Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA1361

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
23-03-2007
Zaaknummer
146670 HA ZA 06-1685
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval tussen twee auto's op kruising. Beide automobilisten claimen dat de ander door rood licht reed. Eiser is er niet in geslaagd te bewijzen dat gedaagde door rood licht is gereden. Hij heeft echter wel aangetoond dat gedaagde niet heeft uitgekeken alvorens de kruising op te rijden en daarmee gevaarzettend heeft gehandeld. Gedaagde is erin geslaagd te bewijzen dat eiser door rood licht is gereden en dat hij zijn snelheid niet heeft aangepast alvorens de kruising op te rijden, hetgeen eigen schuld oplevert. Gelet op de ernst van de gemaakte fouten over en weer oordeelt de rechtbank dat de billijkheid eist (6:101 BW) dat de vergoedingsplicht van gedaagde geheel vervalt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 146670 / HA ZA 06-1685

Vonnis van 14 maart 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. C.W.M. Verberne,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ZURICH VERSICHERUNGS-GESELLSCHAFT, handelende onder de naam Zürich Verzekeringen en Zürich Schade,

gevestigd te Zürich (Zwitserland),

2. [gedaagdee sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. B.T.H. Boomsma.

Eiser zal hierna [eiser] genoemd worden. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk [gedaagde sub 2] en Zürich worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 oktober 2006,

- het proces-verbaal van comparitie van 1 februari 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De beoordeling van het geschil

2.1. Het gaat in deze procedure om de afwikkeling van de gevolgen van een verkeersongeval dat op 24 december 2003 in Eindhoven heeft plaatsgevonden. Bij dit ongeval waren [eiser] en [gedaagde sub 2] betrokken: [eiser] bestuurde een personenauto (Jeep Cherokee) en [gedaagde sub 2] was bestuurder van een bestelauto (Mercedes Sprinter). De bestelauto waarin [gedaagde sub 2] reed was ten tijde van het ongeval ingevolge de WAM verzekerd bij Alpina Versicherungs A.G., die met ingang van 1 januari 2004 is overgedragen aan Zürich Financial Services, waarvan Zürich onderdeel uitmaakt.

2.2. Nu Zürich gevestigd is op het grondgebied van een andere staat dan Nederland en de vorderingen uit dien hoofde een internationaal karakter dragen, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van deze vorderingen kennis te nemen. De vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op een verondersteld onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] in Nederland, zodat de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 lid 1 en 2 WAM en artikel 6 aanhef en onder e jo. artikel 7 lid 1 Rv bevoegd is om daarvan kennis te nemen. Volgens artikel 3 van het Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg van 4 mei 1971 (Haags Verkeersongevallenverdrag 1971), welk verdrag in zowel Nederland als Zwitserland van kracht is, is Nederlands recht van toepassing op dit geschil.

2.3. Over de toedracht van het ongeval staat het volgende tussen partijen vast. Het ongeval vond rond 11.30 uur plaats op de Aalsterweg in Eindhoven, een weg binnen de bebouwde kom waar een maximum snelheid van 50 km/u geldt. Het was droog weer en ook het wegdek was droog. De kruising waar de voertuigen met elkaar in botsing kwamen, wordt voor alle rijrichtingen gereguleerd door verkeerslichten. De verkeerslichten waren ten tijde van het ongeval in werking. [eiser] reed in de richting van Eindhoven en ging op de kruising rechtdoor. Hij bevond zich vlak vóór het ongeval op de meest linker rijstrook van zijn rijbaan en was het voor zijn rijrichting geldende verkeerslicht zojuist gepasseerd. [gedaagde sub 2] reed in de tegenovergestelde richting en sloeg op de kruising linksaf richting de toerit van de A67 (richting Venlo), zodat hij de rijbaan van [eiser] moest oversteken. Ook hij was het voor hem geldende stoplicht zojuist gepasseerd toen het ongeval plaatsvond op de rijbaan waarop [eiser] reed. Daarbij is de zijkant van de Jeep in botsing gekomen met de voorzijde van de bestelauto. Partijen zijn het erover eens dat het een overzichtelijke kruising is met goed zicht vanuit beide rijrichtingen.

2.4. [eiser] heeft aangevoerd dat [gedaagde sub 2] door rood licht is gereden, dat [gedaagde sub 2] niet heeft uitgekeken alvorens de kruising op te rijden en dat hij haaietanden heeft genegeerd. Deze factoren tezamen en afzonderlijk maken dat [gedaagde sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld en dat gedaagden aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade tengevolge van het ongeval, aldus [eiser]. Hij stelt dat hij een hersenkneuzing en gekneusde ribben heeft opgelopen bij het ongeluk en dat hij daarvan nog steeds beperkingen ondervindt in het uitoefenen van zijn werkzaamheden. Ondanks het feit dat hij (gedeeltelijk) verzekerd is voor dergelijke schade, heeft hij schade geleden en zal hij in de toekomst schade lijden, aldus [eiser]. In deze procedure vordert hij (samengevat):

I. een verklaring voor recht dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van de aanrijding op 24 december 2003 en gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van alle schade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van het intreden van de schade;

II. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van EUR 7.500,00 als voorschot op de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van de aanrijding, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;

III. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten ad EUR 6.511,00, althans EUR 1.158,00 op grond van rapport Voorwerk II;

IV. gedaagden te veroordelen in de proceskosten.

2.5. Gedaagden betwisten dat [gedaagde sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens hen is [gedaagde sub 2] door groen licht gereden. De voorrangsregels gelden voorts niet wanneer de verkeerslichten in werking zijn, aldus gedaagden. Bovendien kan [gedaagde sub 2] geen reëel verwijt worden gemaakt ten aanzien van het onvoldoende uitkijken. Degene die bij groen licht een kruising oprijdt, mag er immers op vertrouwen dat anderen de rangorde respecteren zodat hij geen verkeer uit conflicterende rijrichtingen hoeft te verwachten. Zelfs als [gedaagde sub 2] wél een verwijt kan worden gemaakt, moet aan [eiser] een nog groter verwijt worden gemaakt omdat hij door rood licht is gereden en hij dus des te sterker verkeer had moeten verwachten. De billijkheid van artikel 6:101 BW eist dat de vergoedingsplicht van [gedaagde sub 2] geheel vervalt, aldus gedaagden.

2.6. Nu [eiser] stelt dat [gedaagde sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld, liggen de stelplicht en bewijslast van de feiten die aan zijn stelling ten grondslag zijn gelegd, bij hem. Partijen hebben diverse stukken ingebracht over de toedracht van het ongeval en zij hebben aangegeven in dat verband geen nader bewijs te kunnen of willen leveren. Over de toedracht van het ongeval zijn in het kader van een voorlopig getuigenverhoor vier getuigen gehoord. Daarnaast heeft één van de twee verbalisanten die na het ongeval ter plaatse waren, schriftelijk geantwoord op de door partijen aan hen gestelde vragen. Tenslotte heeft de gemeente Eindhoven schriftelijke informatie aangeleverd over de werking van de verkeerslichten ter plaatse.

2.7. Ten aanzien van het verwijt van [eiser] aan [gedaagde sub 2] dat hij door rood licht is gereden, overweegt de rechtbank het volgende. Op basis van de schriftelijke informatie van de gemeente Eindhoven staat vast dat de verkeerslichten voor de rijrichting van [gedaagde sub 2] respectievelijk [eiser] niet tegelijkertijd groen licht kunnen uitstralen, omdat zij tegen elkaar zijn beveiligd. [eiser], die als partijgetuige wordt aangemerkt, heeft bij het voorlopig getuigenverhoor over de verkeerslichten verklaard:

"Toen ik zo'n 20 of 30 meter van het stoplicht verwijderd was (ik schat deze afstand maar ik weet het niet precies), sprong het op groen. Ik ben toen doorgereden. (...) Net toen ik de verkeerslichten vóór het viaduct was gepasseerd, (...), zag ik aan mijn linkerzijde een auto aankomen, een vrachtwagentje. (...) Hij heeft mij toen in de flank geraakt, op het voorscherm en in de linkerzijdeur."

Zijn verklaring dat hij door groen licht reed (en [gedaagde sub 2] daardoor noodzakelijkerwijs door rood licht), wordt op zich bevestigd door getuige [R]. Hij heeft verklaard:

"Tussen de auto van [eiser] en mij reden naar ik meen 2 andere auto's. De verkeerslichten vóór het viaduct stonden allemaal op groen toen we er aan kwamen rijden en al het verkeer kon door rijden. Wij dus ook. Ik zag dat toen [eiser] met zijn auto op het kruispunt was gekomen, een busje tegen de zijkant van de Jeep aanreed."

Niettemin acht de rechtbank [eiser] niet geslaagd in het bewijs van zijn stelling.

2.8. Tegenover de hiervoor genoemde verklaringen staan twee getuigenverklaringen die nagenoeg gelijkluidend zijn en waaruit geconcludeerd kan worden dat [gedaagde sub 2] niet door rood licht is gereden. [gedaagde sub 2] heeft daarover verklaard:

"Het eerste verkeerslicht stond op groen toen ik er door reed, daarna sorteerde ik voor op de linkerrijstrook, bestemd om linksaf te slaan in de richting van Venlo. Bij die afslag stond het verkeerslicht voor mij op rood. Ik heb gewacht tot het groen werd en toen heb ik opgetrokken en ben ik linksaf gereden. Toen ik halverwege op het kruispunt was aangekomen hoorde ik ineens allemaal gepiep en geratel en in een fractie van een seconde werd ik toen aangereden."

De bestuurder van de auto die achter [gedaagde sub 2] reed, [D], heeft bij het voorlopige getuigenverhoor verklaard:

"Ik herinner mij dat ik moest stoppen voor het rode verkeerslicht dat net onder het viaduct door staat. Voor mij stond een busje voorgesorteerd om net als ik naar links de grote weg op te gaan. (...) Het verkeerslicht was rood en wij stonden dus stil. Toen het groen werd trok de bestuurder van het busje op en ik ben daar achter aan ook opgetrokken. Wij gingen toen allebei linksaf richting grote weg. Verder herinner ik mij alleen nog dat ik een klap heb gehoord."

Deze verklaringen zijn niet alleen gelijkluidend wat betreft het wachten voor het stoplicht en het vervolgens bij groen licht optrekken van de voertuigen, maar komen ook overeen wat betreft andere waarnemingen ter plekke. Zo verklaren beide getuigen dat het overige verkeer dat uit de richting van [eiser] kwam, vlak na het ongeval voor het stoplicht stond te wachten. [gedaagde sub 2]:

"Op het moment dat de aanrijding gebeurd was moest ik even tot mezelf komen, maar daarna zag ik dat de auto die mij had aangereden de enige auto was die het verkeerslicht was gepasseerd, komende uit de richting Aalst. Bij dat verkeerslicht stonden andere auto's stil. De auto die mij had aangereden was als enige doorgereden."

[D]:

"De andere bestuurder ([eiser], rb) liep ook buiten zijn auto. Aan hem heb ik nog gevraagd waar hij ineens vandaan was gekomen, want ik had hem niet gezien. Toen ik langs de plaats van het ongeluk reed, stonden er rechts van mij auto's voor het stoplicht te wachten, dat herinner ik mij positief."

Zij verklaren dus gelijkluidend over dit aspect, dat bovendien een bevestiging vormt van hun beider waarneming dat zij door groen licht zijn gereden. Voor wat betreft de betrouwbaarheid van de verklaring van [D] neemt de rechtbank nog in aanmerking dat hij geen relatie heeft tot (één van) partijen en dat hij ter plekke meteen door de politie is gehoord. Volgens de schriftelijke verklaring van verbalisant [Z] heeft zijn collega verbalisant [M] hem verteld dat getuige [D] verklaarde dat de bestelbus groen licht had en dat het verkeer komende uit de richting van [eiser] stil stond. Zijn verklaring bij het voorlopig getuigenverhoor komt dus overeen met hetgeen hij meteen na het ongeval aan de politie heeft meegedeeld over zijn waarneming.

2.9. De verklaringen van [eiser] en [R] lopen daarentegen op een aantal punten uiteen. Zo heeft [eiser] verklaard dat hij op de meest linkse (van de drie) rijstroken reed, terwijl [R] verklaarde dat zowel [eiser] als hij op de middelste rijstrook reden. Verder stonden de stoplichten volgens [eiser] op rood toen hij kwam aanrijden. [R] heeft echter verklaard dat de verkeerslichten allemaal op groen stonden toen hij en [eiser] er aan kwamen rijden. Tenslotte stond de auto van [eiser] na het ongeval volgens [R] met de neus in de richting van het viaduct, terwijl [eiser] heeft verklaard dat zijn auto zodanig werd weggedrukt dat hij min of meer in de richting Venlo kwam te staan, hetgeen haaks is op de richting die [R] beschrijft. Verder verklaart [R] dat hij in dezelfde groenfase als [eiser] het verkeerslicht is gepasseerd en dat [eiser] al buiten zijn auto stond te bellen toen hij hem passeerde. De rechtbank acht dit niet erg aannemelijk er van uitgaande dat er tussen [eiser] en [R], zoals hij zelf verklaart, twee auto's zaten, zelfs als er rekening mee wordt gehouden dat de voor hem rijdende auto's inhielden zoals [R] verklaart. Tenslotte betrekt de rechtbank bij de waardering van de verklaring van [R] dat hij ten tijde van het ongeval en het afleggen van de verklaring in dienst was bij [eiser].

2.10. Nu [eiser] er niet in is geslaagd om te bewijzen dat [gedaagde sub 2] door rood licht is gereden, moeten de overige verwijten die hij [gedaagde sub 2] maakt, worden beoordeeld. Gedaagden hebben betoogd dat die verwijten niet meer aan de orde hoeven te komen nu vaststaat dat [gedaagde sub 2] door groen licht is gereden. De vertrouwensregel brengt mee dat degene die bij groen licht een kruising oprijdt (de 'groenlichter'), erop mag vertrouwen dat anderen de rangorde respecteren en hij geen verkeer uit conflicterende rijrichtingen behoeft te verwachten, aldus gedaagden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit standpunt echter onjuist. Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 november 2006 (LJN: AY9749) blijkt immers dat als wordt uitgegaan van de veronderstelling dat de aansprakelijk gestelde automobilist door groen licht is gereden, uit die enkele omstandigheid niet zonder meer volgt dat betrokkene niet aansprakelijk is voor de schade die door de andere partij is geleden als gevolg van de aanrijding. Indien de 'groenlichter' onmiddellijk voor de aanrijding gevaarzettend heeft gehandeld en daardoor een situatie in het leven heeft geroepen waarin de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van dat handelen zo groot was dat hij zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden, volgt uit de artikelen 5 WVW en 6:162 BW dat hij wel degelijk aansprakelijk is tegenover eiser, aldus de Hoge Raad. De opvatting van gedaagden dat de benadering van de Hoge Raad onjuist is omdat daarmee de vertrouwensregel wordt miskend en deze in feite een bonus zet op door rood licht rijden, wordt niet gedeeld door de rechtbank. De Hoge Raad heeft immers overwogen dat de omstandigheid dat de aansprakelijk gestelde partij (veronderstellenderwijs) door groen licht is gereden, niet zonder meer (cursivering rb) betekent dat hij niet aansprakelijk kan zijn. Dat betekent dat wel degelijk gewicht moet worden toegekend aan de omstandigheid dat die partij bij groen licht een kruising is opgereden, hetgeen door de Hoge Raad wordt bevestigd door dit aspect te noemen bij de omstandigheden die meegewogen moeten worden bij beantwoording van de vraag of aansprakelijkheid is ontstaan. Bovendien zou het standpunt van gedaagden leiden tot de onwenselijke situatie dat een bestuurder van een voertuig van wie is gebleken dat hij door groen licht is gereden, te allen tijde is ontslagen van aansprakelijkheid voor een daarna ontstane aanrijding ongeacht het overige verkeersgedrag van de 'groenlichter'. Die situatie doet geen recht aan de concrete omstandigheden van het geval die aanleiding kunnen geven tot het oordeel dat aan de betreffende bestuurder - ondanks de omstandigheid dat hij groen licht had - wel degelijk één of meerdere verwijten zijn te maken voor wat betreft zijn overige verkeersgedrag.

2.11. De rechtbank zal dan ook - aan de hand van de door [eiser] gestelde verwijten - beoordelen of onmiddellijk voorafgaand aan de aanrijding sprake was van gevaarzettend gedrag van [gedaagde sub 2] zoals hiervoor bedoeld. Volgens het arrest van 17 november 2006 moet de rechter daarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen en in gevallen als de onderhavige met name: (a) de veronderstellenderwijs aangenomen omstandigheid dat de aansprakelijk gestelde partij door groen is gereden, (b) het verkeersgedrag van partijen onmiddellijk voorafgaand aan de aanrijding waaronder (I) de vraag of de 'groenlichter' een concrete aanleiding had om verdacht te zijn op de mogelijkheid dat de ander het voor hem rood licht uitstralende stoplicht zou negeren en de kruising zou oprijden, en (II) de snelheid van beide automobilisten en de afstand die zij beiden tot de desbetreffende kruising hadden op het moment waarop zij elkaar opmerkten, alsmede (c) de overzichtelijkheid van die kruising en (d) de vraag of ter plaatse mede waarschuwingsborden waren geplaatst.

2.12. Het verwijt aan [gedaagde sub 2] dat hij haaientanden heeft genegeerd en daarmee de voorrangsregels heeft overtreden, zal de rechtbank verwerpen. Bij in werking zijnde verkeerslichten - zoals in dit geval - zijn geen voorrangsregels van toepassing. Dit volgt uit artikel 64 Rvv 1990, hetgeen wordt bevestigd door de Nota van Toelichting bij dat artikel: "Als er in werking zijnde verkeerslichten zijn, is de voorrangsregel ter plaatse niet van toepassing."

2.13. Ten slotte heeft [eiser] aan [gedaagde sub 2] verweten dat hij niet heeft uitgekeken voordat hij de kruising is opgereden. Hierdoor heeft hij een gevaar voor het ontstaan van een aanrijding in het leven geroepen. Als hij wel naar rechts had gekeken, had hij [eiser] kunnen zien aankomen gezien het onbelemmerde zicht ter plaatse en had [gedaagde sub 2] - gelet op zijn beperkte snelheid - zijn voertuig tijdig tot stilstand kunnen brengen althans een uitwijkmanoeuvre kunnen maken zodat het ongeval was voorkomen. Door rood licht rijden is niet een gedraging die zo onverwacht is dat van [gedaagde sub 2] niet verlangd kon worden dat hij daarmee bij het oprijden van de kruising rekening hield, aldus [eiser].

2.14. [gedaagde sub 2] heeft bij het voorlopige getuigenverhoor verklaard:

"Ik heb gewacht tot het groen werd en toen heb ik opgetrokken en ben ik linksaf gereden. Toen ik halverwege op het kruispunt was aangekomen hoorde ik ineens allemaal gepiep en geratel en in een fractie van een seconde werd ik toen aangereden. (...) Op het moment dat de aanrijding gebeurd was moest ik even tot mezelf komen, maar daarna zag ik dat de auto die mij had aangereden de enige auto was die het verkeerslicht was gepasseerd, komende uit de richting Aalst. Bij dat verkeerslicht stonden andere auto's stil. De auto die mij had aangereden was als enige doorgereden. (...) Inderdaad was de eerste bijzonderheid die ik ervoer het geluid van piepend remmen. In zo'n geval zie je de andere auto pas op het moment van de klap. Had ik 'm eerder gezien dan zou ik een uitwijkmanoeuvre hebben geprobeerd, maar hij was er al."

2.15. Alleen al uit zijn eigen verklaring blijkt dat [gedaagde sub 2] niet naar rechts, de richting van waaruit verkeer zou kunnen komen, heeft gekeken alvorens hij de kruising is opgereden. Hij verklaart immers dat hij opgetrokken is en dat hij als eerste piepende remmen ervoer. Daarmee staat vast hetgeen [eiser] heeft gesteld, namelijk dat [gedaagde sub 2] niet naar rechts heeft gekeken alvorens de kruising op te rijden.

2.16. Nu [eiser] voor het overige geen verwijten aan [gedaagde sub 2] heeft gesteld dan wel omstandigheden heeft gesteld waaruit gevaarzettend gedrag van hem zou moeten volgen, moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het verkeersgedrag van [gedaagde sub 2] (met name het niet naar rechts kijken alvorens de kruising op te rijden) in het licht van alle omstandigheden van het geval, leidt tot de conclusie dat [gedaagde sub 2] gevaarzettend heeft gehandeld en daardoor een situatie in het leven heeft geroepen waarin de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van dat handelen zo groot was dat hij zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden.

2.17. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. De algemeen te betrachten zorgvuldigheid in het verkeer brengt immers mee dat een verkeersdeelnemer niet een kruising oprijdt alvorens hij zich ervan heeft vergewist of de kruising daadwerkelijk vrij is. De omstandigheid dat [gedaagde sub 2] (veronderstellenderwijs) groen licht had, doet niet af aan die verplichting. Het is immers niet ongebruikelijk dat een kruising niet vrij is van verkeer, bijvoorbeeld in de situatie dat voertuigen die daarvoor groen licht hadden, zich (in verband met drukte) nog op de kruising bevinden om hun manoeuvres af te maken. Door niet naar rechts te kijken, de enige richting van waaruit redelijkerwijs verkeer kon komen, voordat hij de kruising opreed, heeft [gedaagde sub 2] gevaarzettend gehandeld en is een situatie in het leven geroepen dat de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval daardoor zo groot was dat hij zich naar maatstaven van zorgvuldigheid daarvan had behoren te onthouden. Het door rood licht rijden van verkeer is niet zodanig onverwacht verkeersgedrag dat [gedaagde sub 2] daarmee geen rekening behoefde te houden bij het oprijden van de kruising. Vaststaat dat vanuit de positie van [gedaagde sub 2], wachtend voor het verkeerslicht, het zicht op de kruising onbelemmerd was. Voorts was [gedaagde sub 2] ter plaatse heel goed bekend aldus zijn eigen verklaring omdat hij daar 3 à 4 keer per week rijdt in verband met zijn werk. Het kon voor hem dan ook niet onduidelijk zijn in welke richting hij zou moeten kijken en gelet op de omstandigheid dat het conflicterende verkeer slechts uit één richting kon komen, was het voor hem evenmin bezwaarlijk om naar rechts te kijken. Gelet op zijn beperkte snelheid ten tijde van het ongeval - hij was net opgetrokken vanaf het verkeerslicht - en het onbelemmerde zicht op de kruising, neemt de rechtbank aan dat [gedaagde sub 2] het ongeval had kunnen voorkomen door te remmen c.q. uit te wijken indien hij tijdig naar rechts had gekeken. Gedaagden hebben ter zitting weliswaar aangevoerd dat [gedaagde sub 2] niet meer kon reageren, mede gelet op de hoge snelheid van [eiser] (circa 70 km/u), maar de rechtbank verwerpt dat verweer, omdat die stelling onvoldoende is onderbouwd. Ter onderbouwing van de stelling dat [eiser] met circa 70 km/u per uur althans een hoge snelheid heeft gereden wordt verwezen naar een verklaring van [gedaagde sub 2]. Uit de betreffende overgelegde productie 2 blijkt echter niet wie op dit formulier heeft ingevuld dat de snelheid van [eiser] 70 km/u was en waarop dit gebaseerd is. Bij het voorlopig getuigenverhoor heeft [gedaagde sub 2] verklaard dat [eiser] met een behoorlijke snelheid moet hebben gereden omdat de bus waarin [gedaagde sub 2] reed een meter of 4 is verschoven. [eiser] heeft zelf verklaard dat hij rustig reed omdat hij verderop moest afslaan, rond de 20 km/u. Zonder nadere informatie over de precieze locatie van de voertuigen na het ongeval, over het gewicht van beide voertuigen, over de aanwezigheid van eventuele remsporen en aan de hand daarvan een globale berekening van de snelheden van de voertuigen ten tijde van het ongeval, kan de stelling dat [eiser] (bij benadering) 70 km/u heeft gereden niet slagen louter op een inschatting van [gedaagde sub 2]. De rechtbank zal daarom niet aannemen dat [eiser] een zodanig hoge snelheid had dat het voor [gedaagde sub 2] onmogelijk was op het voertuig van [eiser] te reageren. Gedaagden hebben voorts zelf gesteld dat [gedaagde sub 2] vanaf het verkeerslicht een tweetal meters tot de middenberm moest afleggen en vervolgens de middenberm moest oversteken alvorens hij bij de rijbaan van [eiser] was aangekomen. Gelet op de beperkte snelheid van [gedaagde sub 2] en het onbelemmerde zicht, moet het naar het oordeel van de rechtbank voor [gedaagde sub 2] dan ook mogelijk zijn geweest om het ongeval te voorkomen wanneer hij goed had uitgekeken.

2.18. De rechtbank concludeert dan ook dat [gedaagde sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld en gedaagden in beginsel aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden tengevolge van de aanrijding op 24 december 2003. Dan komt de rechtbank toe aan het beroep op eigen schuld dat gedaagden hebben gedaan. Zij hebben in dat verband aangevoerd dat [eiser] door rood licht is gereden, dat [eiser] niet tijdig heeft gezien dat [gedaagde sub 2] de kruising opreed en aldus onvoldoende rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van conflicterend verkeer, mede gelet op de snelheid van [eiser]. Conform de hoofdregel van artikel 150 Rv ligt de bewijslast van deze feitelijke omstandigheden bij gedaagden (zie ook eerder genoemd arrest van de Hoge Raad).

2.19. Gelet op het aangebrachte bewijs dat de rechtbank onder 2.7 tot en met 2.9 heeft besproken, zijn gedaagden erin geslaagd te bewijzen dat [eiser] door rood licht is gereden. De verklaring van [gedaagde sub 2] heeft weliswaar te gelden als een partijgetuige-verklaring, maar in combinatie met de gelijkluidende verklaring van [D] acht de rechtbank het bewijs geleverd. Uit hun verklaringen blijkt dat [gedaagde sub 2] door groen licht is gereden, hetgeen onvermijdelijk tot gevolg heeft dat [eiser] door rood licht is gereden. De verklaringen van [eiser] en [R] die daar tegenover staan ontkrachten dat bewijs in onvoldoende mate, gelet op de eerder genoemde tegenstrijdigheden in die verklaringen en de eveneens eerder genoemde waardering van de verklaring van [R]. Duidelijk is dat het door rood licht rijden van [eiser] in causaal verband staat met de aanrijding: indien [eiser] niet door rood licht zou zijn gereden, had het ongeval niet plaatsgevonden.

2.20. Voorts vindt de rechtbank voldoende gebleken dat [eiser] zijn snelheid bij het oprijden van de kruising niet zodanig heeft aangepast dat hij zijn voertuig tijdig tot stilstand kon brengen bij het verschijnen van [gedaagde sub 2] op de kruising. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat van [eiser] extra oplettendheid kon worden gevraagd. Nu hij door rood licht was gereden had hij terdege rekening moeten houden met kruisend verkeer uit de tegemoet komende richting. Aldus heeft hij zijn verkeersgedrag onvoldoende aangepast aan de (zeer waarschijnlijke) mogelijkheid dat conflicterend verkeer aanwezig zou zijn dan wel zou verschijnen op de kruising. Ook deze omstandigheid staat in causaal verband met het ongeval: het ongeluk zou niet zijn gebeurd indien [eiser] zijn snelheid zodanig had aangepast dat hij bij het opdoemen van conflicterend verkeer tijdig had kunnen remmen of had kunnen uitwijken.

2.21. Wanneer de rechtbank deze causale factoren in ogenschouw neemt - niet goed uitkijken van [gedaagde sub 2], door rood licht rijden van [eiser] en het niet aanpassen van de snelheid van [eiser] - dan hebben de laatste twee omstandigheden gezamenlijk in hogere mate bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Op grond van die beoordeling komt de rechtbank tot de conclusie dat gedaagden in beginsel 35% van de schade van [eiser] dienen te vergoeden.

2.22. Daarnaast hebben gedaagden een beroep gedaan op de billijkheidscorrectie. Nu [eiser] een veel groter verwijt kan worden gemaakt dan [gedaagde sub 2], eist de billijkheid dat de vergoedingsplicht van gedaagden geheel vervalt, aldus gedaagden. Dit beroep slaagt. Met name het door rood licht rijden van [eiser] is een veel ernstiger verkeersfout dan het onvoldoende uitkijken bij het oprijden van kruising bij groen licht. In feite valt de fout van [gedaagde sub 2] in het niet bij de fouten van [eiser]. [eiser] is door rood licht gereden en heeft zijn rijgedrag niet zodanig heeft aangepast dat hij adequaat kon reageren op kruisend verkeer, dat hij - gelet op het negeren van het rode stoplicht - met grote waarschijnlijkheid moest verwachten. En hoewel aan [gedaagde sub 2] verweten kan worden dat hij onvoldoende heeft uitgekeken, valt die fout weg tegen de fouten van [eiser]. De fout van onvoldoende uitkijken weegt nu eenmaal minder zwaar in de situatie dat de betrokkene groen licht had. De billijkheid eist in dit geval dan ook dat de vergoedingsplicht van gedaagden geheel vervalt. De overige omstandigheden van het geval maken niet dat de vergoedingsplicht gedeeltelijk in stand zou moeten blijven.

2.23. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] om gedaagden te veroordelen tot betaling van de schade die hij heeft geleden en zal lijden tengevolge van het ongeval moeten worden afgewezen, evenals de gevraagde verwijzing naar de schadestaatprocedure. Nu de vergoedingsplicht geheel vervalt, komt de vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten evenmin voor toewijzing in aanmerking.

2.24. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden (inclusief de kosten van het voorlopig getuigenverhoor) worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 310,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1.130,00 (2,5 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.440,00

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst het gevorderde af,

3.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op EUR 1.440,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2007.