Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA0931

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-03-2007
Datum publicatie
19-03-2007
Zaaknummer
01/835026-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verbalisanten hebben tijdens de verhoren van verdachte niet onrechtmatig gehandeld.

De verdachten zijn in een aantal gevallen tegen elkaar uitgespeeld. Het op deze wijze onder druk zetten van verdachte is weliswaar niet fraai, maar op zichzelf in een verhoorsituatie, zonder bijkomende omstandigheden niet onrechtmatig.

Verbalisanten hebben verzuimd verdachte mede te delen dat hij als getuige onder omstandigheden gebruik kan maken van zijn zwijgrecht. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte door die onvolledige mededeling is gaan verklaren waar hij anders zou hebben gezwegen.

Gewenst is dat ook verklaringen van de verdachten ten aanzien van de verhooromstandigheden op band worden opgenomen. Uit het feit dat dit niet is gebeurd, volgt niet dat er sprake is van een bewuste misleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/835026-06

Uitspraakdatum: 19 maart 2007

VERKORT VONNIS

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

wonende te [adres]

thans verblijvende: P.I. Zuid Oost, HvB Roermond te Roermond

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 maart 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 april 2006.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 1 februari 2005 tot

en met 1 november 2005 meermalen, althans eenmaal, te Nuenen (in de woning

[adres]) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of

bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer]

(telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die

(telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen

van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte en/of (een of

meer van) zijn mededader(s) (telkens)

- een (zogenaamde) dildo in de anus van die [slachtoffer] gebracht

en/of

- zijn/hun penis in de anus van die [slachtoffer] gestopt

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte

en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- die [slachtoffer] geheel heeft/hebben ontkleed en/of

- zijn polsen op zijn rug aan elkaar heeft/hebben vastgebonden en/of

- die [slachtoffer] (naakt) op een bed heeft/hebben gelegd en/of

- de bilspleet van die [slachtoffer] uit elkaar heeft/hebben

getrokken

- die [slachtoffer] (naakt) op een bed heeft/hebben vastgehouden en/of

(aldus) voor die [slachtoffer] (telkens) een bedreigende situatie

heeft/hebben doen ontstaan;

(artikel 242 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij meermalen, althans eenmaal in of omstreeks de periode van 01 januari

2002 tot en met 27 januari 2006 te Nuenen ( in de woning [adres] ),

gemeente Nuenen Ca,, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, (telkens) met [slachtoffer], van wie hij, verdachte

en/of (een of meer van) zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat [slachtoffer] in staat van bewusteloosheid of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van

zijn geestvermogens leed dat die [slachtoffer] (telkens) niet of

onvolkomen in staat was zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of

daartegen weerstand te bieden, een of meer handeling(en) heeft/hebben

gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], hebbende verdachte en/of

(een of meer van) zijn mededader(s)

- (telkens) zijn/hun penis in de mond en/of in de bilspleet en/of in de anus

van die [slachtoffer] gestopt en/of gehouden en/of

- (telkens) de penis van die [slachtoffer] afgetrokken en/of

- (telkens) verdachte's penis en/of de penis van verdachte's mededader(s)

door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of

- (telkens) de penis van die [slachtoffer] in zijn/hun mond genomen

en/of gehouden en/of

- (telkens) het geslachtsdeel en/of de schaamstreek van [slachtoffer] gestreeld en/of zijn/hun geslachtsdeel en/of schaamstreek door die [slachtoffer] laten strelen en/of

- (telkens) zijn/hun tong in de mond van die [slachtoffer] gebracht

(tongzoenen);

(artikel 243 Wetboek van Strafrecht);

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 januari 2002

tot 28 december 2003 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, ( in de woning

[adres] ) tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met [slachtoffer], die de leeftijd van twaalf jaren maar

nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer

ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- (telkens) zijn/hun penis in de mond en/of in de bilspleet en/of in de anus

van die [slachtoffer] gestopt en/of gehouden en/of

- (telkens) de penis van die [slachtoffer] afgetrokken en/of

- (telkens) verdachte's penis en/of de penis van verdachte's mededader(s)

door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of

- (telkens) de penis van die [slachtoffer] in zijn/hun mond genomen

en/of gehouden en/of

- (telkens) het geslachtsdeel en/of de schaamstreek van [slachtoffer] gestreeld en/of zijn/hun geslachtsdeel en/of schaamstreek door die [slachtoffer] laten strelen en/of

- (telkens) zijn/hun tong in de mond van die [slachtoffer] gebracht

(tongzoenen);

(artikel 245 Wetboek van Strafrecht);

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 01 januari 2002

tot en met 27 januari 2006 te Nuenen (in de woning [adres]),

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens)

met [slachtoffer], van wie hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

(telkens) wist(en) dat die [slachtoffer] in staat van bewusteloosheid of

lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige

ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens leed dat die

[slachtoffer] (telkens) niet of onvolkomen in staat was zijn wil

daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden

en/of met [slachtoffer], die de leeftijd van zestien jaren nog niet had

bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd,

immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s)

- (telkens) zijn/hun penis in de mond en/of in de bilspleet en/of in de anus

van die [slachtoffer] gestopt en/of gehouden en/of

- (telkens) de penis van die [slachtoffer] afgetrokken en/of

- (telkens) verdachte's penis en/of de penis van verdachte's mededader(s)

door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of

- (telkens) de penis van die [slachtoffer] in zijn/hun mond genomen

en/of gehouden en/of

- (telkens) het geslachtsdeel en/of de schaamstreek van [slachtoffer] gestreeld en/of zijn/hun geslachtsdeel en/of schaamstreek door die [slachtoffer] laten strelen en/of

- (telkens) zijn/hun tong in de mond van die [slachtoffer] gebracht

(tongzoenen);

(artikel 247 Wetboek van Strafrecht);

3.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van

1 januari 2005 tot en met 27 januari 2006 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca,, in

elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen,

althans alleen, één of meermalen een afbeelding en/of een gegevensdrager,

bevattende één of meer afbeeldingen van seksuele gedragingen, bij welke

vorenbedoelde afbeelding(en) (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd

van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was

betrokken (telkens) heeft verspreid, en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of

uitgevoerd en/of in bezit heeft gehad,

te weten een of meer afbeelding(en) en/of filmopname(n) waarop (telkens) is

afgebeeld [slachtoffer], geboren (geboortedatum) 1987, op welke afbeeldingen

die [slachtoffer] naakt te zien is terwijl hij zichzelf en/of een ander

aan het pijpen en/of aftrekken is;

(artikel 240 b van het Wetboek van Strafrecht);

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 5 maart 2007 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De verdediging heeft betoogd dat de verhoren niet correct hebben plaatsgevonden. Aan de hand van concrete verwijzingen naar de woordelijk uitgewerkte processen-verbaal wordt gesteld dat er sprake is geweest van

1. een ernstige mate van sturing, het leggen van woorden in de mond van verdachte, het verdraaien van zijn verklaringen

2. het op de man spelen en verdachten tegen elkaar uitspelen, schending van het pressieverbod van art. 29 Wetboek van Strafvordering

3. het voorhouden van leugens waaronder de uitleg over het zwijgrecht en de verplichting om als getuige gehoord te worden

4. het aan verdachte voorhouden en als waarheid presenteren van in werkelijkheid niet afgelegde en verzonnen verklaringen

5. het doen van irreële beloften, waaronder de mededeling dat de partner van verdachte op korte termijn zou worden vrijgelaten

6. het niet opnemen van gedeelten van verhoren op tape, waardoor die delen niet toetsbaar zijn.

Op grond hiervan moet volgens de verdediging het openbaar ministerie niet ontvankelijk worden verklaard.

Ten aanzien van argument 1 en 2 overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de duur en het verloop van het verhoor, de vraagstelling van verbalisanten en de toonzetting is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een ongeoorloofde sturing door de politie. Verbalisanten hebben verdachte weliswaar bij herhaling en indringend bevraagd over de met name in feit 1 besloten liggende beschuldiging, maar de tekst van de woordelijk uitgewerkte verhoren, noch de door de rechtbank beluisterde delen van de DVD's waarop de verhoren zijn opgenomen, maken het aannemelijk dat er sprake is van ontoelaatbare pressie. Evenmin is de rechtbank gebleken of is aannemelijk gemaakt dat verdachte woorden in de mond zijn gelegd met als gevolg dat verdachte is misleid of dat gezegd kan worden dat hij op enigerlei wijze niet in vrijheid kon verklaren. De stelling dat verklaringen van verdachte verdraaid zouden zijn, vindt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in de weergaven van de verhoren en is ook overigens niet aannemelijk geworden. De rechtbank is wel met de verdediging van oordeel dat de verbalisanten in een aantal gevallen op de man hebben gespeeld, in het bijzonder in die gevallen dat zij verwezen naar de mogelijke toekomstige reactie van [slachtoffer] op door verdachte afgelegde verklaringen, en voorts dat verdachten inderdaad in een aantal gevallen tegen elkaar zijn uitgespeeld met name daar waar aan verdachte wordt gesuggereerd dat zijn partner (mede-verdachte (naam medeverdachte) vreemd gaat. Het op deze wijze onder druk zetten van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank weliswaar niet fraai maar op zichzelf in een verhoorsituatie, zonder bijkomende omstandigheden waarvan in casu niet is gebleken, niet onrechtmatig. Bij de beoordeling van het derde en vierde argument neemt de rechtbank als uitgangspunt dat de verbalisanten bij aanvang van de verhoren van verdachte op 31 januari 2006 onder meer beschikten over de verklaringen van [getuige] (de feitelijke stiefmoeder van [slachtoffer]) van 20 en 25 januari 2006 (respectievelijk p. 249 en p. 254 van het dossier) en over de verklaring van [getuige] van 25 januari 2006. Laatstgenoemde beschrijft in zijn verhoor dat [slachtoffer] door mede-verdachte (medeverdachte) grof werd uitgekleed, dat [slachtoffer] was vastgebonden op het bed, dat er een rode striem over zijn rug liep en tevens dat alles begon als grap en uitliep op iets gruwelijks (p. 355-357). Tevens waren verbalisanten op de hoogte van de inhoud van de verklaring van [slachtoffer] afgelegd tijdens het studioverhoor op 30 januari 2006 (p. 152). [slachtoffer] verklaart onder meer (p. 159):

"... [verdachten] en [betrokkene 1] (waren) bij [betrokkene 2] Daar bleven ze ook aandringen om het te doen (...) Ik moest hun pijpen allemaal en hun deden mij een voor een neuken ( ...) ik moest pijpen, ik moest trekken, hun deden alles met mij toen."

Gegeven deze startinformatie is het begrijpelijk dat verbalisanten trachten vast te stellen of er iets en zo ja wat precies is gebeurd op de bewuste dag in augustus 2005. Daarbij is het niet ontoelaatbaar dat zij aan verdachte suggereren dat er ook penetratie heeft plaatsgevonden. Het is niet aannemelijk geworden dat zij daarbij verdachte verzonnen en niet afgelegde verklaringen hebben voorgehouden. Hetgeen verbalisanten aan verdachte hebben meegedeeld over zijn verplichting om als getuige te verklaren, is onvolledig geweest in die zin dat hem niet is meegedeeld dat hij onder omstandigheden van zijn zwijgrecht gebruik kan maken. Nu niet aannemelijk is geworden dat verdachte door die onvolledige mededeling is gaan verklaren waar hij anders zou hebben gezwegen, heeft het enkele feit dat die onvolledige mededeling aan hem is gedaan reeds daarom geen rechtsgevolg. Ten aanzien van het vijfde argument overweegt de rechtbank dat de mededeling aan verdachte dat zijn partner "dadelijk vrijkomt" niet kan worden aangemerkt als een belofte aan verdachte. De rechtbank is met de raadsman van oordeel (argument 6) dat de door de raadsman genoemde passage op p. 307 aangaande het verwijderen van de vibrator inderdaad niet is terug te vinden in het woordelijk uitgewerkte proces-verbaal. De betreffende passage staat echter wel op de door de rechtbank beluisterde CD-ROM met het opschrift [verdachte] 8 februari 2006, 06-503862, kant B (tijdstip omstreeks 46e minuut). Daarnaast overweegt de rechtbank dat het weliswaar gewenst is dat ook verklaringen van de verdachten ten aanzien van de verhooromstandigheden als bedoeld op p. 300 van het dossier op band worden opgenomen, maar uit het feit dat zulks niet is gebeurd volgt niet dat er op enigerlei wijze sprake is van een bewuste misleiding of dat er verder zonder meer getwijfeld moet worden aan de schriftelijke weergave van het verhoor.

Hetgeen de verdediging op p. 8 van zijn pleitnotitie betreffende de niet-ontvankelijkheid stelt met betrekking tot de truc die verbalisanten zouden hebben uitgehaald, is voor de rechtbank niet begrijpelijk.

De rechtbank concludeert dat de door de raadsman aangevoerde argumenten afzonderlijk, noch bij elkaar genomen, leiden tot het oordeel dat er sprake is van een doelbewuste of grove veronachtzaming van de belangen van verdachte waardoor aan diens recht op een eerlijk proces tekort is gedaan. De rechtbank verwerpt het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is.

Ook overigens zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De bewijsbeslissing.

De raadsman heeft subsidiair aan zijn verweer betreffende de niet-ontvankelijkheid betoogd dat er bewijsuitsluiting dient plaats te vinden. Zoals blijkt uit hetgeen de rechtbank omtrent dat verweer heeft overwogen, hebben verbalisanten niet onrechtmatig gehandeld. De rechtbank verwerpt het bewijsverweer.

De rechtbank overweegt voorts met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde feit dat mogelijk het slachtoffer niet met een dildo maar met een vibrator is gepenetreerd. De benamingen in het proces-verbaal worden door elkaar gebruikt maar in ieder geval is komen vast te staan uit de verklaringen van [getuige] en verdachte dat het slachtoffer met een voorwerp welk in de hand werd gehouden is gepenetreerd. Gelet op het doorelkaar halen van deze twee benamingen, terwijl daarmee kennelijk hetzelfde voorwerp wordt bedoeld kan het woord dildo in de bewezenverklaring worden gehandhaafd.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 2 primair en subsidiair en 3 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde feit, dat niet is vast komen te staan dat het slachtoffer niet of onvolkomen in staat was om zijn wil ten aanzien van de seksuele handelingen te bepalen, kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden.

Voor wat betreft het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit overweegt de rechtbank nader, dat er uit het dossier geen informatie naar voren is gekomen waaruit zou kunnen blijken dat verdachte het slachtoffer nog voor het bereiken van de leeftijd van zestien jaren seksueel is binnengedrongen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte,

1.

op een tijdstip gelegen in de periode van 1 februari 2005 tot

en met 31 augustus 2005 te Nuenen (in de woning

[adres]) tezamen en in vereniging met anderen,

door geweld en andere feitelijkheden [slachtoffer]

heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die

mede bestonden uit het seksueel binnendringen

van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte en/of een of

meer van zijn mededaders

- een zogenaamde dildo in de anus van die [slachtoffer] gebracht

en bestaande dat geweld en andere feitelijkheden hierin dat verdachte

en/of een of meer van zijn mededaders

- die [slachtoffer] nagenoeg geheel heeft/hebben ontkleed en

- zijn polsen hebben vastgebonden en

- die [slachtoffer] op een bed hebben gelegd en

- de bilspleet van die [slachtoffer] uit elkaar heeft/hebben

getrokken

- die [slachtoffer] op een bed hebben vastgehouden en

-zijn enkels hebben vastgebonden en

-die [slachtoffer] meermalen, met de hand en een doek en een dildo heeft/hebben

geslagen.

2.meer subsidiair:

meermalen in de periode van 01 januari 2002

tot 28 december 2003 te Nuenen (in de woning [adres]),

tezamen en in vereniging met een ander

met [slachtoffer] die de leeftijd van zestien jaren nog niet had

bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd,

immers heeft verdachte en/of zijn mededader

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gestopt en/of

- de penis van die [slachtoffer] afgetrokken en/of

- verdachte's penis en/of de penis van verdachte's mededader

door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of

- de penis van die [slachtoffer] in zijn/hun mond genomen

en/of

- het geslachtsdeel en/of de schaamstreek van [slachtoffer] gestreeld.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 37a, 37b, 47, 57, 242, 247.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

Vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde feit.

Bewezen feit 1en 2 primair:

Gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest.

Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging.

Toewijzing van de vordering van de [benadeelde partij] ad 7000 euro, hoofdelijk, met oplegging van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De op te leggen straf(fen) en/of maatregel(en).

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

-de zeer jeugdige leeftijd van het [slachtoffer] in relatie tot de leeftijd van verdachte;

- verdachte heeft ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat het slachtoffer in hem stelde

terwijl hij zich niet heeft bekommerd om het lot van het slachtoffer;

-langdurig heeft verdachte een minderjarige persoon seksueel misbruikt. Er is sprake van een

ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit, de persoonlijke levenssfeer, en de normale seksuele ontwikkeling van het slachtoffer;

-de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De raadsman heeft subsidiair aan zijn verweer betreffende de niet-ontvankelijkheid en meer subsidiair aan zijn verweer betreffende bewijsuitsluiting betoogd dat er strafvermindering dient plaats te vinden. Zoals blijkt uit hetgeen de rechtbank omtrent deze verweren heeft overwogen, hebben verbalisanten niet onrechtmatig gehandeld. De rechtbank verwerpt het strafmaatverweer.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Op 17 april 2006 en 27 november 2006 heeft de klinisch psycholoog C. Clarijs een rapport respectievelijk aanvullend rapport omtrent verdachte uitgebracht. De in deze rapporten vermelde conclusies/adviezen, luiden, zakelijk weergegeven,

Rapport 17 april 2006

Bij betrokkene kon geen psychiatrische stoornis in engere zin worden vastgesteld. Betrokkene ontkent pedofiele neigingen. Wel wordt uit de feiten duidelijk dat betrokkene zich aangetrokken voelt tot jongere mannen.

Wel is bij betrokkene sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in die zin dat er gesproken kan worden van een persoonlijkheidsstoornis NAO (persoonlijkheid met afhankelijke en dwangmatige alsmede enkele theatrale trekken).

Ten tijde van het tenlastegelegde was een en ander onverminderd aanwezig.

Indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht kan gesproken worden van licht verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Betrokkene's persoonlijkheidseigenschappen (theatraliteit, afhankelijkheid en dwangmatigheid) zijn pervasief, dat wil zeggen niet gemakkelijk te moduleren.

Betrokkene verkeert in een milieu, opgebouwd uit homoseksuele contacten, dat de kansen op contacten, ook met jongeren, vergroot. Betrokkene legt daarbij ook contacten via sex-sites.

Indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht zijn er in de ogen van onderzoeker twee opties: afstraffing of een voorwaardelijke TBS waarbij de voorwaarde inhoudt dat betrokkene zich (opnieuw) laat behandelen binnen het FPC van de GgzE.

rapport d.d. 27 november 2006

De heer Arts, reclasseringsmedewerker, heeft betrokkene aangemeld bij Kairos, alwaar op 14 augustus een intake plaatsvond. Betrokkene blijkt zich daar gepresenteerd te hebben als zijnde zelf het slachtoffer van het daadwerkelijke slachtoffer en zijn partner. Betrokkene gaf ook aan niets strafbaars te hebben gedaan en dus ook geen behandeling nodig te hebben.

Betrokkene stelt zich dus heden op als een ontkennende verdachte; een eerdere bekentenis wordt nu door de verdediging aangevochten.

Onderzoeker zou dan ook het volgende willen stellen:

Mocht het tenlastegelegde bewezen worden geacht en blijft betrokkene behandeling weigeren, dan resteren er twee opties:

1) de reeds in het eerdere advies gegeven optie van "afstraffing" of

2) nu betrokkene niet wil voldoen aan de voorwaarden binnen de geadviseerde tweede optie, namelijk een TBS met voorwaarden, een oplegging van de maatregel van TBS met verpleging.

Er is overigens geen garantie te geven dat bij een TBS met verpleging de behandeling wel zal slagen. Deze laatste variant moet dan ook vooral worden gezien als beveiligingsmaatregel.

Op 4 april 2006 en 27 november 2006 heeft de zenuwarts J.R. Nijdam een rapport respectievelijk aanvullend rapport omtrent verdachte uitgebracht. De in deze rapporten vermelde conclusies/adviezen, luiden, zakelijk weergegeven,

Rapport 4 april 2006

Bij betrokkene is mogelijk sprake van pedofilie. Voorts is sprake van een gemengde persoonlijkheidsstoornis, gekenmerkt door een zwakke identiteit en met name afhankelijke persoonlijkheidskenmerken. Er bestaan tekorten in de gewetensfunctie.

Dit was ook ten tijde van het tenlastegelegde het geval.

De mogelijke pedofiele geaardheid en de persoonlijkheidsstoornis, de zwakke identiteit en de beperkte gewetensfunctie hebben een duidelijke invloed gehad op het plegen van het tenlastegelegde.

De betrokkene is onder invloed van zijn afhankelijkheid en zwakke identiteit, met name op seksueel gebied, de daarmee samenhangende onvoldoende beheersing over zijn seksuele gevoelens en niet voldoende gestuurd door de gewetensfunctie, die immers tekorten vertoont, tot zijn handelen gekomen.

De invloed van deze factoren vond in enige mate plaats.

Op basis van bovenstaande moet betrokkene als licht verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Bij betrokkene is van een eerder seksueel en pedofiel delict sprake geweest. Er is voorts van eerder promiscue seksueel gedrag sprake geweest.

De recidiefkans moet dan ook als aanzienlijk worden beschouwd.

Om de recidiefkans te verkleinen is het noodzakelijk dat betrokkene een behandeling in een opgelegd kader ondergaat gericht op zijn seksuele problematiek.

Een dergelijke behandeling zou in principe in een ambulant kader kunnen plaats vinden, bijvoorbeeld in de vorm van een dagbehandeling.

Wat betreft het juridisch kader kan zowel aan een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel als aan een TBS met voorwaarden worden gedacht.

Rapport 27 november 2006

Over betrokkene werd door ondergetekende in april 2006 gerapporteerd. Betrokkene stelde zich toen op als een deels ontkennende verdachte. Betrokkene gaf indertijd aan bereid te zijn om mee te werken aan een dergelijke behandeling indien deze zou worden opgelegd.

Vanwege betrokkenes duidelijke en bij herhaling geuite weigering om aan een behandeling mede te werken en zijn inmiddels ontkennende standpunt ten aanzien van het tenlastegelegde heeft ondergetekende, evenals mederapporteur het niet zinvol geacht om betrokkene wederom te spreken en daar dan ook vanaf gezien.

Zoals de situatie nu voorligt is behandeling van betrokkene in een voorwaardelijk kader geen optie. Indien en voor zover de tenlastegelegde feiten bewezen worden geacht blijft dan als optie over om betrokkene af te straffen dan wel, indien de ernst van de feiten en het gevaar dat oplevert dit noodzakelijk maken, het opleggen van een TBS met dwangverpleging.

In dit laatste geval zullen dan vooral de aspecten van beveiliging een rol spelen aangezien de behandelmogelijkheden van betrokkene gezien zijn huidge standpunt, geen gunstig perspectief hebben.

De rechtbank neemt deze conclusies en adviezen en de gronden waarop zij berusten over en maakt deze tot de hare, met dien verstande dat de rechtbank van oordeel is dat enkel afstraffing gelet op het herhalingsgevaar geen optie is.

De rechtbank overweegt dat de hierna te kwalificeren feiten misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld terwijl de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist en het misdrijven betreft die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De vordering van de [benadeelde partij].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door de bewezenverklaarde feiten toegebrachte immateriële schade een bedrag ad 1500 euro.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige, te weten een bedrag ad 5500 euro niet-ontvankelijk verklaren, aangezien dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering, te weten een bedrag ad 5500 euro, slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

medeplegen van verkrachting

T.a.v. feit 2 meer subsidiair:

Medeplegen van met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt

ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

T.a.v. feit 2 primair, feit 2 subsidiair, feit 3:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en

overtuigend bewezen.

T.a.v. feit 1, feit 2 meer subsidiair:

Gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

T.a.v. feit 1, feit 2 meer subsidiair:

Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging

T.a.v. feit 1, feit 2 meer subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 1500,00 subsidiair 30 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het [slachtoffer] van een bedrag van EUR 1500

(zegge: vijftienhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen

door 30 dagen hechtenis.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn

mededader is betaald.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte

mitsdien tot betaling aan de [benadeelde partij] , van een

bedrag van EUR 1500 (zegge: vijftienhonderd euro).

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet

ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd

voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn

mededader is betaald.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,

mr. E.C.M. de Klerk en mr. F.P.E. Wiemans, leden,

in tegenwoordigheid van L.D. Wittenberg, griffier

en is uitgesproken op 19 maart 2007.