Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA0580

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
132588
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BM5198, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

" Erfverpachter heeft aanspraak op deel van melkquotum bij einde erfpacht. Maatstaf is niet de 50/50 die Pachtkamer bij gewone, verbintenisrechtelijke pacht tot uitgangspunt neemt.

Gemeente mag in het algemeen niet beleidsmatig een sanctie stellen op redelijke wens om rechtsvragen die in rechtspraak en litteratuur nog niet definitief zijn beslist, aan de rechter voor te leggen. Mogelijke uitzonderingen op dit beginsel deden zich in casu niet voor."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 132588 / HA ZA 05-2181

Vonnis van 14 maart 2007

in de zaak van

de gemeente SINT ANTHONIS, zetelende te Sint Anthonis,

eiseres,

procureur mr. E.G.M. van Ewijk,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats]

gedaagde,

advocaat mr. J.H. van Vliet te Wageningen,

procureur mr. P.C.M. van der Ven.

Partijen zullen hierna de Gemeente en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 juni 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 30 oktober 2006

- de akte en aanvullende akte na comparitie van [gedaagde]

- de antwoord-akte van de Gemeente.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank brengt in herinnering dat zoals in het tussenvonnis werd overwogen en vastgesteld, het in deze zaak om, zakelijk weergegeven, het volgende gaat:

2.1.1. Van 1 mei 1967 tot 31 december 1996, alzo bijna dertig jaar, bezat [gedaagde] een zakelijk recht van erfpacht op landbouwgronden die eigendom van de Gemeente waren; hij oefende daarop een melkveebedrijf uit.

NB1: In feite bezat zijn familie die landbouwgronden reeds vanaf 1918 of 1933 in erfpacht, maar zulks is voor de beoordeling van deze zaak niet van belang.

NB2: Bij een ruilverkaveling, afgerond in 1985 zijn de betreffende landbouwgronden anders komen te liggen en opnieuw aangeduid, maar daarover is geen geschil en zulks is voor de beoordeling van deze zaak niet van belang

In 1984, na invoering van de "Beschikking Superheffing 1984" werd aan [gedaagde] voor zijn bedrijf een melkquotum toegewezen.

2.1.2. Bij het einde van de erfpacht, op 31 december 1996, is deze niet verlengd en derhalve geëindigd. Partijen hebben daarbij nieuwe afspraken gemaakt die zijn neergelegd in een notariële akte d.d. 7 januari 1999. Daarin werd onder meer overeengekomen dat [gedaagde] het gebruik van de gronden zou voortzetten, maar dan op basis van een gewone pachtovereenkomst, die werd aangegaan voor de wettelijke termijn van zes jaar, dwingendrechtelijk verlengbaar.

2.1.3. Partijen voorzagen blijkens artikel 8 van die akte een geschil over de vraag of de Gemeente bij einde van de erfpacht aanspraak had op (afrekening van) een deel van het melkquotum. Zij stelden in dat artikel vast dat op 1 juli 1997 de hoogte van het melkquotum 363.463 kg bedroeg en dat de Gemeente een eventuele aanspraak op vergoeding wegens het einde van de erfpacht pas geldend zou kunnen maken bij verkoop van dat quotum of bij einde van de nieuwe, verbintenisrechtelijke pacht. De nieuwe pachtovereenkomst is op 1 januari 2005 geëindigd en [gedaagde] heeft het melkquotum verkocht. Niet in geschil is dat de Gemeente haar aanspraak, zo die daadwerkelijk bestaat, thans geldend kan maken.

2.1.4. Het geschil gaat dus om twee vragen:

a. Had de Gemeente aanspraak op vergoeding van een deel van de waarde van het melkquotum?

b. Zo ja, hoe groot is dat deel?

2.2. In het tussenvonnis (r.o. 4.2) heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde] in beginsel gehouden is tot vergoeding van een deel van de waarde van het melkquotum aan de Gemeente. De woorden "in beginsel" duiden er op dat het daarbij nog niet om een zonder voorbehoud gegeven oordeel gaat waaraan de rechtbank is gebonden, en tevens dat de rechtbank in het tot dan toe gevoerde debat geen gronden aanwezig achtte om een uitzondering op dat beginsel vast te kunnen stellen.

In het daarna verhandelde (comparitie en akte) stelt [gedaagde] geen feiten of omstandigheden (ook niet bij wege van terugverwijzing naar bij antwoord of dupliek reeds aangevoerde, maar wellicht niet in die zin opgevatte stellingen) die zouden kunnen leiden tot het aannemen van een uitzondering op dat geformuleerde beginsel. Wel voert zij daarbij feiten en omstandigheden aan (oppervlakte, kosten ruilverkaveling, investeringen in opstallen, waterschapslasten) die in meerdere of mindere mate van invloed kunnen zijn op de hoogte van de te betalen vergoeding, maar die geen uitzondering op het geformuleerde beginsel kunnen dragen.

De rechtbank stelt thans zonder voorbehoud vast dat [gedaagde] bij het einde van de erfpacht, op 31 december 1996, gehouden was tot vergoeding van een deel van de waarde van het melkquotum aan de Gemeente.

2.3. De vordering van de Gemeente omvat naast het onderdeel A tot verklaring voor recht ten principale dát bij het einde van de erfpacht een vergoeding verschuldigd is, ook het onderdeel B dat in de formulering van de dagvaarding inhoudt dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de waarde van het melkquotum, rente en incassokosten, alles op te maken bij staat.

2.3.1. Bij repliek (punt 14) lijkt de Gemeente te willen betogen dat zij anders vordert dan (vervangende) schadevergoeding op te maken bij staat, maar zij heeft de formulering van haar eis niet gewijzigd. Veel doet dat er niet toe, omdat de rechter vrij is om vorderingen tot schadevergoeding naar de schadestaatprocedure te verwijzen, dan wel, zo dat inmiddels mogelijk blijkt, binnen bestek van de zaak zelf af te doen. De rechtbank komt daarop later nog terug.

2.3.2. Het onderdeel van de vordering dat de schadevergoeding betreft, bevat de volgende elementen:

a. Er dient te worden uitgegaan van een hoeveelheid van 363.463 kg.

b. Gewaardeerd dient te worden tegen de geldende marktprijs per 1 januari 2005;

c. Gerekend dient te worden volgens de vaste jurisprudentie van de Pachtkamer van het Gerechtshof Arnhem.

2.4. Met betrekking tot de omvang van het melkquotum (element a) als basis voor de berekening van de vergoeding, wordt overwogen:

2.4.1. In de akte van 7 januari 1999 stelden partijen vast dat op 1 juli 1997 de hoogte van het melkquotum 363.463 kg bedroeg. In zoverre is sprake van een vaststellingsovereenkomst waaraan partijen zijn gebonden. Zij hebben in dit geding dat gegeven ook niet ter discussie gesteld. Gesteld noch gebleken is dat die hoogte in het halfjaar tussen 31 december 1996 (datum einde erfpacht) en 1 juli 1997 (datum waarop de vaststelling betrekking had) is gewijzigd. De rechtbank stelt op grond van een en ander de hoeveelheid van het melkquotum per datum einde erfpacht, 31 december 1996, vast op 363.463 kg.

2.4.2. Partijen brachten ter sprake dat het melkquotum wordt "uitgesmeerd" over alle bij het melkveebedrijf in gebruik zijnde gronden, en pro rata toegerekend aan de gronden die de eigenaar in gebruik gaf. Maar [gedaagde] stelt nergens dat hij ook gronden buiten die waarvan de Gemeente bloot-eigenaar was, in gebruik had. Dan telt het hele quotum van 363.463 kg voor de berekening van de vergoeding mee.

2.4.3. Dit element van het gevorderde is in zoverre toewijsbaar.

2.5. Partijen zijn met betrekking tot het tijdstip van waardering (element b) in artikel 8 van de akte van 7 januari 1999 overeengekomen dat de geldelijke waarde van het melkquotum die bij het einde van de nieuwe, verbintenisrechtelijke pachtovereenkomst is, zijnde 1 januari 2005. Dit element van het gevorderde is in zoverre toewijsbaar.

2.6. Met het oog op de waarde van het melkquotum heeft [gedaagde] ter comparitie medegedeeld dat vetpercentage 4,02 bedroeg. De Gemeente heeft dat gegeven niet bestreden en het staat daarmee voor de berekening vast.

2.7. Met het onderdeel van de vordering "te berekenen volgens de vaste jurisprudentie van de Pachtkamer van het Gerechtshof Arnhem" (element c) doelt de Gemeente op uitspraken waarin werd bepaald dat de verbintenisrechtelijke pachter 50% van de marktwaarde van het quotum dient te vergoeden. De Gemeente maakt in dit geding ook aanspraak op die 50% (repliek, punt 7). [gedaagde] heeft de juistheid van die maatstaf gemotiveerd bestreden. Dienaangaande wordt overwogen:

2.7.1. Een zakelijk recht van erfpacht is een wezenlijk ander recht dan een verbintenisrechtelijke pacht. Op veel punten bestaan tussen de beide rechten aanzienlijke verschillen in rechtsgevolgen, met ook verschillende bedrijfseconomische gevolgen. De grote lijn bij die verschillen is dat de erfpachter meer in de positie van eigenaar wordt geplaatst dan een pachter. [gedaagde] noemde ter comparitie: de volledige aansprakelijkheid van de erfpachter voor waterschapslasten in plaats van voor pachters: 50/50 en de volledige bijdrage in de ruilverkavelingslasten (door hem begroot op € 61.470,00) voor erfpachters in plaats van voor pachters: 50/50 met een maximum van € 22,69 per hectare per jaar .

Daarbij komt dat de rechtsverhouding tussen de verbintenisrechtelijke verpachter en pachter door de dwingendrechtelijke regeling van de Pachtwet ook in haar economische gevolgen vrijwel volledig en uniform is gedefiniëerd. Erfpachtsverhoudingen kunnen daarentegen vrijelijk worden overeengekomen, wat tot grote veelvormigheid leidt.

2.7.2. Het in dit verband door de Gemeente gedaan beroep op artikel 59 Pachtwet faalt. Dat wetsartikel verklaart ter voorkoming van ontduiking van de dwingendrechtelijke bepalingen van de Pachtwet de bepalingen van die wet van overeenkomstige toepassing op (onder meer) erfpachtovereenkomsten voor 25 jaar of korter. Dat artikel geeft met deze scherpe grens een uitzonderingsregel op het vrijere erfpachtsrecht, die als uitzonderingsregel restrictief dient te worden uitgelegd. Zulks staat in de weg aan analoge toepassing buiten die grens.

2.7.3. De verschillen tussen de positie van een zakelijk erfpachter en die van een verbintenisrechtelijk pachter leiden er toe dat de in vaste rechtspraak van de Pachtkamer neergelegde 50/50 verdelingsnorm, ontwikkeld voor verregaand uniforme gevallen, overigens nog altijd met uitzonderingen voor bijzondere gevallen (die zich dan in de meestal uniforme pachtverhoudingen weinig zullen voordoen), niet zonder meer en één op één van toepassing is op de vergoeding bij einde van pluriforme erfpachtsverhoudingen.

2.8. Een en ander heeft de rechtbank reeds in het tussenvonnis (r.o. 4.5, voorlaatste volzin) gebracht tot de overweging dat de stelplicht voor een 50/50 verdeling bij de gemeente ligt. De Gemeente heeft na dat tussenvonnis echter inhoudelijk niets anders naar voren gebracht dan het herhaald wijzen op de rechtspraak van de Pachtkamer, die, zoals hiervoor werd overwogen, in erfpachtsverhoudingen niet doorslaggevend is. Voor verdeling op basis 50/50 heeft de Gemeente aldus onvoldoende gesteld, en haar vordering kan niet op die basis worden toegewezen.

2.9. Hiermee rijst de vraag: als bij het einde van erfpacht verdeling met 50/50 niet als regel en uitgangspunt kan gelden, wat is dan in concreto in deze zaak een redelijke en billijke verdeling? [gedaagde] heeft ten verwere primair aangevoerd dat dat één derde gedeelte van de waarde van het melkquotum zou moeten zijn en subsidiair 42,5%. Dienaangaande wordt in de navolgende alinea's overwogen:

2.10. Het eerste subsidiaire verweer van [gedaagde] op dit punt (CvA, pt. 28) dat "acht slaande op alle feiten en omstandigheden van het geval" aan de Gemeente slechts het één derde gedeelte van het melkquotum toekomt, faalt op de grond dat het verder niet is gemotiveerd, ook niet in de conclusie van dupliek, ter comparitie of in de akte na comparitie. Iedere kwantificatie door [gedaagde] ter rechtvaardiging van een verdeling 1/3 - 2/3 ontbreekt. De in algemene zin aangevoerde omstandigheden die hij aanvoerde ter ondersteuning van zijn betoog dat verdeling 50/50 niet zonder meer tot uitgangspunt in pachtverhoudingen mag worden genomen, zijn weliswaar gegrond bevonden voor dàt negatieve oordeel, maar niet ook redengevend voor zijn verweer dat 1/3 - 2/3 wel redelijk en billijk is.

Hiermee wil niet zozeer een processueel verwijt aan [gedaagde] gemaakt zijn, als wel de constatering gedaan dat het vrijwel ondoenlijk is om alle elementen in een erfpachtsverhouding in hun economische gevolgen zodanig te kwantificeren dat tot een financiëel beredeneerde waardebepaling, of zelfs maar een benadering daarvan, van het melkquotum kan worden gekomen. Ook het debat tussen partijen wijst daarop: tegenover de door [gedaagde] genoemde argumenten (oppervlakte, kosten ruilverkaveling, investeringen in opstallen, waterschapslasten) stelde de Gemeente andere (langere duur erfpacht, betere financieringsmogelijkheden bij hypotheekvestiging, minder risico bij investeringen), die evenzeer moeilijk te wegen zijn. Dat betekent dat partijen daaromtrent bezwaarlijk meer konden stellen dan het weinige dat zij hebben gesteld.

2.11. Het tweede subsidiaire verweer van [gedaagde] op dit punt (CvA, pt. 28) is, dat de Gemeente op grond van haar beleid, neergelegd in de beleidsnotitie "Notitie Melkquotum" (CvR, prod. 2) slechts 42,5% in rekening behoort te brengen.

De Gemeente heeft dat bestreden omdat [gedaagde] de bepalingen van die Notitie niet in acht heeft genomen door (aldus de Gemeente in punt 65 van de repliek) ook na kennisneming van jurisprudentie en litteratuur niet in te stemmen met het beginsel van "afrekenen" (op dat moment nog 42,5%) maar het op een rechtszaak te laten aankomen.

Overwogen wordt:

2.11.1. Anders dan de Gemeente acht de rechtbank de stand van zaken met betrekking tot de rechtsvraag of ook de erfpachter gehouden is om bij het einde van de erfpacht aan de eigenaar een deel van de waarde van het melkquotum te vergoeden, in 2005 bij aanvang van deze procedure nog weinig duidelijk. Er was rechtspraak van lagere colleges, deels neergelegd in overwegingen ten overvloede; in de litteratuur werden verschillende visies verkondigd. Hoe dan ook: de Hoge Raad had over deze rechtsvraag nog geen beslissing gegeven.

2.11.2. Uitgaande van het recht van de burger om in een geschil met de gemeente zich vrijelijk en zonder andere risico's dan het procesrisico tot de rechter te kunnen wenden, behoort de gemeente, op wie als overheidsinstelling een bijzondere rechtsplicht rust om dat recht op vrije toegang tot de rechter te waarborgen, niet beleidsmatig een sanctie te stellen in geval de burger zo vermetel is om dat recht uit te oefenen. Dat kan anders zijn in gevallen waarin de rechtsverhoudingen in vaste jurisprudentie vastliggen en de gang naar de rechter kennelijk andere doelen van de betrokken burger dient dan om een serieuze vraag beantwoord te zien, maar daarvan is in dit geval onvoldoende sprake. Niet alleen was de rechtsvraag ten principale nog onvoldoende duidelijk beslist, maar de als vanzelfsprekend door de Gemeente gestelde verdeling met 50/50 al helemaal niet, terwijl in dit vonnis op dat punt het standpunt van de Gemeente hiervóór in zijn algemeenheid of als uitgangspunt is verworpen.

2.11.3. Nu de rechtbank de rechtsvraag ten principale of de Gemeente bij einde van de erfpacht aanspraak had op vergoeding van een deel van de waarde van het melkquotum, positief beantwoord heeft, maar daarbij tevens heeft geoordeeld dat daarbij niet, zoals bij "gewone" pacht, verdeling met 50/50 uitgangspunt kan zijn, terwijl verdeling 42,5%/57,5% voor de Gemeente beleidsmatig, het sanctie-element weggedacht, aanvaardbaar is en voor [gedaagde] subsidiair, na verwerping van zijn primaire verweer op dit punt, eveneens, moet in deze zaak die verdeling met 42,5/57,5 als in de ogen van partijen en daarmee in die van de rechtbank redelijk en billijk worden geoordeeld.

2.12. De omstandigheid dat mogelijk [gedaagde] wel en de Gemeente geen belasting over de door ieder van hen gerealiseerde waarde van het melkquotum behoeft te betalen, is een gevolg van belastingwetgeving, voor wat betreft [gedaagde] toegepast op zijn persoonlijke omstandigheden. Zij is voor het vaststellen van civielrechtelijke verhoudingen van geen belang en kan niet afdoen aan het oordeel gegeven in de voorgaande rechtsoverweging. Het verweer van die strekking van [gedaagde] wordt verworpen..

2.13. Voor de vaststelling van de hoogte van de vergoeding dient nog de marktwaarde op 1 januari 2005 van een melkquotum van 363.463 kg met een vetgehalte van 4,02% te worden vastgesteld. De rechtbank zal partijen daarvoor, zoals door de Gemeente gevorderd, naar de schadestaatprocedure verwijzen, ook al omdat in de rede ligt dat partijen het daarover in der minne eens zouden kunnen worden, dan wel daarover een bindend advies of arbitrage kunnen uitlokken. Daarmee wordt dit vonnis een eindvonnis.

2.14. Op grond van het voorgaande kunnen de vorderingen van de Gemeente worden toegewezen als na te melden. De zaak betreft geen handelsovereenkomst waarop artikel 6:119A BW reeds van toepassing was; de mede gevorderde en toewijsbare wettelijke rente is die van artikel 6:119 BW.

Omdat weliswaar de Gemeente op de rechtsvraag ten principale in het gelijk is gesteld, maar op het niet onbelangrijke punt van de verdeling deels in het ongelijk, zal de rechtbank [gedaagde] in de helft van de proceskosten van de Gemeente veroordelen. De kosten worden begroot op € 329,60 verschotten en € 1.582,00 salaris, waarvan de helft is: € 955,80.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. verklaart voor recht dat [gedaagde] gehouden is tot vergoeding van een deel groot 42,5 % van de waarde van het van het met de gronden die hij tot 1 januari 1996 van de Gemeente in erfpacht had, verbonden melkquotum;

3.2. veroordeelt [gedaagde] om aan de Gemeente te betalen:

genoemd deel van 42,5 % (tweeënveertig en vijf tiende ten honderd) van de marktwaarde op 1 januari 2005 van dat melkquotum, groot 363.463 kg met een vetgehalte van 4,02 procent, dit deel van deze waarde vermeerderd met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW daarover vanaf 1 januari 2005 tot aan de dag van voldoening;

bedoeld deel van die waarde op te maken bij staat;

3.3. veroordeelt [gedaagde] in de helft van de kosten van het geding aan de zijde van de Gemeente gevallen, deze helft tot aan deze uitspraak bedragende € 955,80;

3.4. verklaart de onderdelen 3.2 en 3.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.5. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.W. Rullmann en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2007.