Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA2588

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-04-2007
Datum publicatie
10-04-2007
Zaaknummer
429272
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding van de huurovereenkomst afgewezen na het aantreffen van een hennepkwekerij op grond van bijzondere omstandigheden van het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie Eindhoven

In de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Eindhoven,

zetelende te Eindhoven,

eiseres,

gemachtigde: voorheen mr. I.C.K. Mol, thans mr. C.G. Bunge, advocaat te Eindhoven,

t e g e n

1. [gedaagde],

2. [gedaagde],

beiden wonende te Eindhoven,

gedaagden,

gemachtigde: mr. L.S.Th. Ruijters, advocaat te Eindhoven,

heeft de kantonrechter te Eindhoven het navolgende vonnis gewezen.

1. De verdere procedure

1.1. De verdere procedure blijkt uit de volgende stukken:

* de nadere conclusie zijdens Gemeente Eindhoven van 5 oktober 2006 met één productie;

* de reactie op nadere conclusie van eiseres zijdens [gedaagden] van 2 november 2006.

1.2. Partijen zullen worden aangeduid met "Gemeente Eindhoven" en "[gedaagden]".

1.3. De uitspraak is, mede in verband met overige werkzaamheden van de kantonrechter, eerst thans bepaald op heden. De kantonrechter betreurt deze lange vertraging uitdrukkelijk.

2. De verdere beoordeling

2.1. De kantonrechter volhardt bij zijn tussenvonnis van 13 juli 2006. In dit tussenvonnis is Gemeente Eindhoven verzocht op een aantal concreet omschreven punten, als opgenoemd in respectievelijk onderdelen 4.8.1. ("concrete waarschuwing"), 4.8.2. ('gelijke gevallen?') 4.8.3. ('vervangende woonruimte') en 4.8.4. ('persoonlijke omstandigheden [gedaagden]') te reageren. Voor zover Gemeente Eindhoven op deze punten is ingegaan zal de kantonrechter hieraan hieronder aandacht besteden, alsook aan hetgeen [gedaagden] bij reactie op nadere conclusie van eiseres is gesteld, voor zover althans voor de beoordeling van belang.

2.2. Gemeente Eindhoven heeft gesteld dat de door haar als productie 12 bij dagvaarding in het geding gebrachte brief van 5 mei 2003 wel de juiste brief is, nu Wooninc. Beheer BV medio 2003 optrad als beheerder namens Gemeente Eindhoven bij de onderhavige huurovereenkomst. Dit is zijdens [gedaagden] niet betwist zodat daar verder in deze zaak van uit zal worden gegaan.

2.3. Gemeente Eindhoven heeft, hoewel daartoe concreet door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld, niet aangegeven hoe zij de ontvangst van genoemde brief door [gedaagden] wenst te bewijzen. Evenmin heeft Gemeente Eindhoven zich uitgelaten over het aan [gedaagden] gedaan zijn van een mededeling op andere wijze, bijvoorbeeld mondeling, ter zake haar beleidswijziging als in onderdeel 4.7. van het tussenvonnis beschreven. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat Gemeente Eindhoven op dit punt geen bewijs wil of kan leveren, zodat het bij de verdere beoordeling in deze zaak ervoor moet worden gehouden dat aan [gedaagden] geen persoonlijke mededeling is gedaan van de beleidswijziging.

2.4. Gemeente Eindhoven heeft zich er echter op beroepen dat, los van de vraag of de brief van 5 mei 2003 door [gedaagden] is ontvangen, [gedaagden] als redelijk denkende huurder bekend had moeten zijn met het illegale karakter van het kweken van hennep en dat - zo begrijpt de kantonrechter - [gedaagden] dus ook had moeten weten dat Gemeente Eindhoven de aanwezigheid van een hennepkwekerij in (bedoeld zal zijn: op, ktr.) het door [gedaagden] gehuurde niet zou dulden.

2.5. De kantonrechter acht het buiten twijfel dat [gedaagden] bekend was met het illegale karakter van bedrijfsmatig hennepkweken (zie ook onderdeel 4.1. van het tussenvonnis).

De kantonrechter heeft echter in onderdeel 4.8.2. van het tussenvonnis omstandigheden geschetst op grond waarvan voorshands is aangenomen dat [gedaagden] zich aan een harde aanpak zijdens Gemeente Eindhoven, bestaande in het streven naar beëindiging van de huurovereenkomst, niet hoefde te verwachten. Gemeente Eindhoven heeft zich over deze omstandigheden niet uitgelaten, behoudens het hieronder te bespreken beleid tegen andere woonwagenbewoners.

2.6. Gemeente Eindhoven heeft in onderdeel 8 van haar nadere conclusie erkend dat na 5 mei 2003 in het woonwagenkamp aan de [adres] te Eindhoven hennepkwekerijen zijn ontmanteld waarbij tegen de huurders tot het moment van indienen van de conclusie geen juridische procedure is opgestart (naar de kantonrechter begrijpt: procedure tot beëindiging van de huur van de standplaats). De ontmanteling heeft plaatsgevonden medio 2004. Als enige verklaring voor het niet ondernemen van andere stappen voert Gemeente Eindhoven aan dat op dat moment het nieuwe beleid nog niet binnen haar gehele organisatie direct werd uitgevoerd. Dit laat de beleidswijziging per 5 mei 2003 en de bekendheid daarvan bij haar huurders onverlet, aldus Gemeente Eindhoven. Verder is, toen duidelijk werd dat niet tegen de huurders in het woonwagenkamp aan de [adres] is opgetreden, als vanzelfsprekend ingegrepen. Dat [gedaagden] hiervan niets heeft gemerkt ligt voor de hand, aldus Gemeente Eindhoven.

Bovendien had [gedaagden], toen hij een hennepkwekerij wilde beginnen, niet mogen kijken naar hoe het er in een ander woonwagenkamp aan toe ging, maar zich moeten richten naar het beleid van Gemeente Eindhoven en bij twijfel tot Gemeente Eindhoven moeten wenden om duidelijkheid te verkrijgen.

2.7. De kantonrechter kan Gemeente Eindhoven niet volgen in haar betoog dat [gedaagden] zich niet mocht spiegelen aan de consequenties die in een ander woonwagenkamp door Gemeente Eindhoven ogenschijnlijk werden verbonden aan het aantreffen van hennepkwekerijen ruim na 5 mei 2003, namelijk ongeveer een jaar later. Dat blijkbaar binnen Gemeente Eindhoven de beleidswijziging aangaande hennepkwekerijen nog niet in alle geledingen was doorgedrongen was voor [gedaagden] niet waarneembaar, althans gesteld noch gebleken is dat dit wel zo was. Bovendien geeft dit aan dat de gelding van de beleidswijziging ook voor woonwagenkampen blijkbaar binnen de organisatie van Gemeente Eindhoven ook niet evident was.

Op de door Gemeente Eindhoven niet nader genoemde maatregelen, naar de kantonrechter begrijpt zijn die van recente datum, hebben zich naar eigen zeggen zijdens Gemeente Eindhoven aan de waarneming van [gedaagden] onttrokken. Derhalve kan daaraan in deze zaak geen betekenis worden gehecht.

2.8. In deze procedure moet het gezien het voorgaande er derhalve voor worden gehouden dat [gedaagden] niet uitdrukkelijk op enigerlei wijze is gewaarschuwd voor de beleidswijziging per 5 mei 2003 en voorts evenmin aan de wijze waarop door Gemeente Eindhoven in vergelijkbare gevallen in woonwagenkampen na 5 mei 2003 werd opgetreden heeft kunnen zien dat het beleid echt was veranderd.

[gedaagden] mag Gemeente Eindhoven, als geen ander bekend met de eigen cultuur van woonwagenbewoners zoals [gedaagden], aan de aldus gewekte verwachting in deze procedure houden. [gedaagden] mocht weliswaar niet verwachten dat Gemeente Eindhoven illegale hennepkweek zou gedogen maar hoefde niet te verwachten dat, wanneer [gedaagden] daar om hem moverende redenen toch toe over zou gaan, dit voor Gemeente Eindhoven reden zou zijn onverkort te streven naar beëindiging van de huurovereenkomst betreffende de standplaats. [gedaagden] mocht immers van Gemeente Eindhoven als gemeente verwachten dat zij gelijke gevallen gelijk zou behandelen. De Gemeente Eindhoven is op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur hiertoe immers ook in privaatrechtelijke verhoudingen gehouden. In het midden kan thans blijven of naast het kamp aan de [adres] Gemeente Eindhoven ook nog, nadat de kwekerij van [gedaagden] is ontmanteld, bij andere woonwagenkampen zoals in Tivoli en in Tongelre tot op heden heeft nagelaten middels ontbindingsprocedures op te treden tegen huurders waar eveneens (en wel rond of na december 2004) illegale hennepkwekerijen zijn aangetroffen. Als dit niet zou komen vast te staan dan verandert dat niets aan de verwachting die [gedaagden] in 2004 mocht koesteren. Als dit wel zou komen vast te staan dan versterkt dat uitsluitend het beeld van een niet gerechtvaardigde, immers op geen enkele wijze onderbouwde, afwijkende bejegening van [gedaagden].

Dat het inmiddels anno 2007 [gedaagden] wel duidelijk zal zijn dat illegale hennepkweek als huurder door Gemeente Eindhoven (voortaan) hard wordt aangepakt, althans dat Gemeente Eindhoven hiertoe minst genomen het sterke voornemen heeft, maakt het voorgaande niet anders. Hetzelfde geldt voor het door Gemeente Eindhoven overgelegde arrest van het Hof 's-Hertogenbosch van 11 juli 2006, nu de kantonrechter van oordeel is dat door hem in beginsel dezelfde lijn als door het Hof uiteengezet wordt gevolgd (zie onder meer onderdelen 4.3. en 4.5. van het tussenvonnis), doch op grond van de bijzondere omstandigheden van dit specifieke geval, die duidelijk afwijken van die in genoemd arrest, tot zijn eindoordeel op dit punt komt.

Onder deze omstandigheden kan Gemeente Eindhoven geen ontbinding van de huurovereenkomst verlangen wegens de aanwezigheid van een hennepkwekerij als in deze aan de orde.

2.9. Gezien het voorgaande zal de kantonrechter behandeling van de door Gemeente Eindhoven betrokken stellingname ten aanzien van het in onderdelen 4.8.3. ('vervangende woonruimte') en 4.8.4. ('persoonlijke omstandigheden [gedaagden]') van het tussenvonnis aan de orde gestelde, achterwege laten.

2.10. Gezien het voorgaande zal de verzochte ontbinding en daaraan verbonden verzochte ontruiming en schadevergoedingsvordering worden afgewezen.

2.11. Nu Gemeente Eindhoven grotendeels in het ongelijk is gesteld, zal zij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

3. De beslissing

De kantonrechter:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt Gemeente Eindhoven in de kosten van het geding aan de zijde van [gedaagden] gevallen en tot heden begroot op € 450,= terzake gemachtigdensalaris, te voldoen op bankrekeningnummer 192325787 ten name van DS 536 Arrondissement 's-Hertogenbosch onder vermelding van de namen van partijen, zaaknummer en rolnummer.

Aldus gewezen door mr. R.R.M. de Moor, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 april 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.