Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA2464

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
06-04-2007
Zaaknummer
126605 - HA ZA 05-1147
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank merkt op dat -in tegenstelling tot in het strafrecht- in het civiele recht het beginsel ''ne bis in idem'' niet geldt.

Beroep op gezag van gewijsde gehonoreerd (artikel 236 lid1 RV)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 330
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 126605 / HA ZA 05-1147

Vonnis van 28 maart 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. I.J.J.M. Roorda,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats]

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. R.J.H. van den Dungen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de akte houdende overlegging producties,

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie,

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie,

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,

- de conclusie van dupliek in reconventie,

- de akte tevens houdende overlegging producties,

- de antwoordakte.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten zowel in conventie als in reconventie

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de door partijen overgelegde stukken, voor zover de inhoud daarvan niet is betwist, staat tussen partijen het volgende vast.

2.2. Op 11 juni 1971 heeft [gedaagde] aan [eiser] blijkens de akte (productie 1 dagvaarding) een ter plaatse kennelijk aangeduid gedeelte van een perceel weiland geleverd, kadastraal bekend gemeente Haaren, sectie B, nummers 215 en 216, met een oppervlakte van ongeveer 1.300 m2 voor de koopprijs van ( 2.600,-. Dit perceel heeft later het nummer 2055 gekregen (voortaan perceel nummer B 2055).

De akte bevat de volgende bepalingen:

"Indien er na opmeting van het verkochte door de Rijkslandmeter verschil in grootte mocht blijken te zijn met de hiervoor opgegeven maat, zal er verrekening van de koopsom plaatsvinden naar een prijs van twee gulden per centiare, waarna het eventueel teveel betaalde door de verkopers zal worden terugbetaald en het eventueel te weinig betaalde door de koper zal worden bijbetaald."

en

"Wordt gevestigd ten behoeve van het bij deze verkochte en ten laste van het aan verkopers in eigendom verblijvende voorliggende gedeelte van voormelde percelen Haaren, sectie B, nummers 216 en 215, alsmede ten laste van het aan verkopers in eigendom toebehorende perceel Haaren, sectie B, nummer 217, de erfdienstbaarheid van uitweg om te komen van en te gaan naar het heersend erf van en naar de openbare weg , welke erfdienstbaarheid is uit te oefenen over een strook grond ter breedte van drie meter en voor welke erfdienstbaarheid bebouwing, meerdere bebouwing of verandering van aard of bestemming van het heersend erf niet als een verzwaring zal gelden."

2.3. In november 1971 heeft er een kadastrale inmeting plaatsgevonden, waarbij de oppervlakte van perceel B 2055 900 m2 bleek te zijn. Het daaraan grenzende zuidelijk gelegen driehoekige perceel kadastraal bekend gemeente Haaren, sectie B, nummer 217 (voortaan perceel B 217), bleek een oppervlakte van 319 m2 te hebben, terwijl een door [gedaagde] afgepaald gedeelte op een aan de gemeente toebehorend perceel, kadastraal bekend gemeente Haaren, sectie B, nummers 2066, bestaande uit de Scheurbroeksesteeg (voortaan perceel B 2066) , 55 m2 bleek te zijn.

2.4. Op 23 februari 1973 heeft [eiser] aan mevrouw [S] blijkens de akte (productie 22 dagvaarding) het perceel B 2055 met een oppervlakte van 900 m2 voor de koopprijs van ( 4.500,- geleverd.

2.5. Blijkens hun verklaring (productie 18 dagvaarding) heeft [gedaagde] rond 19 november 1999 het perceel B 217 aan de heer [A] verkocht.

2.6. Bij brief van 3 november 2004 (productie 15 dagvaarding) heeft B&W van de gemeente Haaren medegedeeld, dat zij heeft besloten in te stemmen met een verjaring van een strook grond, ongeveer 75 m2, die deel uitmaakte van perceel B 2066. Dit laatste perceel heeft op 27 januari 2005 het nummer 2905 gekregen (voortaan perceel B 2905). De strook verjaarde grond kreeg het kadastrale nummer B 2904 (voortaan perceel B 2094).

2.7. In eerder geschil tussen dezelfde partijen heeft [eiser] in conventie - zakelijk weergegeven - een verklaring voor recht gevorderd ,dat op 11 juni 1971 blijkens de bedoeling van de partijen tevens het perceel B 217 ter grootte van 319 m2 aan [eiser] werd verkocht en geleverd en voorts veroordeling gevorderd van [gedaagde] tot medewerking aan de rectificering van de op 11 juni1 1971 opgemaakte akte en tot betaling van de beslag- en proceskosten.

In een vonnis van 29 september 2004 (99256/HA ZA 03-1704) heeft de rechtbank in conventie geoordeeld, dat de vorderingen van [eiser] op grond van het bepaalde in de artikelen 3:306 Burgerlijk Wetboek jo 73 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek door verloop van 20 jaar zijn verjaard en heeft zij bijgevolg de vorderingen van [eiser] afgewezen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Dit vonnis is in kracht van gewijsde.

3. Het geschil

In conventie

3.1. [eiser] heeft gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

a primair [gedaagde] veroordeelt om op schriftelijke sommatie zijdens [eiser] te verschijnen ten kantore van de vervanger, waarnemer of opvolger van wijlen notaris [M] en mee te werken aan het door de notaris laten opstellen van een rectificatieakte, inhoudende dat perceel sectie B, nummer 217, in de akte van 11 juni 1971 alsnog wordt vernoemd, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte van een dag, dat [gedaagde] weigert hieraan te voldoen,

b subsidiair voor recht verklaart dat [eiser] eigenaar is van het perceel, kadastraal bekend gemeente Haaren, sectie B, nummer 317 (rb: bedoeld is 217), ter grootte van 319 m2,

c [gedaagde] veroordeelt tot betaling van proceskosten, inclusief de beslagkosten.

3.2. [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd dat de rechtbank de vorderingen van [eiser] afwijst met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

In reconventie

3.3. [gedaagde] heeft gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

a [eiser] veroordeelt om binnen vijf dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis het door hem op 4 april 2005 gelegde beslag op perceel, kadastraal bekend, gemeente Haaren, sectie B, nummer 217, ter grootte van 3.19 ha, op te heffen, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, dat [eiser] in gebreke blijft hieraan te voldoen,

b [eiser] veroordeelt tot vergoeding aan [gedaagde] van alle schade die [gedaagde] lijdt ten gevolge van de beslaglegging van 4 april 2005, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

c [eiser] veroordeelt tot betaling van de proceskosten.

3.4. [eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd dat de rechtbank de vorderingen van [gedaagde] afwijst met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

De beoordeling

In conventie

4.1. [gedaagde] heeft in de eerste plaats het verweer gevoerd dat [eiser] al eerder dezelfde vorderingen tegen [gedaagde] heeft ingediend, waarbij de rechtbank bij vonnis van 29 september 2004 de vorderingen van [eiser] heeft afgewezen. Dit vonnis is in kracht van gewijsde, omdat [eiser] geen hoger beroep heeft ingesteld. Het vonnis heeft tevens gezag van gewijsde.

Op grond van het beginsel "Ne bis in idem" kan [eiser] niet voor de tweede keer [gedaagde] voor dezelfde kwesties dagvaarden en dient hij daarom niet ontvankelijk in zijn vorderingen te worden verklaard.

4.2. [eiser] heeft gesteld dat het beginsel "Ne bis in idem" niet aan de orde is, omdat er nu sprake is van een ander grondslag voor de vordering. De brief van 3 november 2004 van de gemeente Haaren werpt een ander licht op de zaak, waarbij de kwader trouw van [gedaagde] beter in het licht komt te staan. Nu de gemeente de verjaring van de strook grond (perceel B 2904) heeft erkend, volgt volgens [eiser] daaruit dat de verbinding tussen de Scheurbroeksesteeg (perceel B 2904) en de zogenaamde verlengde Scheurbroeksesteeg (het perceel, kadastraal bekend gemeente Haaren, sectie B, nummer 2060) in 1971 niet over perceel B 217 kan hebben gelopen, maar ten zuiden van de strook grond (perceel B 2904), waarbij een puntje van het perceel kadastraal bekend gemeente Haaren sectie B, nummer 2361 (eigendom van Vugts), werd meegenomen. Ten onrechte vermeldt de akte van 11 juni 1971 dus, dat er op perceel B 217 een erfdienstbaarheid wordt gevestigd.

4.3. De rechtbank merkt allereerst op dat - in tegenstelling tot in het strafrecht - in het civiele recht het beginsel "Ne bis in idem" niet geldt. Elke vordering die door een eiser wordt ingediend, dient door de civiele rechter beoordeeld te worden, ook al betreft het dezelfde procespartijen en ook al worden dezelfde vorderingen ingediend op dezelfde grondslag.

4.4. [gedaagde] heeft echter ook een beroep gedaan op het gezag van gewijsde. Artikel 236 lid 1Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat beslissingen, die de rechtbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis in een ander rechtsgeschil tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. De rechtbank is van oordeel dat het in dit geschil om de rechtbetrekking gaat, waarover de rechtbank al bij vonnis van 29 september 2004 heeft beslist.

4.5. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende. [eiser] heeft een beroep gedaan op nieuwe feiten waardoor zijn vorderingen een andere grondslag zouden hebben gekregen. Daarbij gaat het om de brief van de gemeente van 3 november 2004. [eiser] leidt uit die brief af dat vast is komen te staan, dat de strook (perceel B 2904) is verjaard. Zulks staat met die brief echter in het geheel niet vast. In die brief staat enkel dat de gemeente instemt met de gestelde verjaring in het proces-verbaal van constatering van de deurwaarde van 1 oktober 2004 (productie 12 dagvaarding), zonder overigens [eiser] als de nieuwe eigenaar te vermelden.

De deurwaarde stelt in genoemd proces-verbaal vast dat de strook grond van 75 m2 middels verjaring aan [eiser] is toegevallen. Dat roept allerlei vragen op. Allereerst is in de kadastrale inmeting van november 1971 vastgesteld dat de oppervlakte van de onderhavige strook 55 m2 bedraagt (zie r.o. 2.3) en geen 75 m2. Vervolgens is het niet aan een deurwaarder om eenzijdig vast te stellen dat er sprake is van verkrijgende verjaring door [eiser] van die strook. Dat is een rechtoordeel dat uiteindelijk is voorbehouden aan de civiele rechter. Op grond waarvan de deurwaarder tot dat rechtoordeel is gekomen blijkt verder in het geheel niet. Zelfs blijkt niet of de deurwaarder zelf heeft waargenomen dat er in 1971 een hekwerk is geplaatst en dat dit hek er op 1 oktober 2004 nog steeds staat. Dat de gemeente op basis van dit proces-verbaal instemt met de verjaring van een strook grond is haar zaak als eigenares van de strook, maar daarmee staat de verjaring niet vast.

4.6. De rechtbank vermag vervolgens niet in te zien waaruit de nieuwe grondslag voor de vorderingen van [eiser] bestaat. Ook al zou het in feite zo zijn, dat perceel B 217 nooit als uitweg is gebruikt, dan nog bestaat de mogelijkheid om een erfdienstbaarheid op dat perceel te vestigen zoals in de akte van 11 juni 1971 tussen partijen is gedaan.

Bovendien raakt deze erfdienstbaarheid de grondslag van de vorderingen van [eiser] niet. Die grondslag bestaat uit de stelling dat tussen partijen wilsovereenstemming was over de verkoop door [gedaagde] van een afgepaald gedeelte van zijn weiland, dat de percelen B 2055, B 217 en B 2904 (naar latere nummering) besloeg, maar dat door middel van de akte van 11 juni 1971 ten onrechte alleen perceel B 2055 is geleverd. Daar komt bij dat er wel is betaald voor een oppervlakte van ongeveer 1300 m2, dus voor de oppervlakte van de percelen B 2055, B 217 en B 2904 (naar latere nummering) tezamen, en er geen verrekening heeft plaatsgevonden. Op deze grondslag vordert [eiser] wederom een verklaring van recht dat hij eigenaar is van perceel B 217 en medewerking van [gedaagde] aan de rectificatie van de akte van 11 juni 1971. Over deze vorderingen heeft de rechtbank in haar vonnis van 29 november 2004 echter geoordeeld dat zij zijn verjaard. Het gezag van gewijsde van dat vonnis brengt met zich dat die beslissing nog steeds bindende kracht tussen de partijen heeft.

4.7. Het voorafgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eiser] afgewezen zullen worden.

4.8. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de door [gedaagde] gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op:

verschotten: € 244,- door [gedaagde] betaald vastrecht,

salaris procureur € 1.130,- (2,5 punten x € 452,- [tarief II])

------------- +

totaal € 1.374,-

In reconventie

4.9. In conventie heeft de rechtbank overwogen dat, nu het in dit geschil om dezelfde rechtbetrekking tussen partijen gaat als in het geschil, waarin de rechtbank bij vonnis van 29 november 2004 heeft beslist en dit vonnis gezag van gewijsde toekomt, het vonnis van 29 november 2004 tussen partijen bindende kracht heeft, hetgeen meebrengt dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen.

Daaruit volgt eveneens dat [eiser] ten onrechte beslag heeft laten leggen op het perceel B 217 en daarmee onrechtmatig jegens van [gedaagde] heeft gehandeld.

De vorderingen van [gedaagde] zullen daarom worden toegewezen.

4.10. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de door [gedaagde] gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op:

salaris procureur € 565,- (0,5 [reconventie] x 2,5 punten x € 452,- [tarief II])

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de door [gedaagde] gemaakte proceskosten tot op heden begroot op € 1.374,

in reconventie

5.3. veroordeelt [eiser] om binnen vijf dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis het door hem op 4 april 2005 gelegde beslag op perceel, kadastraal bekend, gemeente Haaren, sectie B, nummer 217, ter grootte van 3.19 ha, op te heffen, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, dat [eiser] in gebreke blijft hieraan te voldoen,

5.4 veroordeelt [eiser] tot vergoeding aan [gedaagde] van alle schade die [gedaagde] lijdt ten gevolge van de beslaglegging van 4 april 2005, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

5.5 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.H. Bruggink en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2007.