderd vijftigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 10 november 2000 tot de dag van volledige betaling,

II. een bedrag van EUR 304.423,- (driehonderd vierduizend vierhonderd drieëntwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 7 juli 2006 tot de dag van volledige betaling,

III. een bedrag van EUR 12.447,25 (twaalfduizend vierhonderd zevenenveertig euro en vijfentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 7 juli 2006 tot de dag van volledige betaling,

IV. een bedrag van EUR 5.762,10 (vijfduizend zevenhonderd tweeënzestig euro en tien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 7 juli 2006 tot de dag van volledige betaling,

V. een bedrag van EUR 19.318,- (negentienduizend driehonderd achttien euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 11 april 2007 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagden]. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Kroezen tot op heden begroot op EUR 9.922,67,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.M. van Reijsen en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2007.