Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:AZ9869

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-02-2007
Datum publicatie
05-03-2007
Zaaknummer
AWB 05/1605
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de subsidieaanvraag van eiseres in het kader van de Subsidieregeling openbare inland terminals (SOIT) gehandhaafd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met recht gesteld dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden, nu eiseres bulkproducten zal overslaan die niet afkomstig zijn van andere bedrijven en niet uitsluitend nieuw intermodaal of multimodaal vervoer aantrekt. Volgt ongegrondverklaring van het beroep van eiseres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 05/1605

Uitspraak van de meervoudige kamer van 15 februari 2007

inzake

Regionaal Overslag Centrum Veghel BV,

te Veghel,

eiseres,

gemachtigde mr. J.R. van Angeren,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat,

te ’s-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde mr. D.B.G. van Duren.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2004 heeft verweerder de subsidieaanvraag van eiseres in het kader van de Subsidieregeling openbare inland terminals (hierna: SOIT) afgewezen.

Het tegen dit besluit door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 21 april 2005 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 30 mei 2005 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Het beroep is behandeld ter zitting van 7 december 2006, waar eiseres is verschenen bij gemachtigde, M. van Dijk en H. van Berkel. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde en drs. P. Koops.

Overwegingen

1. In deze zaak is aan de orde de vraag of verweerders besluit van 21 april 2005, waarbij het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 9 juli 2004 ongegrond is verklaard, in rechte kan worden gehandhaafd.

2. Eiseres heeft op 24 november 2006 nog een memorie ingediend waarvan bijlage 1 door eiseres als bedrijfsvertrouwelijk is bestempeld. Eiseres heeft ten aanzien van deze bijlage verzocht om toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft op 1 december 2006 deze beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht. Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven mede op grond van voormeld stuk uitspraak te doen.

Feiten

3. Op 6 november 2003 heeft eiseres een subsidieaanvraag ingediend in het kader van de SOIT voor een bedrag van € 1.959.665,14. Bij brief van 13 december 2004 heeft de Binnenlandse Container Terminals Nederland BV (BCTN) bezwaren geuit tegen een mogelijke financiële ondersteuning van eiseres. Op 22 december 2004 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij eiseres en BCTN in de gelegenheid zijn gesteld hun bezwaren toe te lichten. Bij brief van 15 december 2005 heeft de Osse Overslag Centrale BV (OOC) bezwaren geuit. Bij brieven van 3 en 4 februari 2005 hebben BTCN en OOC een nadere toelichting op hun bezwaar gegeven. Hierop heeft eiseres bij brief van 15 maart 2005 gereageerd.

4. Bij brieven van 26 januari 2005, 2 en 25 februari 2005 hebben de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Uden en Veghel, van de gemeente Schijndel en van de gemeente Sint-Oedenrode hun steun uitgesproken voor het bezwaar van eiseres. Bij brieven van 8 februari en 1 maart 2005 heeft verweerder hen laten weten dat zij niet als derde-belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Bij besluit van 21 april 2005 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. BTCN en OOC hebben desgevraagd de rechtbank medegedeeld dat zij niet zullen deelnemen aan het geding.

Standpunten partijen

5. Verweerder heeft aan het bestreden besluit -kort gezegd- ten grondslag gelegd dat eiseres niet voor de gevraagde subsidie in aanmerking komt omdat eiseres bulkproducten zal overslaan die niet afkomstig zijn van andere bedrijven, maar van aan eiseres gelieerde bedrijven. Het gaat hierbij om goederen van [A] Bedrijven BV, dat een belang van 50% heeft in eiseres en waarvan de directeur samen met de directeur van [B] Beheer BV de tweehoofdige leiding vormt van eiseres. Volgens verweerder blijkt voorts uit de overgelegde intentieverklaringen dat eiseres voornemens is goederen over te slaan van de bedrijven [C] Grint en Zand BV en Conovation BV, die deel uitmaken van de [D] Groep, waartoe ook [B] BV behoort. Deze bedrijven, die via de terminal goederen zullen overslaan, zijn volgens verweerder zodanig juridisch, financieel en feitelijk met de terminal verstrengeld dat sprake is van verknochtheid tussen de terminal en de verlader, waardoor niet voldaan wordt aan het criterium dat de terminal goederen dient over te slaan van andere partijen dan het overslagbedrijf zelf. Voorts wordt volgens verweerder niet voldaan aan het criterium dat een nieuwe terminal niet ten koste mag gaan van reeds bestaande terminals, nu uit de intentieverklaringen blijkt dat eiseres niet uitsluitend nieuw intermodaal of multimodaal vervoer zal aantrekken. Verweerder acht het aannemelijk dat door de komst van eiseres lading van BCTN en OOC zal worden weggezogen. Verladers Sligro en Exel hebben bij BCTN aangegeven hun lading te verplaatsen naar eiseres. Daarnaast slaat OOC lading van het door eiseres genoemde Hays over. Ook de als potentiële klanten genoemde Masterfoods, DMV Campina en Bavaria slaan lading over via BTCN en OOC, aldus verweerder.

6. Eiseres stelt zich in beroep -zakelijk weergegeven- op het standpunt dat het thans bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat verweerder de weigeringsgronden van de SOIT te ruim heeft uitgelegd, onvoldoende onderzoek heeft gedaan en het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiseres is van mening dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij een ruime beoordelings- en beleidsvrijheid heeft bij het beoordelen of een aanvrager al dan niet voor subsidie in aanmerking komt. Volgens eiseres heeft verweerder in het kader van de vraag of goederen worden overgeslagen van andere partijen dan het moederbedrijf ten onrechte alleen onderzoek gedaan naar de aandeelhouders-verhoudingen en niet naar de vraag in hoeverre eiseres een bedrijfsgebonden overslagbedrijf zou zijn volgens de met de SOIT complementaire Subsidieregeling bedrijfsgebonden vaarwegaansluitingen (SBV). Ook heeft verweerder ten onrechte geen onderzoek gedaan in hoeverre feitelijk prioritering zal plaatsvinden bij de overslag van goederen. Uit de intentieverklaringen volgt volgens eiseres dat er een groot aantal bedrijven is dat van de diensten van eiseres gebruik wenst te maken. Volgens eiseres heeft verweerder zijn standpunt dat lading wordt weggezogen bij reeds bestaande overslagterminals in het geheel niet gemotiveerd of nader onderzocht. Eiseres heeft gesteld dat Hays en Exel geen vervoer hebben laten overkomen. Wel is het volgens eiseres zo dat Sligro, dat in Veghel gevestigd is, voor een deel van het goederenvervoer gebruik maakte van de overslagterminal in ’s-Hertogenbosch en nu gebruik maakt van de overslagterminal van eiseres. Dit is echter aan te merken als nieuw vervoer omdat het eerst via de weg van Veghel naar 's-Hertogenbosch werd vervoerd, aldus eiseres. Tot slot heeft eiseres erop gewezen dat zij een groot financieel belang heeft bij het alsnog verlenen van de subsidie.

Wettelijk kader

7. In artikel 2, eerste lid, van de SOIT is onder meer bepaald dat verweerder op aanvraag van een overslagbedrijf een subsidie kan verlenen ter bevordering van het gebruik van intermodaal en multimodaal vervoer ten behoeve van initiële of uitbreidingsinvesteringen van een overslagterminal.

8. Ingevolge artikel 2, derde lid, onderdeel c, van de SOIT wordt een subsidie slechts verleend, indien de overslagterminal waarop het project betrekking heeft, bestemd is en gebruikt wordt voor de overslag van goederen van andere partijen dan het overslagbedrijf of, indien dit een andere onderneming is, de exploitant van de overslagterminal.

In de toelichting bij dit artikelonderdeel is nader uitgewerkt dat de SOIT betrekking heeft op de ontwikkeling of uitbreiding van zogenoemde openbare terminals. Dit zijn terminals die vracht verwerken die niet toebehoort aan de exploitant of eigenaar van de terminal. Indien een terminal ook goederen verwerkt die toebehoren aan de eigenaar of de exploitant van de terminal, kan geen beroep op de SOIT worden gedaan.

9. Ingevolge artikel 2, derde lid, onderdeel e, van de SOIT wordt een subsidie slechts verleend, indien de overslagterminal waarop het project betrekking heeft, in een periode van een jaar na de ingebruikname van de (uitbreiding van de) terminal uitsluitend nieuw intermodaal of multimodaal vervoer aantrekt.

In de toelichting bij dit artikelonderdeel wordt gesteld dat de SOIT erop gericht is dat de totstandkoming van nieuwe terminals of de uitbreiding van bestaande terminals niet ten koste mag gaan van reeds bestaande terminals. Een terminal moet gedurende het eerste exploitatiejaar uitsluitend nieuw intermodaal of multimodaal vervoer aantrekken. Er mag derhalve geen lading worden weggezogen van andere terminals.

Oordeel van de rechtbank

10. De SOIT heeft betrekking op het subsidiëren van de ontwikkeling of uitbreiding van openbare inland terminals. Het beleidsdoel is het bevorderen van autonome groei van intermodaal of multimodaal vervoer. De SOIT bevat in artikel 2 een aantal cumulatieve criteria waaraan een subsidieaanvraag moet voldoen, voordat een subsidie kan worden verleend. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in het onderhavige geval niet is voldaan aan de criteria, genoemd in artikel 2, derde lid, onderdelen c en e, van de SOIT.

11. Blijkens de toelichting bij artikel 2, derde lid, onderdeel c, van de SOIT kan zich de vraag voordoen -zoals in het onderhavige geval- of een moederonderneming, dochteronderneming, of een bedrijf dat anderszins een organisatorische band heeft met het overslagbedrijf en daaraan goederen aanbiedt, als ‘ander’ bedrijf kan worden aangemerkt. Bij de beantwoording van die vraag zal blijkens de toelichting van geval tot geval bekeken moeten worden in hoeverre de bedrijven met elkaar verknocht zijn, waarbij de locatie van de bedrijven, de bedrijfsvoering, en andere omstandigheden in de beoordeling betrokken zullen worden. Verweerder komt derhalve bij het toetsen beoordelingsvrijheid toe. Indien bij de beoordeling blijkt dat er omstandigheden zijn die de openbaarheid van de terminal substantieel beperken, dan wijst verweerder de subsidieaanvraag af. Volgens verweerder wordt de beste garantie op openbaarheid geboden door iedere wezenlijke vorm van belangenverstrengeling, waarbij de ‘eigen’ goederen prioriteit zouden kunnen krijgen uit te sluiten. Een dergelijke mogelijke belangenverstrengeling acht verweerder aanwezig indien sprake is van een substantiële juridische of financiële verstrengeling tussen verladers en het overslagbedrijf en/of een substantiële verstrengeling in de feitelijke bedrijfsvoering.

12. Verweerder heeft zich gezien de hem toekomende beoordelingsvrijheid in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres bulkproducten zal overslaan van bedrijven die zodanig met de overslagterminal van eiseres zijn verknocht dat de openbaarheid van de terminal niet meer gegarandeerd kan worden. Niet in geschil is dat de twee aandeelhoudende bedrijven (beoogde) gebruikers zijn van eiseres dan wel behoren tot een groep van (beoogde) gebruikers. Voorts is gebleken dat het dagelijks bestuur van eiseres wordt gevormd door de directeuren van de aandeelhoudende bedrijven, de financiële administratie van eiseres wordt uitbesteed aan de aandeelhoudende bedrijven, de planning van mensen en materieel wordt ondergebracht bij een van de aandeelhouders en de operationele medewerkers worden geleverd vanuit aandeelhoudende bedrijven. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid subsidie kunnen weigeren op grond van artikel 2, derde lid, onderdeel c, van de SOIT. De stelling van eiseres dat het gebruik door de gelieerde bedrijven slechts beperkt in omvang is en daardoor geen afbreuk doet aan de doelstelling van de SOIT, leidt niet tot een ander oordeel, nu de SOIT op dit punt geen ruimte biedt te nuanceren naar de mate van gebruik.

13. Ten aanzien van de tweede door verweerder gehanteerde weigeringsgrond wordt overwogen dat in artikel 2, derde lid, onderdeel e, van de SOIT is bepaald dat geen subsidie wordt verleend indien de terminal niet uitsluitend nieuw intermodaal of multimodaal vervoer aantrekt. Als nieuw vervoer kan gezien worden vervoer dat voorheen in het geheel niet plaatsvond en vervoer dat voorheen over de weg ging en niet overgeslagen werd. Nu gebleken is dat eiseres sinds de ingebruikname van de terminal goederen overslaat van Sligro, welke eerst door de terminal in ’s-Hertogenbosch werden overgeslagen, moet worden vastgesteld dat verweerder op goede gronden heeft gesteld dat de aanvraag van eiseres niet voldeed aan de voorwaarde dat geen lading van andere terminals mag worden weggezogen. Het betoog van eiseres dat deze goederenstroom binnen Veghel als nieuw dient te worden gezien omdat deze goederen eerst over de weg Veghel binnenkwamen, wordt niet gevolgd nu deze goederenstroom voorheen via een andere terminal werd overgeslagen. Dergelijk vervoer kan blijkens de toelichting op eerdergenoemd artikelonderdeel niet als nieuw vervoer gelden. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid subsidie kunnen weigeren op grond van artikel 2, derde lid, onderdeel e, van de SOIT.

14. Niet gebleken is dat verweerders besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. De grief van eiseres dat verweerder heeft verzuimd in het bestreden besluit in te gaan op het feit dat de SBV en de SOIT complementair zijn maakt dat niet anders. Verweerder heeft in dit verband toegelicht dat het mogelijk is dat aanvragen gelet op de verschillende voorwaarden zowel op grond van de SBV als de SOIT niet voor subsidie in aanmerking komen. Aangezien alleen een aanvraag op grond van SOIT voorlag heeft verweerder niet onzorgvuldig gehandeld door deze niet te toetsen aan de SBV.

Conclusie

15. Op grond van vorenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd. Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding zijn voor vernietiging van het bestreden besluit, zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

16. Voor een veroordeling van één van de partijen in de proceskosten acht de rechtbank geen termen aanwezig.

17. Mitsdien wordt beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzitter, en mrs. A.H.N. Kruijer en M.L.P. van Cruchten, leden, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier op 15 februari 2007.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: