Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA1248

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-03-2007
Datum publicatie
21-03-2007
Zaaknummer
399361
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eenzijdige wijziging vaste uitkering op basis van winstdelingsregeling. Toetsing aan 6:248 lid 2 BW aangezien het een collectieve regeling betreft en aan 7:613 BW voor zover arbeidsovereenkomst wijzigingsbeding bevat. Noodzaak wijziging naast andere getroffen bezuinigingsmaatregelen niet aangetoond. Niet gebleken van voldoende zwaarwichtig belang van werkgever bij wijziging. Beroep op onvoorziene omstandigheden en 'gelijk loon voor gelijke arbeid' verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2007, 82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie 's-Hertogenbosch

Zaaknummer : 399361

Rolnummer : 3525-05

Uitspraak : 8 maart 2007

in de zaak van:

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser],

wonende te [woonplaats],

4. [eiser],

wonende te [woonplaats],

5. [eiser],

wonende te [woonplaats],

6. [eiser],

wonende te [woonplaats],

7. [eiseres],

wonende te [woonplaats],

8. [eiser],

wonende te [woonplaats]

9. [eiser],

wonende te [woonplaats],

10. [eiser],

wonende te [woonplaats],

11. [eiser],

wonende te [woonplaats],

12. [eiser],

wonende te [woonplaats],

13. [eiseres],

wonende te [woonplaats],

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident tot tussenkomst,

gemachtigde: mr. M. Bosman,

en

[eiser na tussenkomst],

eiser in het incident tot tussenkomst,

tussenkomende partij in de hoofdzaak,

gemachtigde: mr. M. Bosman,

t e g e n :

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Wegener Huis-aan-Huiskranten B.V.,

gevestigd te Enschede,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Uitgeversmaatschappij De Gelderlander B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eindhovens Dagblad B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Brabants Dagblad B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BN/De Stem/PZC B.V.,

gevestigd te Breda,

gedaagden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident tot tussenkomst,

gemachtigde: mr. A. van der Kolk,

als vervolg op het eerder in deze zaak gewezen vonnis van 27 april 2006.

Partijen zullen verder worden aangedui[eisers]], '[eiser na tussenkomst]' en 'Wegener c.s.'.

1. De procedure

Na het hiervoor genoemde vonnis van 27 april 2006 heeft [eiser na tussenkomst] een conclusie na tussenkomst genomen. Vervolgens hebben [eisers] een conclusie van repliek genomen gevolgd door een conclusie van dupliek van Wegener c.s.. Tenslotte is vonnis bepaald. Onder de genoemde processtukken bevinden zich tevens de in die stukken nader aangeduide producties.

2. Het geschil

2.1. [eisers] vorderen dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

1. voor recht wordt verklaard dat [eisers] niet gebonden zijn aan de door Wegener c.s. eenzijdig doorgevoerde verlaging van de (winst)uitkering;

2. voor recht wordt verklaard dat [eisers] recht hebben op uitbetaling van de (winst)uitkering volgens de (winst)uitkeringsregeling zoals die is vastgesteld op 9 november 2000;

3. Wegener c.s. worden veroordeeld tot betaling van de (winst)uitkering volgens de (winst)uitkeringsregeling zoals die is vastgesteld op 9 november 2000 over de jaren 2002, 2003 en 2004 aan [eisers], vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten van € 3.000,-;

4. met veroordeling van Wegener c.s. in de kosten van het geding;

en subsidiair:

1. voor recht wordt verklaard dat [eisers] niet gebonden zijn aan de door Wegener c.s. eenzijdig met terugwerkende kracht doorgevoerde verlaging van de (winst)uitkering voor het jaar 2002;

2. voor recht wordt verklaard dat [eisers] voor het jaar 2002 recht hebben op uitbetaling van de (winst)uitkering volgens de (winst)uitkeringsregeling zoals die is vastgesteld op 9 november 2000;

3. Wegener c.s. worden veroordeeld tot betaling van de (winst)uitkering volgens de (winst)uitkeringsregeling zoals die is vastgesteld op 9 november 2000 over 2002 aan [eisers], vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten van € 3.000,-;

4. met veroordeling van Wegener c.s. in de kosten van het geding.

2.2. [eiser na tussenkomst] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

1. voor recht wordt verklaard dat [eiser na tussenkomst] niet gebonden is aan de door Wegener c.s. eenzijdig doorgevoerde verlaging van de (winst)uitkering;

2. voor recht wordt verklaard dat [eiser na tussenkomst] recht heeft op uitbetaling van de (winst)uitkering volgens de (winst)uitkeringsregeling zoals die is vastgesteld op 9 november 2000;

3. het Brabants Dagblad wordt veroordeeld tot betaling van de (winst)uitkering volgens de (winst)uitkeringsregeling zoals die is vastgesteld op 9 november 2000 over de jaren 2002, 2003 en 2004 tot 1 juni van dat jaar aan [eiser na tussenkomst], vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging en wettelijke rente;

4. met veroordeling van Het Brabants Dagblad in de kosten van het geding;

en subsidiair:

1. voor recht wordt verklaard dat [eiser na tussenkomst] niet gebonden is aan de eenzijdig, met terugwerkende kracht doorgevoerde verlaging van de (winst)uitkering voor het jaar 2002;

2. voor recht wordt verklaard dat [eiser na tussenkomst] voor het jaar 2002 recht heeft op uitbetaling van de (winst)uitkering volgens de (winst)uitkeringsregeling zoals die is vastgesteld op 9 november 2000;

3. het Brabants Dagblad wordt veroordeeld tot betaling van de (winst)uitkering volgens de (winst)uitkeringsregeling zoals die is vastgesteld op 9 november 2000 over 2002 aan [eiser na tussenkomst] vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging en wettelijke rente;

4. met veroordeling van Het Brabants Dagblad in de kosten van het geding.

2.3. [eisers] en [eiser na tussenkomst] leggen hieraan, zakelijk weergegeven, het volgende aan ten grondslag.

2.3.1. [eiser 1] is in dienst van gedaagde Wegener Huis-aan-Huiskranten. [eisers 2 tot en met 7] zijn in dienst van gedaagde Uitgeversmaatschappij De Gelderlander. [eiser 8] is in dienst van het Eindhovens Dagblad. [eisers 9 en 10] zijn in dienst van het Brabants Dagblad, waar tussenkomende partij [eiser na tussenkomst] eveneens in dienst was tot hij per [2004] met VUT ging. [eisers 11 tot en met 13] zijn in dienst van BN/De Stem/PZC. [eisers] en [eiser na tussenkomst] waren voorheen allen werkzaam bij VNU, rechtsvoorganger van hun huidige werkgever. Gedaagden zijn dochters van Wegener N.V..

2.3.2. Onderdeel van de arbeidsvoorwaarden van [eisers]en [eiser na tussenkomst] was de winstdelingsregeling VNU. Het totaal hiervoor beschikbare bedrag bedroeg 12,5% van het bedrijfsresultaat. Ten aanzien van de overname van de dagbladendivisie door Wegener Arcade zijn afspraken gemaakt over de arbeidsvoorwaarden van de over te nemen werknemers. Deze afspraken houden onder meer het volgende in:

"Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden geldt dat Wegener Arcade voor iedere individuele werknemer alle huidige bij de vennootschap en de andere tot de groep behorende vennootschappen van toepassing zijnde arbeidsvoorwaarden handhaven, daaronder begrepen, maar niet beperkt tot het bestaande sociaal plan, met dien verstande dat gelijkwaardige alternatieven zullen worden aangeboden aan iedere betrokken individuele werknemer voor specifieke op verkoper betrekking hebbende arbeidsvoorwaarden die niet binnen de organisatie van koper bestaan zoals bijvoorbeeld de VNU winstdelingsregeling, en wel op een zodanige wijze dat de totaalwaarde van de huidige arbeidsvoorwaarden voor iedere betrokken individuele werknemer gelijk zal blijven." en "Deze garantie maakt - zoals hierboven geformuleerd - deel uit van de verkoop/overname overeenkomst. Niemand van het personeel dat in dienst is op het moment van overname gaat er derhalve voor wat betreft zijn arbeidsvoorwaarden in materiële zin op achteruit."

2.3.3. In het sociaal plan van 9 november 2000 is het volgende vastgelegd.

"Voor de winstdelingsregeling is het volgende overeengekomen: de winstdelingsregeling voor oud VNU medewerkers wordt een uitkering van een jaarlijks vast percentage van 12,5%. In geval de winst van Wegener onverhoopt een zodanige verslechtering te zien geeft dat drastische saneringsmaatregelen onvermijdelijk zijn, dan zal deze garantiebepaling wederom onderwerp van overleg zijn met de centrale ondernemingsraad van Wegener. De uitkering van de oud VNU personeelsleden kent geen relatie met de Wegener winstdelingsregeling anders dan de winstafhankelijkheid in letterlijke zin zoals hiervoor is aangegeven, en zal niet meer bedragen dan 12,5%."

De winstdelingsregeling is hiermee verworden tot een vaste eindejaarsuitkering van 12,5%.

2.3.4. Eind november 2002 heeft Wegener N.V. besloten dat de vaste jaarlijkse uitkering van oud VNU medewerkers naar beneden toe, tot een vaste uitkering van 8,3%, moest worden bijgesteld. Wegener c.s. hebben dit besluit uitgevoerd. Als reden voor dit besluit werd de slechte financiële situatie van Wegener gegeven. Het gaat met Wegener weliswaar slechter maar niet zodanig dat Wegener toe is aan een 'drastische sanering'. Er had gelet op de gemaakte afspraken en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet tot een wijziging van de regeling mogen worden overgegaan. Subsidiair hebben Wegener c.s. in strijd met redelijkheid en billijkheid en goed werkgeverschap gehandeld door de wijziging met terugwerkende kracht, over 2002, door te voeren.

2.3.5. Wegener c.s. hebben zich niet als een goed werkgever gedragen en hebben bij herhaling nagelaten aan redelijke verzoeken van [eisers] te voldoen. Zij dienen daarom ook in de buitengerechtelijke kosten te worden veroordeeld. Deze kosten zijn gemaakt in het kader van overleg dat voorafgaand aan deze procedure is gevoerd om te proberen de procedure te voorkomen.

2.4. Wegener c.s. hebben tot hun verweer onder meer het navolgende aangevoerd. Na 2000 is het netto resultaat van Wegener sterk gedaald en in 2002 en 2003 was dit resultaat negatief. Wegener heeft zich als gevolg daarvan genoodzaakt gezien verschillend kostenbesparende maatregelen te nemen. De VNU winstdelingsregeling is door Wegener gewijzigd nadat daarover overeenstemming was bereikt met de COR. Op grond van het bepaalde in de artikelen 7:611 BW, 7:613 BW en 6:248 BW kon Wegener tot deze eenzijdige wijziging overgaan. Wegener had een zwaarwegend belang bij een aanpassing van de VNU winstdelingsregeling gezien de bedrijfsresultaten en de kosten van die regeling.

Voor wat betreft [eiseres 13] geldt dat de met haar gesloten arbeidsovereenkomst een eenzijdig wijzigingsbeding bevat in de zin van artikel 7:613 BW. De wijziging van de winstdelingsregeling kan voor de overige eisers getoetst worden aan artikel 6:248 BW. Op grond van de redelijkheid en de billijkheid kan voortzetting van de dure winstdelingsregeling niet van Wegener c.s. verlangd worden

Voor zover de wijziging de op grond van voormelde bepalingen aan te leggen toets niet kan doorstaan doen Wegener c.s. een beroep op het bestaan van een onvoorziene omstandigheid als bedoeld in artikel 6:258 BW. Uit het bepaalde onder 11 sub 4 van de VNU winstdelingsregeling blijkt dat partijen zich gerealiseerd hebben dat er in de toekomst sprake zou kunnen zijn van omstandigheden waaronder ongewijzigd voortzetten van de winstdelingsregeling onaanvaardbaar zou zijn. [eisers] en [eiser na tussenkomst] kunnen in de huidige omstandigheden niet vasthouden aan onveranderde toepassing van de winstdelingsregeling nu dat voor Wegener c.s. en de daar werkzame personen grote gevolgen zou kunnen hebben. De winstdelingsregeling moet dan ook worden aangepast overeenkomstig de reeds doorgevoerde wijziging.

Tot slot wordt een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Van de 1.655 mensen op wie de VNU winstdelingsregeling van toepassing was, is het overgrote deel met de wijziging akkoord gegaan. Gelijke arbeid moet gelijk worden beloond.

3. De beoordeling

3.1. Niet in geschil is dat voor [eisers] en [eiser na tussenkomst] de VNU-winstdelingsregeling gold die hen aanspraak gaf op een winstuitkering. Deze winstuitkering werd uitgedrukt in een percentage van de persoonlijke winstdelingsbasis. Het percentage was gemaximeerd op 12,5%. Na overname van VNU door Wegener is een nadere afspraak gemaakt, inhoudende dat de winstdelingsregeling voor oud VNU-medewerkers een vaste uitkering werd van 12,5%. Deze afspraak maakt onderdeel uit van de arbeidsovereenkomsten van [eisers] en [eiser na tussenkomst]. Wegener c.s. hebben deze arbeidsvoorwaarde zonder toestemming van de individuele werknemers gewijzigd. Deze wijziging houdt voor oud VNU-medewerkers in dat de uitkering voortaan zou bestaan in een basisuitkering van 8,3% en een variabele uitkering, afhankelijk van bedrijfsresultaten, met een gezamenlijk maximum van 12,5%. In dit geschil is de vraag aan de orde of Wegener c.s. gerechtigd waren tot het doorvoeren van deze aanpassing.

3.2. Tussen partijen staat vast dat alleen in de arbeidsovereenkomst van [eiseres 13] een wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW is opgenomen en niet in de arbeidsovereenkomsten van de andere eisers. Dit brengt mee dat de beoordeling van de wijziging voor wat betreft [eiseres 13] dient te geschieden aan de hand van het in artikel 7:613 BW neergelegde criterium. Voor wat betreft de overige eisers dient die beoordeling plaats te vinden op basis van het bepaalde in artikel 6:248 tweede lid BW, in aanmerking nemende dat het hier gaat om een wijziging van een voor meerdere werknemers geldende regeling. Voor de door Wegener c.s. in de plaats daarvan of daarnaast voorgestane toets aan het bepaalde in artikel 7:611 BW is geen plaats nu er geen sprake is van een aanpassing van een arbeidsovereenkomst in een individuele situatie waarop die bepaling ziet.

3.3. Het bepaalde in artikel 6:248 tweede lid BW brengt mee dat wijziging van de winstdelingsregeling slechts aan de orde kan zijn indien toepassing van die regeling in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. In dit verband is het volgende relevant. Volgens Wegener c.s., productie 7 bij dagvaarding, is aanpassing van de garantieafspraak over de winstdelingsregeling noodzakelijk geworden, aangezien economische ontwikkelingen over de jaren 2000 tot en met 2002 ertoe hebben geleid dat haar resultaten sterk achterbleven bij de verwachtingen en, anders gezegd, zwaar onder druk stonden. Wegener c.s. hebben gesteld dat Wegener genoodzaakt was om een aantal maatregelen te nemen. Deze maatregelen hebben in het volgende bestaan. In 2001 is er een vacaturestop afgekondigd met als gevolg een vermindering van 16,8 % ofwel 300 fte in de jaren 2001 - 2004. Voorts is de Arnhemse Courant opgeheven en is in de huis-aan-huiskrantensector fors gereorganiseerd. Er zijn titels samengevoegd en geschrapt. De verspreidorganisatie Interlanden B.V. is verkocht en de drukkerijen in Vlissingen en Houten zijn gesloten. Daarnaast zijn er huurovereenkomsten beëindigd en zijn er panden verkocht, met welke verkopen vele miljoenen gemoeid zijn. Bij het Algemeen Pensioenfonds Wegener zijn versoberende maatregelen getroffen, het destijds vigerende Sociaal Plan is sterk versoberd en de feestdagenuitkering is niet uitgekeerd. Wegener c.s. hebben gesteld dat de VNU winstregeling ook is aangepast omdat deze zo'n 3,5 miljoen euro, zijnde in 2002 ongeveer het equivalent van 20% van de netto winst voor bijzondere posten, meer kostte dan de nieuw ingevoerde regeling.

Uit hetgeen door Wegener c.s. is gesteld kan echter niet worden geconcludeerd dat er naast de genomen overige maatregelen een noodzaak bestond om ook de winstdelingsregeling aan te passen. Gesteld noch gebleken is dat het in 2002 uit bedrijfseconomisch oogpunt, gelet op de continuïteit van Wegener c.s., onontkoombaar was dat deze regeling voor dat jaar en de daarop volgende jaren zou worden aangepast. Wegener c.s. hebben geen althans niet voldoende inzichtelijk gemaakt hoe deze aanpassing zich verhoudt tot de andere genomen maatregelen en andere mogelijke kostenbesparingen in relatie tot het te bereiken doel. Het belang van de wijziging van de winstdelingsregeling in verhouding tot de gestelde problemen is aldus niet gebleken. Er kan daarom niet van worden uitgegaan dat er van een noodzaak voor die wijziging sprake was. Dat drastische saneringsmaatregelen onvermijdelijk waren, in die zin dat niet te ontkomen zou zijn geweest aan wijziging van de winstdelingsregeling, volgt niet uit de stellingen van Wegener c.s., nog daargelaten dat dit volgens de afspraken van 9 november 2000 er enkel toe zou leiden dat de garantiebepaling wederom onderwerp van overleg met de COR zou zijn, hetgeen niet zonder meer instemming met een verslechtering van de regeling impliceert. In aanmerking nemende ook dat de winstdelingsregeling voor [eisers] en [eiser na tussenkomst] een belangrijke, primaire arbeidsvoorwaarde vormde, die immers de hoogte van hun inkomen mede bepaalde, is er geen sprake van een situatie waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat Wegener c.s. door [eisers] en [eiser na tussenkomst] aan de winstdelingsregeling zouden worden gehouden. De omstandigheid dat de centrale ondernemingsraad met de wijziging van de winstdelingsregeling heeft ingestemd doet aan het voorgaande niet af, reeds omdat die ondernemingsraad ter zake deze wijziging individuele werknemers niet kan binden. Voorts kan de verwijzing door Wegener c.s. naar het bepaalde in artikel 11 lid 4 van de VNU winstdelingsregeling hen niet baten. Gesteld noch gebleken is immers dat de in die bepaling beschreven situatie zich hier voordoet.

3.4. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:613 BW kan BN/De Stem/PZC slechts een beroep doen op het wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst met [eiseres 13] indien BN/De Stem/PZC bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van [eiseres 13] dat door de wijziging wordt geschaad, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Op grond van hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen, is daarvan geen sprake. [eiseres 13] heeft een groot belang bij ongewijzigde toepassing van de winstdelingsregeling aangezien de hierop gebaseerde uitkering onderdeel uitmaakt van haar inkomen. Een eigen belang van BN/De Stem/PZC is gesteld noch gebleken. Aangenomen kan worden dat Wegener gezien haar financiële situatie belang heeft bij een kostenbesparing maar uit hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen volgt dat er niet van kan worden uitgegaan dat dit belang zodanig zwaarwegend is, dat het belang van [eiseres 13] daarvoor zou moeten wijken.

3.5. Op dezelfde gronden als hiervoor onder 3.3 en 3.4 genoemd moet worden geconcludeerd dat er geen sprake is van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat [eisers] en [eiser na tussenkomst] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van hun arbeidsovereenkomsten zouden mogen verwachten. Het beroep van Wegener c.s. op het bepaalde in artikel 6:258 BW gaat derhalve evenmin op.

3.6. Tussen partijen staat vast dat een deel van de oud VNU werknemers de gewijzigde winstdelingsregeling heeft geaccepteerd en dat een ander deel van die werknemers, dat aanvankelijk in deze procedure eveneens als eisers optrad, een aanbod van Wegener c.s. heeft geaccepteerd en zich vervolgens uit deze procedure heeft teruggetrokken. De omstandigheid dat andere werknemers die zich in een vergelijkbare situatie als [eisers] en [eiser na tussenkomst] bevonden een voor hen nadelige wijziging van arbeidsvoorwaarden hebben aanvaard brengt niet mee dat [eisers] en [eiser na tussenkomst] gehouden zouden zijn, op grond van het beginsel dat gelijke arbeid gelijk moet worden beloond, die achteruitgang eveneens te accepteren.

3.7. De slotsom van het voorgaande is dat Wegener c.s. niet gerechtigd waren de aanpassing van de winstdelingsregeling door te voeren en dat er geen grond is voor aanpassing van de arbeidsovereenkomsten van [eisers] en [eiser na tussenkomst] op dit onderdeel. De primaire vordering van [eisers] en de vordering van [eiser na tussenkomst] tot het verkrijgen van verklaringen voor recht en betaling van de uitkeringen over de jaren 2002, 2003 en 2004 zullen derhalve worden toegewezen. Tegen de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten is geen verweer gevoerd zodat deze eveneens zullen worden toegewezen. In de omstandigheden van het geval en gegeven het feit dat de wettelijke rente wordt toegewezen, wordt aanleiding gezien om de wettelijke verhoging te matigen tot 10%.

3.8. Wegener c.s. zullen worden veroordeeld in de kosten van deze procedure in de hoofdzaak en in het incident.

4. De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat [eisers] en [eiser na tussenkomst] niet gebonden zijn aan de door Wegener c.s. eenzijdig doorgevoerde verlaging van de (winst)uitkering;

verklaart voor recht dat [eisers] en [eiser na tussenkomst] recht hebben op uitbetaling van de (winst)uitkering volgens de (winst)uitkeringsregeling zoals die is vastgesteld op 9 november 2000;

veroordeelt

Wegener Huis-aan-Huiskranten aan [eiser 1],

Uitgeversmaatschappij De Gelderlander aan [eisers 2 tot en met 7],

het Eindhovens Dagblad aan [eiser 8],

het Brabants Dagblad aan [eisers 9 en 10] en [eiser na tussenkomst] en

BN/De Stem/PZC aan [eisers 11 tot en met 13]

te betalen de (winst)uitkering volgens de (winst)uitkeringsregeling zoals die is vastgesteld op 9 november 2000 over de jaren 2002, 2003 en 2004, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10% hierover en het totaal vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 jo 6:120 BW met ingang van 1 juni 2004 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Wegener c.s. tot betaling aan [eisers] van de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 3.000,-;

veroordeelt Wegener c.s. in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eisers] en [eiser na tussenkomst] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op in totaal € 526,33 verschotten en

€ 1.400,- salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis voor wat betreft voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 maart 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.