Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA2025

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-03-2007
Datum publicatie
02-04-2007
Zaaknummer
AWB 06/469
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOZ-waardebepaling

Zeer summier dossier. Verweerder niet verschenen en waarde niet aannemelijk gemaakt. Eiser wel. Rechtbank heeft zelf voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2007/641
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/469

Uitspraakdatum: 2 maart 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: [gemachtigde],

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Veghel, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres], te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2003, vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2005 tot 1 januari 2007 op € 511.000,00.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 december 2005 de waarde verminderd tot een bedrag van € 449.000,00.

Eiser heeft daartegen bij brief van 18 januari 2006 beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2007 te 's-Hertogenbosch.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder is niemand verschenen.

Beslissing

Gezien de gedingstukken en gehoord het verhandelde ter zitting komt de rechtbank tot de volgende beslissing:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat haar uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat de waarde van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] naar de waardepeildatum 1 januari 2003, voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 wordt vastgesteld op € 319.000,-;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt, ad € 37,-;

- wijst de gemeente Veghel aan als de rechtspersoon die het griffierecht dient te vergoeden.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of de waarde per de waardepeildatum 1 januari 2003 van het object [adres] te [woonplaats], een vrijstaande woning in het buitengebied met ondergrond en tuin waarvan eiser de eigenaar en gebruiker is, op het juiste bedrag is vastgesteld.

2. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet Waardering Onroerende Zaken (Wet WOZ) wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Als waarde heeft daarbij te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Daarbij geldt als waardepeildatum

1 januari 2003.

3. Ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ, wordt de in artikel 17, tweede lid, van de wet bedoelde waarde voor woningen onder meer bepaald door middel van een methode van vergelijking met referentiewoningen.

4. Verweerder, op wie de bewijslast rust van de juistheid van de in geschil zijnde waarde van de onroerende zaak, heeft de door hem vastgestelde waarde niet aannemelijk gemaakt.

Verweerder heeft geen taxatierapport overgelegd. Daarnaast zijn de gegevens die verweerder in de bestreden uitspraak en in het verweerschrift heeft vermeld zodanig summier dat de rechtbank daaraan geen conclusies ten aanzien van de juistheid van de door verweerder verdedigde waarde heeft kunnen verbinden. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard en de bestreden uitspraak zal worden vernietigd.

5. Eiser heeft bepleit dat de waarde van de woning € 234.000,- bedraagt voor de woning inclusief 1000 m2 ondergrond en tuin, doch exclusief de overige grond (afgerond 14.000 m2) en de daarop staande schuren. Aan deze overige grond kan volgens eiser een waarde worden toegekend van € 70.000,-. De rechtbank is – anders dan eiser – van oordeel dat de overige grond inclusief de opstallen in de waardering van de woning dient te worden betrokken. De cultuurgrondvrijstelling als bedoeld in artikel 18, derde lid, van de Wet WOZ gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, onder a, van de Uitzonderingsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ is niet van toepassing. Immers is geen sprake van een daarvoor vereiste bedrijfsmatige exploitatie van die gronden. De Hoge Raad heeft in 1980 uitgemaakt dat daarvan slechts sprake is indien een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid aan het maatschappelijke productieproces deelneemt met het oogmerk daarmee winst te behalen. Daarvan is in dit geval geen sprake. Nu eiser derhalve ten onrechte de overige grond en de daarop staande opstallen niet in de waardering heeft betrokken kan ook de door hem verdedigde waarde niet worden gevolgd.

6. De rechtbank zal ter finale beslechting van het geschil, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorziend, bepalen dat de waarde van de woning per de waardepeildatum 1 januari 2003 wordt vastgesteld op € 319.000,- en dat deze uitspraak komt in de plaats van de vernietigde uitspraak op bezwaar.

Hiertoe wordt overwogen dat op grond van de gedingstukken, waaronder de door eiser overgelegde foto’s, alsmede op grond van de door hem nog verstrekte en onweersproken gebleven toelichtingen met betrekking tot de onderhoudssituatie, de ligging, en de verschillen met de door verweerder in aanmerking genomen referentieobjecten de waarde van de onroerende zaak voldoende aannemelijk is gemaakt, zij het dat daarin ten onrechte niet ook de overige grond en opstallen zijn begrepen.

7. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken, nu niet is gebleken van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

8. De rechtbank ziet wel aanleiding te bepalen dat het betaalde griffierecht dient te worden vergoed.

9. De rechtbank heeft er melding van gemaakt dat partijen tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal:

- hoger beroep kunnen instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie kunnen instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

Aldus in het openbaar gedaan en uitgesproken door mr. M.T. van Vliet, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Willemsen als griffier op 2 maart 2007.

Waarvan is opgemaakt proces-verbaal.

de griffier de rechter

mr. M.C. Willemsen mr. M.T. van Vliet

10. Afschriften verzonden:

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.