Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA2102

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-03-2007
Datum publicatie
03-04-2007
Zaaknummer
AWB 06/4067
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, artikel 10, tweede lid, en artikel 11 van de AOW in samenhang met het bepaalde in de artikelen 7 en 8 van het Inkomensbesluit AOW 1996 (de inkomensafhankelijke toeslag) leidt niet tot schending van het recht op familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Immers, niet in geschil is dat tussen eiser en zijn echtgenote familie- of gezinsleven bestaat en dat zij dat recht op familie- of gezinsleven ook daadwerkelijk hier ten lande uitoefenen. De rechtbank vermag niet in te zien dat het toepassen van artikel 8, eerste lid, van de AOW door verweerder leidt tot een verboden inmenging, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Voorts vermag de rechtbank niet in te zien dat er wel sprake is van schending van het discriminatieverbod als bedoeld in artikel 14 van het EVRM als ook artikel 1, tweede lid, van het Twaalfde Protocol van het EVRM, nu de regeling ter zake van de inkomensafhankelijke toeslag in het kader van de AOW blijkens vaste jurisprudentie van de CRvB geen schending oplevert met het in artikel 26 van de IVBPR neergelegde discriminatieverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/4067

Uitspraak van de meervoudige kamer van 16 maart 2007

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. P.R. Mars,

tegen

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb),

te Amstelveen,

verweerder,

vertegenwoordigd door het Svb-kantoor te Nijmegen.

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2006 heeft verweerder eiser met ingang van augustus 2006 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Verweerder heeft eiser hierbij tevens bericht dat hij niet in aanmerking komt voor een toeslag.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 23 augustus 2006 ongegrond verklaard.

Tegen laatstgenoemd besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Partijen hebben schriftelijk toestemming verleend voor het achterwege laten van de behandeling van het beroep op een zitting, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 15 maart 2007 gesloten.

Overwegingen

1. In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder terecht en op goede gronden heeft geweigerd eiser een inkomensafhankelijke toeslag toe te kennen, omdat zijn echtgenote eigen inkomsten heeft.

2. Aan het hier bestreden besluit ligt verweerders standpunt ten grondslag dat de echtgenote van eiser een FPU-uitkering geniet van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, welke uitkering ingevolge het Inkomensbesluit AOW moet worden beschouwd als inkomen in verband met arbeid en dientengevolge volledig in mindering moet worden gebracht op de toeslag. Voorts leidt deze beslissing naar de mening van verweerder niet tot ongeoorloofde discriminatie op grond van geslacht in de zin van artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).

3. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en voert ten eerste aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn beslissing niet in strijd is met artikel 14 van het EVRM c.q. artikel 1, tweede lid, van het Twaalfde Protocol van het EVRM. Eiser stelt in dit verband dat mannen doorgaans een jongere en vrouwelijke partner hebben en daardoor eerder dan hun partners de pensioengerechtigde leeftijd bereiken, zodat vrouwen worden belemmerd in de toegang tot de arbeidsmarkt. Immers, zo stelt eiser, wanneer jongere, vrouwelijke partners ervoor kiezen om óók carrière te maken, wordt aan hun mannelijke partners het recht op toeslag ontzegd. Artikel 8, eerste lid, van de AOW leidt volgens eiser in zijn uitwerking dan ook tot discriminatie op grond van geslacht.

Ten tweede stelt eiser dat verweerders besluit om hem geen toeslag toe te kennen leidt tot schending van artikel 8 van het EVRM. Volgens eiser wordt de keuze ten aanzien van de vraag hoeveel personen in het gezin gaan werken beïnvloed door de uiteindelijke financiële situatie op de pensioengerechtigde leeftijd. Het bevoordelen van gezinnen waarin slechts één ouder werkt, ten opzichte van gezinnen met twee werkende partners, vormt een onacceptabele inmenging door verweerder in het gezinsleven van eiser en zijn echtgenote. Eiser wijst in dit verband op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 2 mei 2001 (LJN: AB1783), in welke uitspraak wordt gerept over het motief van de wetgever om deelname aan het arbeidsproces (van de jongere partner van de AOW-gerechtigde) niet te ontmoedigen. Volgens eiser is in het onderhavige geval het tegengestelde het geval omdat door het bestreden besluit deelname aan het arbeidsproces juist wordt ontmoedigd.

Ten slotte acht eiser het bestreden besluit in strijd met artikel 3:48 van de Awb, omdat verweerder bij dat besluit ten onrechte heeft nagelaten in te gaan op zijn in bezwaar naar voren gebrachte grief met betrekking tot de schending van artikel 8 van het EVRM.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Artikel 8, eerste lid, van de AOW bepaalt dat de gehuwde pensioengerechtigde die voor 1 januari 2015 recht heeft op ouderdomspensioen en van wie de echtgenoot jonger is dan 65 jaar, overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht heeft op een toeslag, tenzij, met inachtneming van artikel 11, het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven van die echtgenoot meer bedraagt dan de volledige bruto-toeslag.

6. Ingevolge artikel 10, tweede lid van de AOW wordt - kort gezegd - op de volledige bruto-toeslag in mindering gebracht het inkomen uit of in verband met arbeid van de echtgenoot van de pensioengerechtigde.

7. Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d en e, van het Inkomensbesluit AOW 1996 (Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 juni 1996, Stcrt. 1996, 122, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 14 december 2005, Stcrt. 2005, 248, hierna: het Inkomensbesluit) bepaalt dat voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, artikel 10, eerste en tweede lid, en artikel 11 van de AOW onder inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven wordt verstaan:

d. een uitkering op grond van een regeling voor vervroegde uittreding of een regeling, die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;

e. een uitkering op grond van een regeling voor functioneel leeftijdsontslag of op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen.

8. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Inkomensbesluit wordt het inkomen uit of in verband met arbeid uit het bedrijfs- of beroepsleven vastgesteld op het tot een bedrag per maand herleide inkomen dat de echtgenoot van de pensioengerechtigde in de maand waarover het recht op uitkering wordt vastgesteld, verwerft.

9. Artikel 8 van het EVRM bepaalt het volgende.

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

10. Artikel 14 van het EVRM bepaalt:

Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

11. Artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM bepaalt het volgende.

Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op een van de in het eerste lid vermelde gronden.

12. De rechtbank oordeelt allereerst dat eiser gevolgd kan worden in zijn stelling dat de motivering van het bestreden besluit de rechterlijke toetsing niet kan doorstaan. Immers, in het aanvullende bezwaarschrift van 31 mei 2006 heeft eiser uitdrukkelijk aangevoerd dat het primaire besluit van 30 maart 2006 in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit over deze grief echter in het geheel niet uitgelaten. Gelet op het vorenoverwogene kan het bestreden besluit niet in stand blijven en zal het besluit bij gebreke van een deugdelijke motivering wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb worden vernietigd.

13. De rechtbank ziet evenwel – om redenen van proceseconomie – aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 23 augustus 2006 in stand te laten, nu het gebrek in de motivering van het bestreden besluit onverlet laat dat materieel geen andere beslissing mogelijk is dan een besluit met hetzelfde dictum als het te vernietigen besluit.

14. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

15. In het verweerschrift van 26 oktober 2006 heeft verweerder gemotiveerd gesteld dat zijn besluit om eiser met ingang van augustus 2006 geen toeslag toe te kennen geen strijd oplevert met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat tussen eiser en zijn echtgenote familie- of gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM en dat zij dat recht op familie- of gezinsleven ook daadwerkelijk hier ten lande uitoefenen. De rechtbank vermag niet in te zien dat het toepassen van artikel 8, eerste lid, van de AOW door verweerder leidt tot een verboden inmenging, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. De door eiser aangehaalde uitspraak van de CRvB van 2 mei 2001 leidt niet tot een ander oordeel. Immers, in deze uitspraak was – anders dan in de onderhavige procedure – aan de orde de vraag of het door de wetgever gemaakte onderscheid tussen inkomen uit arbeid en inkomen in verband met arbeid rechtvaardig was, hetgeen de CRvB bevestigend heeft beantwoord, zodat dit onderscheid de toetsing aan artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) (dan wel een ander discriminatieverbod) kon doorstaan.

16. Ten aanzien van eisers stellingname dat het bestreden besluit in strijd is met het uit artikel 14 van het EVRM en artikel 1, tweede lid, van het Twaalfde Protocol van het EVRM voortvloeiende discriminatieverbod overweegt de rechtbank voorts als volgt.

17. Bij het zogeheten Molenbroek-arrest van 19 november 1992 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap (RSV 1993/59) heeft het Hof naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Raad van Beroep te Amsterdam over de uitleg van artikel 4, eerste lid, van richtlijn 79/7/EEG van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, kort gezegd, geconcludeerd dat de regeling met betrekking tot de inkomensafhankelijke toeslag in de AOW niet in strijd is met voornoemde richtlijn.

18. In zijn uitspraak van 30 maart 1993 (RSV 1993/286) heeft de CRvB, op overeenkomstige gronden geoordeeld dat de regeling met betrekking tot de inkomensafhankelijke toeslag berust op objectieve en redelijke gronden, zodat evenmin strijd aanwezig is met het discriminatieverbod als bedoeld in artikel 26 van het IVBPR. De CRvB heeft voornoemd oordeel bevestigd in zijn uitspraak van 21 oktober 1994 (RSV 1995/139).

19. Nu de regeling ter zake van de inkomensafhankelijke toeslag in het kader van de AOW blijkens vaste jurisprudentie van de CRvB geen schending oplevert met het in artikel 26 van het IVBPR neergelegde discriminatieverbod, vermag de rechtbank niet in te zien dat desondanks zou moeten worden geoordeeld dat er wel sprake is van schending van het discriminatieverbod, zoals neergelegd in artikel 14 van het EVRM in samenhang met artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Eisers grief ter zake treft dan ook geen doel.

20. Ook hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen brengen, zodat ook daarin geen aanleiding wordt gevonden om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit niet in stand te laten en verweerder alsnog op te dragen een nieuw besluit te nemen.

21. Nu het beroep gegrond wordt verklaard acht de rechtbank termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 322,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• waarde per punt € 322,00

• wegingsfactor 1.

22. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door de Sociale verzekeringsbank aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 38,00 dient te worden vergoed.

23. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- gelast de Sociale verzekeringsbank aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 38,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 322,00;

- wijst de Sociale verzekeringsbank aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. M.G.P.A. Burghoorn, als voorzitter en mr. A.W. Govers en mr. E.H.B.M. Potters als leden en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg als griffier op 16 maart 2007.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: