Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:AZ9321

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-02-2007
Datum publicatie
27-02-2007
Zaaknummer
01/996040-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voetbaltrainer veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een geldboete van € 45.000,--

voor het onjuist en onvolledig doen van de belastingaangifte.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 126dd
Wetboek van Strafvordering 132a
Wetboek van Strafvordering 348
Algemene wet inzake rijksbelastingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 1
Algemene wet inzake rijksbelastingen 69
Algemene wet inzake rijksbelastingen 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0415
NBSTRAF 2007/143
NbSr 2007/143
NTFR 2007/636 met annotatie van MR. E. THOMAS
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/996040-05

Uitspraakdatum: 27 februari 2007

VERKORT VONNIS

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,

wonende te [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

15 september 2006, 30 januari 2007, 2 februari 2007, 6 februari 2007, 12 februari 2007 en

13 februari 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 juli 2006.

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 30 januari 2007 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht.

Aan verdachte is met inachtneming van de toegestane wijzigingen tenlastegelegd dat:

hij op twee, althans een of meer, tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 1 februari 2003 tot en met 29 april 2005 in de gemeente(n) Winterswijk en/of Heerlen en/of Eindhoven, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het/de jaar/jaren 2002 en/of 2003, (telkens) ten name gesteld van hem, verdachte, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft/hebben hij,verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) alstoen aldaar (telkens) opzettelijk -zakelijk weergegeven-

= in/op een bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Winterswijk en/of Heerlen, in elk geval de belastingdienst, ingeleverd aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2002 in/op het voorblad van dat aangiftebiljet (door ondertekening door hem, verdachte) verklaard dat hij alle vragen die op hem, verdachte, van toepassing zijn,ingevuld mee heeft teruggestuurd, terwijl in de ruimte op het voorblad, bestemd voor het aankruisen van de meegezonden aangiftebladen, aangifteblad 4 niet is aangekruist en/of aangifteblad 4 van dat aangiftebiljet (waarop bij vraag 12a de opbrengsten uit overige werkzaamheden vermeld moeten worden), niet is meegezonden met het voorblad, terwijl verdachte in werkelijkheid opbrengsten uit overige werkzaamheden heeft genoten en/of in/op aangifteblad 1 bij dat aangiftebiljet bij vraag 1a, in welk(e) land(en) hij, verdachte, in 2002 heeft gewoond, vermeld dat hij, verdachte, in de periode vanaf 31 oktober 2002 tot en met 31 december 2002 (uitsluitend) in Belgie heeft gewoond, terwijl verdachte in die periode in werkelijkheid (tevens) in Nederland, althans niet in Belgie, heeft gewoond en/of in dat aangiftebiljet niet vermeld en/of opgenomen dat hij, verdachte, in (een gedeelte van) de periode 31 oktober 2002 tot en met 31 december 2002 (ook) in Nederland heeft gewoond en/of

= in/op een bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Eindhoven, in elk geval de belastingdienst, ingeleverd aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2003

in/op aangifteblad 1 bij dat aangiftebiljet bij vraag 1a,in welk land buiten Nederland hij, verdachte, in 2003 heeft gewoond, vermeld dat hij, verdachte, in de periode vanaf 1 januari 2003 tot en met 26 augustus 2003 in Belgie heeft gewoond, terwijl verdachte in die periode in werkelijkheid in Nederland, althans niet in Belgie, heeft gewoond en/of in dat aangiftebiljet niet vermeld en/of opgenomen dat hij, verdachte, in (een gedeelte van) de periode waarop dat aangiftebiljet betrekking had (ook) in Nederland heeft gewoond en/of

in/op aangifteblad 6 bij dat aangiftebiljet voornoemd bij vraag 17a, betreffende opbrengsten uit overige werkzaamheden, een bedrag groot 186.935,- euro heeft vermeld, terwijl verdachte in werkelijkheid meer opbrengsten uit overige werkzaamheden heeft genoten,

terwijl dat feit/die feiten (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(Bijlagen D/13 en D/14)

(artikel 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen)

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

De verdediging heeft - kort gezegd - aangevoerd dat gelet op het innemen van niet onderbouwde standpunten in het proces-verbaal (hoofdstuk 6.5.2) ten aanzien van de zogenaamde overige inkomsten de tenlastelegging op het punt van 'opbrengsten uit overige werkzaamheden' onvoldoende gespecificeerd is en aldus op dat punt nietig is, aangezien de verdediging niet in staat wordt gesteld zich op dit punt adequaat te verdedigen.

De officier van justitie heeft blijkens zijn requisitoir hierbij het oog op verzwegen inkomsten uit vijf Nederlandse bronnen. Deze bronnen waren ook reeds genoemd in de nadeelberekening van belastinginspecteur Jansen. Blijkens hetgeen door de verdediging bij pleidooi op dit punt naar voren is gebracht, was voldoende duidelijk waartegen zij zich diende te verweren.

De dagvaarding voldoet daarom aan alle wettelijke vereisten. Het verweer wordt verworpen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Ten aanzien van 'toekijken':

De verdediging heeft - kort gezegd - aangevoerd dat de FIOD ten onrechte niet heeft ingegrepen voordat de belastingaangiften plaatsvonden, welke handelwijze dermate onrechtmatig is, dat deze zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat door de FIOD geen contact is opgenomen - al dan niet via de Belastingdienst - met (de adviseurs van) [verdachte] teneinde een eventueel onjuiste aangifte te voorkomen, geenszins leidt tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De verdachte kan er - uitzonderlijke gevallen daargelaten - rechtens geen aanspraak op maken dat wordt ingegrepen alvorens strafbare feiten worden gepleegd, zodat niet gezegd kan worden dat op een ontoelaatbare wijze inbreuk is gemaakt op de rechten van de verdachte of dat rechtens te respecteren belangen van de verdachte zijn geschonden. De rechtbank verwerpt aldus het verweer.

Ten aanzien van de overdracht van onderzoeksgegevens uit het Hades-onderzoek:

Door de verdediging is aangevoerd dat de overdracht van de informatie uit het Hades-onderzoek niet had mogen plaatsvinden, althans niet op de manier waarop dat feitelijk is gegaan. De verdediging concludeert dat het Openbaar Ministerie daarom niet ontvankelijk is, subsidiair dat het bewijsmateriaal verkregen door de overdracht van onderzoeksresultaten dient te worden uitgesloten.

De rechtbank overweegt het volgende.

In een ander strafrechtelijk onderzoek - Hades - zijn telefoongesprekken van [verdachte], die in dat onderzoek verdachte was, afgeluisterd. Bij het afluisteren van de telefoontaps over de periode van 18 februari tot 15 mei 2003 kwamen gesprekken naar voren waaraan [verdachte] en [medeverdachte] deelnamen. Deze gesprekken waren van zodanige financiële en fiscale aard dat het vermoeden ontstond dat sprake was van financiële en/of fiscale fraude. De rechtbank verwijst hiervoor naar de verklaringen van [getuigen] ten overstaan van de rechter-commissaris en hetgeen omtrent de aanvang van het onderzoek in het proces-verbaal is gerelateerd.

De officier van justitie F.M. van Lenthe heeft -onder een formulier met de kop "formulier beoordeling informatie-verstrekking aan FIOD"- op 2 juni 2003 toestemming gegeven deze onderzoeksgegevens te gebruiken voor "fiscale doeleinden", dit na overleg met de rechter-commissaris. Deze toestemming wordt gegeven nadat de feitelijke overdracht heeft plaatsgevonden. Bij brief van 27 april 2004 wordt namens het Openbaar Ministerie toegelicht dat onder "fiscale doeleinden" zowel fiscaal strafrechtelijk onderzoek als administratiefrechtelijke doeleinden vallen. De onderzoeksgegevens zijn tijdens het onderzoek van de FIOD uiteindelijk enkel voor strafrechtelijke doeleinden gebruikt, gelijk blijkt uit de getuigeverklaring van [getuige].

Na de overdracht van de onderzoeksgegevens, het uitluisteren van de telefoontaps en gaandeweg het FIOD-onderzoek ontstonden meer concrete verdenkingen jegens in ieder geval [getuige] en [medeverdachte], waarna het onderzoek is voortgezet.

De officier van justitie ontleent de bevoegdheid om toestemming te geven voor de overdracht van de onderzoeksgegevens aan artikel 126dd van het Wetboek van Strafvordering. Ter voorkoming van vernietiging van onderzoeksgegevens kunnen deze gegevens worden overdragen ten behoeve van een ander strafrechtelijk onderzoek. Deze overdracht is enkel toegestaan - met toestemming van de officier van justitie die het onderzoek van waaruit wordt overgedragen heeft geleid - naar een ander strafrechtelijk onderzoek.

De rechtbank is van oordeel dat getoetst dient te worden of de zaaksofficier in het onderhavige geval in redelijkheid tot de gegeven toestemming heeft kunnen komen.

De verdediging voert in dit verband aan dat de onderzoeksgegevens niet zijn overgedragen naar een ander strafrechtelijk onderzoek. Voor de definitie van strafrechtelijk onderzoek dient volgens de verdediging, voor zover in casu van belang, aansluiting te worden gezocht bij het begrip opsporingsonderzoek als genoemd in artikel 132a van het Wetboek van Strafvordering, inhoudende het onderzoek onder leiding van een officier van justitie naar aanleiding van een redelijk vermoeden dat een strafbaar feit is begaan.

De verdediging is op grond hiervan van mening dat van een ander strafrechtelijk onderzoek als bedoeld in genoemd artikel 126dd enkel sprake is ingeval uit de opsporingsresultaten een vermoeden kan worden gevormd dat een nog niet bekend strafbaar feit is gepleegd of de opsporingsresultaten bijdragen aan de waarheidsvinding ter zake een bestaande verdenking. Nu deze situaties zich niet voordoen, zo stelt de verdediging, is de overdracht niet rechtmatig.

De rechtbank verwerpt dit verweer als volgt.

De rechtbank oordeelt dat het onderzoek dat door de FIOD is uitgevoerd valt onder het strafrechtelijk onderzoek als genoemd in artikel 126dd van het Wetboek van Strafvordering. Uit de Memorie van Toelichting bij genoemd artikel blijkt dat het begrip strafrechtelijk onderzoek niet beoogt overdrachtsmogelijkheden te beperken. Het doel van genoemd artikel is het voorkomen van vernietiging van onderzoeksgegevens. Onder het begrip strafrechtelijk onderzoek in dit artikel vallen - naast het door de verdediging aangegeven onderzoek - tevens handelingen die gericht zijn op het verzamelen van informatie over nog te plegen delicten, ook in een fase waarin nog geen redelijke verdenking bestaat van een reeds concreet gepleegd strafbaar feit. Daarvan was in de onderhavige zaak sprake, nu het onderzoek juist uit moest wijzen of er al dan niet strafbare feiten waren of zouden worden gepleegd. De rechtbank is daarom van mening dat de officier van justitie in redelijkheid tot de beslissing om toestemming te geven heeft kunnen komen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn verder geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Bewijsoverwegingen.

Ten aanzien van 'de tunnelvisie':

De verdediging heeft - kort gezegd - aangevoerd dat het proces-verbaal van de FIOD vanwege 'de tunnelvisie' geen betrouwbaar en overtuigend bewijsmiddel kan zijn en derhalve buiten de beoordeling van de zaak moet worden gelaten.

De rechtbank is van oordeel dat de FIOD voldoende feitenonderzoek heeft verricht. Een groot aantal tapgesprekken is uitgeluisterd, doorzoekingen hebben plaatsgevonden, een grote hoeveelheid inbeslaggenomen stukken is onderzocht en vele getuigen zijn gehoord. Dit heeft een lijvig proces-verbaal opgeleverd waarin de feiten en omstandigheden betrekking hebbende op zowel een woonplaats in Nederland als België belicht zijn. De verdediging heeft terecht opgemerkt dat geen aandacht is geschonken aan het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, maar dat enkele feit kan het verweer niet dragen. De rechtbank verwerpt aldus het verweer.

Ten aanzien van de overdracht van onderzoeksgegevens uit het Hades-onderzoek:

Met verwijzing naar hetgeen hieromtrent hiervoor reeds is overwogen, oordeelt de rechtbank dat evenmin aanleiding is tot bewijsuitsluiting.

Ten aanzien van de woonplaats:

Bij de beoordeling van het tenlastegelegde stelt de rechtbank het navolgende voorop.

Of een natuurlijk persoon in Nederland een fiscale woonplaats heeft, moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 4, eerste lid, AWR, waarin is bepaald dat naar de omstandigheden wordt beoordeeld waar iemand woont. In de jurisprudentie is deze open norm uitgewerkt. Een breed scala van feitelijke omstandigheden komt daarbij in aanmerking, zoals ook door de deskundige [deskundige] in haar rapport onder het kopje "Inwonersbegrip krachtens Nederlands nationaal recht" is aangegeven.

Bij de relevante omstandigheden behoort naar het oordeel van de rechtbank ook of [verdachte] in 2002 en/of 2003 fiscaal inwoner was van België. Blijkens de deskundigenberichten van onder meer [getuigen] wordt naar Belgisch intern fiscaal recht de vestiging van de woonplaats "naar de omstandigheden" beoordeeld. [getuigen] hebben gerapporteerd dat kenmerkend aan de Belgische belastingwoonplaats is dat het de plaats is waar de belastingplichtige 1) vast verblijft, 2) de "haardstede"van zijn gezin heeft en 3) de vitale betrekkingen met zijn medemensen onderhoudt. De Belgische fiscale woonplaats verwijst naar de plaats waar een natuurlijk persoon effectief en duurzaam verblijft. Er wordt meer belang gehecht aan het centrum van huishoudelijke en vitale betrekkingen dan aan de plaats van de beroepswerkzaamheden, aldus die deskundigen.

In Belgie gold en geldt een weerlegbaar wettelijk vermoeden, dat inhoudt dat wie in het Belgische Rijksregister van de natuurlijke personen is ingeschreven, wordt vermoed rijksinwoner te zijn en daarmee belastingplichtig (artikel 2 paragraaf 1, ten eerste, tweede lid WIB 1992). Door de inschrijving van [verdachte] in het bevolkingsregister van de gemeente [adres] werd hij tevens ingeschreven in het Rijksregister en daarom gold genoemd weerlegbaar wettelijk vermoeden. De [getuige] heeft ten overstaan van de Belgische politie verklaard dat het eerste contact over deze inschrijving is gelegd op 31 oktober 2002, dat op 18 november 2002 de vereiste documentatie is binnengekomen en dat op 25 november 2002 de officiële inschrijving werd doorgevoerd. Als woonadres is opgegeven (adres) te (woonplaats). De woning op dit adres is gehuurd van [verhuurder].

Bij de vraag of [verdachte] in de periode 31 oktober 2002 tot en met 31 december 2002 al dan niet een fiscale woonplaats had in België rijst de vraag of er ruimte is voor de Nederlandse belastingrechter en de Nederlandse strafrechter om het in België geldende wettelijk vermoeden ontkracht te achten op basis van feiten en/of omstandigheden die nopen tot het oordeel dat niet is voldaan aan de inhoudelijke vereisten voor een belastingwoonplaats in België. Volgens de verdediging dient op basis van het wettelijk vermoeden meteen te worden geconcludeerd tot een fiscale woonplaats in België en moet -in geval er ook sprake zou zijn van een fiscale woonplaats in Nederland- aan de hand van de zogenaamde tie-breaker-bepaling van artikel 4 paragraaf 2 van -kort gezegd- het belastingverdrag tussen beide landen tot het vermijden van dubbele belasting worden bezien van welk land [verdachte] geacht wordt inwoner te zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de Nederlandse rechter alleszins de bevoegdheid heeft om te beoordelen of voldaan is aan de vraag of conform de interne Belgische wet de omstandigheden meebrengen dat [verdachte] fiscaal inwoner was van België. De rechtbank vindt voor dat oordeel steun in het arrest van de HR van 12 mei 2006, LJN AR 5759 en in de conclusie van de AG van 30 augustus 2006 in de zaak met LJN AZ3551. Indien die feitelijke omstandigheden overtuigend wijzen op het ontbreken van een fiscale woonplaats in België, dan is daarmee het wettelijk vermoeden weerlegd. De deskundigen [getuigen] hebben ter zitting aarzelingen kenbaar gemaakt op dit punt. De rechtbank deelt die aarzelingen voor zover de omstandigheden die al dan niet op een Belgische woonplaats wijzen realiter ruimte laten voor (fiscale) discussie. In ieder geval in duidelijke gevallen, dat wil zeggen gevallen waarin naar intern Belgisch fiscaal recht naar de omstandigheden beoordeeld evident geen sprake is van een Belgische fiscale woonplaats, zal de Nederlandse rechter het wettelijk vermoeden ontkracht kunnen achten. De rechtbank wijst er in dat verband tevens op dat eerst aan het verdrag toegekomen kan worden indien sprake is van een dubbele woonplaats. De Belgische woonplaats moet naar de hoofdregel van Belgisch intern fiscaal recht naar de omstandigheden worden beoordeeld. Anders dan de verdediging heeft betoogd is het weerlegbaar rechtsvermoeden niet "recht geworden" door de enkele omstandigheid dat de in België opgelegde aanslagen niet meer onderhevig kunnen zijn aan administratief beroep, althans niet voor de beoordeling van de fiscale woonplaats door de Nederlandse rechter.

De periode 31 oktober tot en met 31 december 2002.

De rechtbank zal aan de hand van het voorgaande de feiten in deze zaak beoordelen en allereerst ingaan op de vraag of [verdachte] in de periode 31 oktober 2002 tot en met 31 december 2002 al dan niet fiscaal inwoner van Nederland was.

Uit het dossier blijkt dat [verdachte] na het WK in Korea van 2002 een 2-jarig arbeidscontract heeft gesloten bij PSV (D-78). Hij werd met ingang van 1 juli 2002 hoofdtrainer/coach van PSV. Dit contract verplichtte [verdachte] tot huisvesting in (de buurt van) Eindhoven. In verband met nog te genieten inkomsten uit Korea heeft [verdachte] fiscaal advies gevraagd aan (bedrijf 1) (verder (bedrijf 1). Op 23 augustus 2002 heeft [verdachte] volmacht gegeven aan (bedrijf 1) om voor en namens [verdachte] woonruimte te zoeken in België bestemd voor permanent gebruik en voor de periode van 2 jaar (D-77). (Bedrijf 1) schakelt (bedrijf 2) (België) in voor fiscale bijstand inzake de advisering aan [verdachte] (D-83). Het advies van diezelfde dag van (bedrijf 2) luidt dat [verdachte] zich zal kwalificeren als inwoner van België (D-85). [persoon] van (bedrijf 1) adviseert op 2 september 2002 om fiscale redenen voor een fiscale woonplaats in België te kiezen (D-87). Op 13 september 2002 wordt door de adviseurs van [verdachte] besloten dat zo spoedig mogelijk het nodige moet worden gedaan om inwonerschap in België tot stand te brengen. (D-97). Uit een e-mail van 17 september 2002 (D-99) komt naar voren dat [verdachte] bezig is met het zoeken van een woning in België. In een e-mail van 2 oktober 2002 staat dat [verdachte] op zoek gaat naar penthouses of huizen in Antwerpen (D-108). Uit bijlage D-123 d.d. 17 oktober 2002 komt naar voren dat [verdachte] "een aantal mooie opties voor woonruimte op het oog" heeft. Uiteindelijk is via [persoon] gekozen voor een woning aan de [adres], met inschrijving als hiervoor weergegeven. [verdachte] heeft zowel bij de politie -000124- als ter terechtzitting verklaard dat hij in 2002 de intentie had daadwerkelijk in België te gaan wonen. (persoon) heeft verklaard (000183) dat [verdachte] na het advies van (bedrijf 1) op zoek is gegaan naar een woning in Antwerpen en dat hij is gaan kijken bij enkele huizen, penthouses en hotels.

[verdachte] heeft verklaard dat hij nooit in zijn woning in België heeft geslapen en daar maar weinig is geweest. Hij voelde zich daar niet prettig, zo heeft hij ter zitting verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] in die periode géén fiscaal inwoner van Nederland was, waartoe het volgende wordt overwogen.

De rechtbank stelt allereerst vast dat [verdachte] jaren in het buitenland had gewoond en gewerkt toen hij in de zomer van 2002 een contract tekende bij PSV. Er bestond op dat moment derhalve geen woonband met Nederland. Dat hij -zoals uit de thans voorhanden gegevens naar voren komt- vanaf augustus 2002 onder meer zijn (betaalde) werk in en vanuit Nederland verrichtte en in dat kader een auto van PSV tot zijn beschikking had, dat zijn [partner] toen in [stad] woonde en dat [verdachte] ook regelmatig bij haar in [stad] verbleef en sliep en dat zijn familie, waaronder zijn volwassen kinderen, in Nederland woonden is nog niet voldoende om hem meteen als fiscaal inwoner van Nederland te kwalificeren. Er waren immers ook omstandigheden die afbreuk deden of konden doen aan het aannemen van het fiscaal inwoner zijn/worden van Nederland, zoals de omstandigheden dat [verdachte] niet ingeschreven stond in Nederland, niet zelf over een woning beschikte, dat nergens uit blijkt dat een deel van de woning van [partner ] in [stad] specifiek voor hem was ingericht danwel dat hij daar in belangrijke mate persoonlijke spullen had, dat [verdachte] op meer plaatsen sliep dan bij [partner ] (hotels, (...)), dat hij voornemens was zich in België te gaan vestigen, dat hij zakelijke verplichtingen had in het buitenland (Korea) en daaruit ook belangrijke inkomsten genoot. Waar [verdachte] de -ook uiterlijk waarneembare- intentie in België fiscaal woonachtig te zijn ook (deels) heeft uitgevoerd door een woning in België te huren en zich in België in het bevolkingsregister in te schrijven en aldus minstgenomen formeel -te weten door middel van het weerlegbare wettelijke vermoeden- aan het Belgische fiscaal inwonerschap voldeed, is de rechtbank bij afweging van al genoemde factoren van oordeel dat in de tenlastegelegde periode van 31 oktober tot en met 31 december 2002 [verdachte] (nog) geen fiscaal inwoner van Nederland was. Dat de woning pas eind 2002 fysiek ter beschikking is gekomen doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat [verdachte] na het WK tot in augustus 2002 in zijn huis in Spanje is geweest, dat vervolgens fiscaal advies werd ingewonnen en tenslotte de zoektocht naar een geschikte woning nog enige tijd in beslag nam.

De rechtbank acht niet komen vast te staan dat van de aanvang af de intentie heeft bestaan om alleen in formele zin -dus middels de enkele inschrijving- in België te gaan wonen. Daarmee strijdt dat met enige zorg naar een passende woning is gezocht. In dit verband acht de rechtbank de verklaring van [verdachte] dat hij aanvankelijk de intentie had feitelijk te gaan wonen in België geloofwaardig.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de omstandigheden dat [verdachte] vanaf 31 oktober tot en met 31 december 2002 niet of nauwelijks in zijn woning is geweest en er in ieder geval niet sliep, onvoldoende zijn om genoemd weerlegbare vermoeden van het zijn van fiscaal inwoner van België te ontkrachten. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de woning kennelijk pas eind november 2002 feitelijk ter beschikking is gekomen (zoals ook de officier van justitie concludeert), en [verdachte] volgens zijn agenda in de periode 28 november 2002 tot en met 5 december 2002 twee dagen in Spanje en vijf dagen in Zuid-Korea was, vervolgens op 8 en 9 december 2002 in Engeland, alsmede vanaf 23 december 2002 in Spanje. De rechtbank constateert dat [verdachte] heeft verklaard dat hij al na twee weken had geconcludeerd dat hij zich niet plezierig voelde in België, doch die omstandigheid en het geringe verblijf zijn in het licht van de aanvankelijke intentie, de beschikbaarheid van de woning en de korte periode waar het om gaat nog niet zonder meer voldoende om meergenoemd wettelijk vermoeden te ontkrachten.

Zoals hierna zal worden overwogen acht de rechtbank [verdachte] voor de tenlastegelegde periode in 2003 wel fiscaal inwoner van Nederland, zodat de vraag rijst of de uiterst korte periode dat de woning in België enig realiteitsgehalte had niet tot een ander oordeel met betrekking tot 2002 zou moeten nopen. De rechtbank oordeelt op dat punt dat die omstandigheid in ieder geval niet tot de conclusie leidt dat op de aangifte (tevens) een ander woonland dan België had moeten worden aangegeven. Het geheel van omstandigheden is immers bepalend voor het vaststellen van een duurzame band met Nederland en dat geheel van omstandigheden dwong nog niet tot een woonplaats in Nederland. Onder die omstandigheden was het niet onjuist of onvolledig om als fiscale woonplaats enkel België aan te geven, aangezien daar nu eenmaal het wettelijk vermoeden gold.

De slotconclusie ten aanzien van de periode 31 oktober 2002 tot en met 31 december 2002 is dat niet bewezen is dat [verdachte] toen fiscaal inwoner van Nederland was en/of dat de opgave van de woonplaats België op de aangifte over 2002 onjuist en/of onvolledig was, zodat [verdachte] met betrekking tot dat deel van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

De periode 1 januari tot en met 26 augustus 2003.

Ten aanzien van deze periode komt de rechtbank evenwel tot een ander oordeel, en wel op grond van het navolgende.

[verdachte] heeft verklaard dat hij in die periode niet of nauwelijks in België was. Van de oorspronkelijke intentie om in België te gaan wonen is in die -veel langere- periode volstrekt niets terechtgekomen. [verdachte] had er blijkens zijn verklaring ook geen noemenswaardige contacten. Van een vast verblijf en/of de "haardstede" van zijn gezin en/of de plaats waar [verdachte] vitale betrekkingen met zijn medemensen onderhield was ten aanzien van de woonplaats in België geen enkele sprake. Derhalve moet worden geconcludeerd dat het evident is dat in gemelde periode naar het interne Belgische fiscaal recht "naar de omstandigheden" beoordeeld [verdachte] geen fiscaal inwoner was van België, waarmee het wettelijk vermoeden is weerlegd.

Naar het oordeel van de rechtbank was [verdachte] blijkens de bewijsmiddelen in die periode wel fiscaal inwoner van Nederland. Immers:

a) er was al weer bijna een half jaar verstreken sinds [verdachte] naar Nederland was gekomen en vanuit Nederland zijn werk verrichtte;

b) [verdachte] verbleef -uitgezonderd verblijf in Spanje gedurende vakantieperiodes en verblijf in het buitenland ten behoeve van zijn werk- voornamelijk in Nederland;

er was geen enkele kenbare intentie meer zich elders te vestigen dan in Nederland, en behoudens enige financiële banden (bankrekeningen in het buitenland en inkomsten uit Zuid-Korea) was er in feite geen aanknoping meer met enig buitenland;

c) Vitale persoonlijke relaties, waaronder met name ook [partner ], woonden in Nederland;

d) [verdachte] heeft verklaard (pagina 000136) dat hij in 2003 in [stad] heeft gewoond, bij [partner ], en hij heeft verklaard (000127) dat het in 2003 ook zijn intentie was om feitelijk in Nederland te wonen;

e) Op 27 augustus 2003 werd de woning aan de [adres] aan [verdachte] geleverd (D-236), waar [verdachte] samen met [partner ] is gaan wonen. Hieraan is uiteraard daarop gerichte besluitvorming voorafgegaan. Uit tapgesprekken (D-71 en D-01) blijkt dat [verdachte] en [partner ] deze woning al op 3 maart 2003 hebben bezichtigd. [verdachte] heeft verder verklaard -geconfronteerd met een brief van [medeverdachte] aan hem van 12 december 2002- dat hij en [partner ] al snel de keuze hadden gemaakt om in Nederland te willen wonen.

Het enige dat wezenlijk afbreuk zou kunnen doen aan het oordeel dat [verdachte] volgens artikel 4 AWR in de tenlastegelegde periode van 2003 inwoner was van Nederland, is dat [verdachte] in genoemde periode niet ingeschreven heeft gestaan in Nederland, niet een eigen woning ter beschikking had en dat niet is komen vast te staan dat een deel van de woning van [partner ] voor hem was ingericht. Dat legt tegenover al de andere genoemde omstandigheden echter te weinig gewicht in de schaal, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat -zoals uit de bewijsmiddelen blijkt- van persoonlijke spullen in België evenmin sprake was. In dit verband haalt de rechtbank nog [getuige] aan, die heeft verklaard:

"Iemand die in Nederland leeft en niet in het buitenland en op allerlei adressen slaapt is fiscaal inwoner van Nederland als hij alleen in Nederland verblijft. De rechter zou dan zeggen, dat die persoon in Nederland woont. Dan hoef je niet één specifieke woonplaats aan te wijzen.....Het lijkt mij dan toch evident dat, als zo iemand helemaal geen aanknopingspunten in het buitenland heeft, hij naar nationaal recht wel in Nederland woont."

De rechtbank concludeert derhalve dat bewezen is dat de aangifte over 2003 opzettelijk onjuist is gedaan door daarop aan te geven dat [verdachte] in gemelde periode in België heeft gewoond, terwijl dat in werkelijkheid Nederland was. Anders dan door de verdediging aangevoerd kan in casu niet

worden aanvaard dat sprake was van een pleitbaar standpunt. [Verdachte] is immers feitelijk niet uitgegaan van een onjuiste juridische opvatting omtrent datgene wat daadwerkelijk nodig was voor het kwalificeren van hem als fiscaal inwoner van België. Vereist was een duurzaam en effectief verblijf. [Verdachte] wist dat hij er op zijn minst echt moest wonen, waartoe wordt verwezen naar de bewijsmiddelen. De rechtbank haalt een aantal bewijsmiddelen hier aan. Uit de verklaring van [getuige] (000185) blijkt dat [verdachte] er al in 2002 uitdrukkelijk op is gewezen door zijn adviseur [persoon] van (bedrijf 1) dat hij echt in België moest wonen om voor toepassing van de Belgische fiscale regeling in aanmerking te komen en dat als hij dat niet zou doen, hij ook niet in België zou wonen. [Verdachte] heeft hierover verklaard (000143) dat hij vermoedt dat [persoon] wel heeft uitgelegd wat de fiscale wetgeving was omtrent het wonen in België. [getuige] heeft verklaard (000180) dat [verdachte] hem heeft verteld dat hij niet voldeed aan de normen van wonen in België. Uit diverse andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van [medeverdachte] d.d. 27 oktober 2005, komt naar voren dat [medeverdachte] zich ernstig zorgen maakte om de woonplaatsdiscussie en [verdachte] heeft daarover verklaard dat het bij hem een kwestie was van het ene oor in en het andere oor uit (000145). [getuige] heeft in dit verband verklaard (000116) dat hij en anderen na 11 maart 2003 geprobeerd hebben aan [verdachte] duidelijk te maken dat hij ook echt in België moest verblijven en dat [verdachte] wist dat daarmee slapen bedoeld werd.

[verdachte] heeft onder meer verklaard (000126) dat [medeverdachte] aan hem duidelijk heeft gemaakt dat hij regelmatig in [adres] moest verschijnen, omdat [medeverdachte] zijn fiscale woonplaats in België wilde situeren en (000127) dat hij zich in maart 2003 bewust was dat hij feitelijk niet in België woonde en dat het in 2003 ook zijn intentie was om feitelijk in Nederland te wonen.

De rechtbank verwerpt het verweer dat [verdachte] in deze op zijn adviseurs heeft vertrouwd of mogen vertrouwen. Zoals reeds overwogen wist [verdachte] dat hij niet aan de kriteria voor het (fiscaal) wonen in België voldeed en uit niets komt naar voren dat zijn adviseurs hem hebben voorzien van informatie waaruit het tegendeel zou kunnen volgen. De enkele omstandigheid dat door een of meer fiscaal adviseurs een aangifte is voorbereid waarop de woonplaats België is ingevuld disculpeert [verdachte] niet, gelet op diens eigen wetenschap.

Anders dan betoogd mocht [verdachte] na het contact en het akkoord met de Belastingdienst te Eindhoven van 8 mei 2003 (D-12) er geenszins op vertrouwen dat met dit akkoord met betrekking tot de woonplaats "niet alleen zijn terugkeer maar ook de daaraan vooraf liggende periode was gesanctioneerd". Het akkoord houdt omtrent die beweerde sanctionering niets in, doch neemt tot uitgangspunt dat [verdachte] zich per 1 juli 2003 in Nederland zal vestigen en regelt de fiscale behandeling van twee contracten vanaf die datum. Op de vraag of [verdachte] voor die tijd al dan niet terecht als fiscaal inwoner van België moest worden aangemerkt wordt niets geregeld. [Medeverdachte] had die intentie ook helemaal niet, getuige onder meer een telefoongesprek met [getuige] d.d. 22 april 2003 waarin hij zegt: "en zo bluf ik een beetje die België woonplaats weg". Verder wijst de rechtbank in dit verband nog op telefoongesprekken tussen [medeverdachte] en [getuige] van 29 april en 1 mei 2003 (gesprekken 03606, 03642 en 03747).

Uit het dossier komt niets naar voren waaruit kan volgen dat [medeverdachte] aan [verdachte] heeft laten weten dat door het akkoord met de fiscus door die fiscus werd geaccepteerd dat hij voor 1 juli 2003 in België woonde. Dat ligt ook niet erg voor de hand, aangezien [medeverdachte] heeft verklaard dat het de bedoeling van de afspraak met de fiscus was om de aandacht weg te houden van de fiscus over de woonplaatsdiscussie.

Derhalve acht de rechtbank het tenlastegelegde bewezen voor zover het gaat om het jaar 2003.

Ten aanzien van de Koreaanse inkomsten:

Door de verdediging is aangevoerd - zakelijk weergegeven- dat de inkomsten uit de Koreaanse contracten niet als inkomsten uit overige werkzaamheden kunnen of behoeven te worden aangemerkt, hetgeen tot vrijspraak zou moeten leiden. Daartoe wordt onder meer verwezen naar de notitie van (naam schrijver notitie) d.d. 23 januari 2007.

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] in de periode 1 januari 2003 tot en met 26 augustus 2003 meer opbrengsten uit overige werkzaamheden heeft genoten dan 186.935,= euro. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het hierbij gaat om de contracten KFA, Coca Cola en Cheil. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat de inkomsten uit die contracten als opbrengsten uit overige werkzaamheden moeten worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat de deskundige [deskundige] in haar rapport op dit punt op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat sprake is van inkomsten uit overige werkzaamheden. De rechtbank heeft hierbij de omschrijving van de tegenprestatie van [verdachte] in genoemde contracten in aanmerking genomen. Het betoog van (naam schrijver notitie) dat de inkomsten uit de Koreaanse contracten primair opkomen uit vermogensrechten wijst de rechtbank daarom van de hand. De rechtbank voegt hier aan toe dat destijds geen van de adviseurs van/voor [verdachte], waaronder [medeverdachte], het standpunt heeft ingenomen dat sprake was van inkomsten uit vermogensrechten. De rechtbank wijst in dit verband op document D-85 van (bedrijf 2). Meer concreet heeft (bedrijf 2) in document D-89 van 6 september 2002 uiteengezet dat ingeval [verdachte] fiscaal in Nederland zou wonen, de inkomsten uit het contract met Cheil in Nederland in beginsel -dus afgezien van het Verdrag van Nederland met Korea- zouden worden belast met een tarief van -maximaal- 52%. [persoon] (van bedrijf 2) heeft daarover aan de zaakwaarnemer van [verdachte] geschreven -document D-87- dat bij het Nederlandse tarief van 50% de helft van de inkomsten uit de imagecontracten in Nederland wordt wegbelast en dat het (mede) daarom voor de hand ligt om in België woonplaats te kiezen. Tenslotte wordt ook in de afspraak die [medeverdachte] heeft gemaakt met de Nederlandse fiscus omtrent de belasting over de inkomsten van [verdachte] uit de contracten met KFA en Coca Cola d.d. 8 mei 2003 (D-12) niet gesproken over vermogensrechten. Daarin wordt vastgelegd dat het gaat om "inkomsten uit arbeid niet in dienstbetrekking".

De verdediging heeft verder opgeworpen dat per de datum dat [verdachte] fiscaal inwoner werd van Nederland een (openings)balans had kunnen of moeten worden opgemaakt, waarop de waarde van de Koreaanse contracten tegen de waarde in het economisch verkeer per die datum kon worden opgenomen. De contracten dienden te worden geactiveerd of konden worden geactiveerd bij binnenkomst van [verdachte] in Nederland, aldus de verdediging. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt niet aan bewezenverklaring in de weg kan staan. Feit is immers dat geen melding is gemaakt van de in de periode 1 januari 2003 tot en met 26 augustus 2003 genoten Koreaanse inkomsten en dat in werkelijkheid ook geen openingsbalans is opgemaakt. De rechtbank kan aldus in zoverre niet treden -en hoeft ook niet te treden- in de vraag of al dan niet activering in de door de verdediging aangegeven zin zou hebben plaatsgevonden. De rechtbank kan thans alleen maar constateren dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat in genoemde periode in 2003 betalingen aan [verdachte] hebben plaatsgevonden met betrekking tot de 3 genoemde Koreaanse contracten (als nader aangegeven bij de bespreking van het fiscale nadeel), dat toen die contracten nog liepen en dat [verdachte] volgens zijn agenda in 2003 op een aantal data voor commerciële activiteiten in Zuid-Korea is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit geenszins rechtstreeks uit die contracten voort dat het genietingsmoment van de betalingen in 2003 geheel in 2002 moet worden bepaald.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

in de periode april 2005 in de gemeente Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2003, ten name gesteld van hem, verdachte, onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader alstoen aldaar opzettelijk -zakelijk weergegeven-

op een bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Eindhoven ingeleverd aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2003

op aangifteblad 1 bij dat aangiftebiljet bij vraag 1a, in welk land buiten Nederland hij, verdachte, in 2003 heeft gewoond, vermeld dat hij, verdachte, in de periode van 1 januari 2003 tot en met 26 augustus 2003 in België heeft gewoond, terwijl verdachte in die periode in werkelijkheid in Nederland heeft gewoond en

op aangifteblad 6 bij dat aangiftebiljet voornoemd bij vraag 17a, betreffende opbrengsten uit overige werkzaamheden, een bedrag groot 186.935,- euro heeft vermeld, terwijl verdachte in werkelijkheid meer opbrengsten uit overige werkzaamheden heeft genoten,

terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Ten aanzien van de niet-Koreaanse contracten:

Ten aanzien van de contracten welke door de officier van justitie in zijn requisitoir zijn omschreven als 'de vijf Nederlandse bronnen' overweegt de rechtbank als volgt.

De betaling voor de fotosessie voor Mammoet op 5 november 2002 en de premie die verdachte heeft ontvangen voor een voetbalwedstrijd in november 2002, zien op werkzaamheden die zijn verricht buiten Nederland (in België respectievelijk in Engeland). Deze inkomsten zijn in België aangegeven. Dat is naar het oordeel van de rechtbank terecht. Voor zover deze inkomsten al in 2002 in Nederland aan belasting onderhevig zouden zijn, kan naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen worden geacht dat [verdachte] deze inkomsten met opzet buiten de Nederlandse belastingheffing heeft gehouden, in aanmerking genomen dat het gaat om werkzaamheden buiten Nederland en in aanmerking genomen dat hij eind 2002 niet in Nederland woonde.

Verdachte heeft met betrekking tot de periode van 1 juli 2002 tot en met 30 juni 2004 een imagecontract gesloten met Nike Sports Korea Ltd. De eerste factuur ter zake van dit contract is op 31-12-2002 verzonden aan Nike European Operations Netherlands BV. Waar het hier kennelijk gaat om inkomsten 2002 uit Korea en [verdachte] toen niet in Nederland woonde, is niet bewezen dat [verdachte] ten aanzien van deze inkomsten een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan.

Op 4 november 2002 heeft verdachte een spreekbeurt verzorgd voor Tennet Zuid-Holland. Getuige [getuige] heeft verklaard dat deze spreekbeurt plaatsvond in Nederland en dat de vergoeding hiervoor is overgemaakt aan (bedrijf) Daarvan uitgaande acht de rechtbank niet bewezen dat [verdachte] op dit punt opzettelijk een onjuiste en/of onvolledige aangifte heeft gedaan, ook al zou moeten worden vastgesteld dat slechts om praktische redenen is gekozen voor facturering aan de B.V. Hierbij betrekt de rechtbank dat [verdachte] zich heeft verzekerd van bijstand van fiscale adviseurs die zijn aangiftes hebben voorbereid.

Het contract met TWBA/Neboko Compaign BV betreft de medewerking van verdachte aan een TV-commercial voor Delta Lloyd. Daarvoor is in mei 2003 een bedrag betaald van ? 35.000,-. Dit bedrag is deels overgemaakt op de privé-rekening van [verdachte] en deels op de bankrekening van de "[stichting)". Genoemde stichting heeft het door haar ontvangen gedeelte in de boeken verwerkt als een door verdachte verstrekte geldlening. Veronderstellenderwijs aangenomen dat deze inkomsten in 2002 of 2003 moesten worden opgegeven, dan kan dit toch niet tot een veroordeling leiden. Uit het dossier komt immers geen bewijs naar voren van enig opzet bij [verdachte] en/of [medeverdachte] ten aanzien van het niet opgeven van deze post. Het enkele feit dat deze post niet is opgegeven acht de rechtbank daartoe onvoldoende, aangezien niet blijkt dat [verdachte] overigens bewust Nederlandse inkomsten niet heeft opgegeven.

De overige in de nadeelberekening genoemde contracten zal de rechtbank niet bespreken, nu de officier van justitie ter zitting heeft aangegeven dat het strafrechtelijk verwijt dat hij verdachte op het punt van de niet-Koreaanse contracten maakt alleen de hierboven behandelde vijf contracten betreft.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 23 (oud), 24, 24c, 47, 91

Algemene wet inzake rijksbelastingen art. 1, 69, 96

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

Een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Teruggave van de op de beslaglijst vermelde goederen aan de rechthebbende.

De op te leggen straffen.

Ten aanzien van het fiscaal nadeel:

In het kader van de vraag welk belastingnadeel er is geweest als gevolg van het bewezenverklaarde, zijn diverse strafmaatverweren opgeworpen.

Allereerst wordt aangevoerd dat de strafrechter niet zou mogen vooruitlopen op de beslissing van de belastingrechter ten aanzien van het fiscale nadeel. Die stelling faalt reeds om de enkele reden dat blijkens artikel 69 lid 2 AWR de hoogte van de maximaal op te leggen boete afhankelijk is van het bedrag van de te weinig geheven belasting.

Voorts wordt betoogd dat het belastingverdrag tussen Nederland en Zuid-Korea met zich brengt dat de inkomsten uit de Koreaanse contracten voor de belastingheffing aan Korea zijn toegewezen. Daartoe is aangevoerd:

a) dat [verdachte] zijn werkzaamheden (deels) verrichtte in dienstbetrekking en dat bij toepassing van artikel 16 van het verdrag tussen Nederland en Zuid-Korea, Nederland alleen heffingsrecht heeft als die werkzaamheden niet in Korea hebben plaatsgevonden,

en -indien en voor zover sprake zou zijn van zelfstandige arbeid-

b) de zelfstandige arbeid in Korea is uitgeoefend via een vast middelpunt als bedoeld in artikel 15 lid 1 onder a van genoemd verdrag, omdat hij in Korea continue de beschikking had over door Idea Consultants ([persoon]) ter beschikking gestelde faciliteiten in het pand van Idea Consultants, van waaruit [verdachte] in Korea uitvoering gaf aan zijn contractuele verplichtingen.

De rechtbank oordeelt dat deze verweren niet opgaan. Van een dienstbetrekking was, zoals de rechtbank al eerder (impliciet) heeft geoordeeld, geen sprake. Voorts kan de enkele omstandigheid dat [verdachte] in Zuid-Korea gebruik mocht maken van faciliteiten van Idea Consultants het standpunt dat er sprake was van een vast middelpunt niet dragen. Voor het kunnen aannemen van de aanwezigheid van een vast middelpunt moet er sprake zijn van een "centrum van activiteiten met een vast of duurzaam karakter" in Korea, zoals de verdediging ook terecht heeft aangenomen. Echter: a) uit de contracten blijkt dat [verdachte] zijn contractuele werkzaamheden niet bij Idea Consultants uitoefende en b) [verdachte] werd niet in Korea betaald. Dat [verdachte] desgewenst gebruik kon maken van faciliteiten van Idea Consultants -uit niets blijkt dat [verdachte] in 2003 feitelijk en fysiek van het kantoor van Idea Consultants gebruik heeft gemaakt ter uitoefening van genoemde contracten- brengt nog niet mee dat sprake is van een vast middelpunt. De verwijzing naar de getuigenverklaring van [getuige] ten overstaan van de rechter-commissaris kan de verdediging niet baten, aangezien deze getuige alleen heeft verklaard dat [verdachte] tijdens de Korea-periode daar zijn "pied à terre" had, waarmee kennelijk wordt gedoeld op de periode voor 7 juli 2002.

De rechtbank stelt voorop dat [verdachte] in 2003 -na aftrek van de Koreaanse belasting- uit de navolgende contracten feitelijk de navolgende inkomsten heeft genoten (de rechtbank laat de inkomsten uit Dream Space van 4 april 2003 buiten beschouwing, omdat die in de nadeelberekening aan 2002 worden toegerekend).

a. KFA: 8 april 2003 $ 37.500

26 augustus 2003 $ 37.500

b. Coca Cola 25 februari 2003 $ 48.040

29 april 2003 $ 48.040

c. Cheil 10 februari 2003 $ 389.984

3 juni 2003 $ 382.182

Totaal $ 943.246

De berekeningen van de [inspecteur] d.d. 31 maart 2006 volgende (en in navolging van diens uitgangspunt dat destijds 1 dollar gelijk was aan 1 euro) zou het nadeel dan uitkomen op:

KFA:

75.000 x (100:78) geeft 96.153.

96.153 x 0,52 = € 50.000

Coca Cola:

108.000 x 0,52= 56.160

56.160 - (0,10 x 108.000) = € 45.360

(N.B. [inspecteur] komt tot een ander bedrag,

omdat hij een niet op de rekening van (persoon)

betaalde termijn meeneemt)

Cheil Communications Inc:

1.000.000 x 0,52 = 520.000.

520.000 - (0,10 x 1.000.000) € 420.000

Daarmee is echter nog niet gegeven dat in 2003 het belastingnadeel het totaal van deze 3 bedragen beloopt. Zoals [inspecteur] onder zijn samenvatting heeft weergegeven zal nog moeten worden bezien aan welke jaren het belastingnadeel moet worden toegerekend, in welk verband hij heeft aangegeven dat voor het genietingsmoment van de inkomsten door [verdachte] niet per se de datum van ontvangst van die inkomsten bepalend is (in de reactie van de belastingdienst wordt onder onderdeel II, sub B aangegeven dat beslissend is het moment waarop de declarabele vordering ontstaat). [inspecteur] heeft daarover opgemerkt: "Ik heb op dit moment nog onvoldoende in beeld aan welke jaren (2002 of 2003 en mogelijk zelfs 2004) de inkomsten exact moeten worden toegerekend. Op dit moment is ter behoud van rechten... de aanslag 2002 opgelegd, waarbij rekening is gehouden met alle inkomsten die op dat moment bekend waren". Dit heeft [inspecteur] er kennelijk toe gebracht om ten aanzien van Cheil de helft van het belastingnadeel toe te rekenen aan 2002, zodat voor 2003 resteert € 210.000 en om in een aanvullende berekening ten aanzien van Kyobo een verdeelsleutel over de jaren 2002, 2003 en 2004 te maken, waardoor van een betaling in 2002 ad € 676.200 alsnog een gedeelte groot € 270.480 aan 2003 wordt toegerekend. Het contract Dream Space, waarop in 2003 wordt betaald, wordt door [inspecteur] geheel toegerekend aan 2002.

De rechtbank constateert op basis van het voorafgaande dat de nadeelberekening deels is gestoeld op een aantal aannames en veronderstellingen ten aanzien van de toerekening over de jaren, welke voor betwisting vatbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de toelichting van [inspecteur] slechts worden geconcludeerd dat er deels fiscale marges zijn voor toerekening aan het ene jaar of aan het andere jaar. Onder die omstandigheden zal de rechtbank bij de bepaling van de strafmaat geen rekening kunnen houden met de omvang van het fiscale nadeel, aangezien dit thans niet met voldoende exactheid kan worden berekend. Dat brengt tevens mee dat de rechtbank bij oplegging van een geldboete op grond van artikel 69 lid 2 AWR is gebonden aan een maximale geldboete van de 5e categorie.

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder de draagkracht.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank enerzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [verdachte] aanvankelijk de intentie had om feitelijk in België te gaan wonen, doch dat daarvan in 2003 niets terecht is gekomen. [verdachte] had toen de consequentie daarvan moeten nemen en voor 2003 in de aangifte moeten opnemen dat hij in Nederland woonachtig was in plaats van te volharden bij de woonplaats België. Dat hij dat niet heeft gedaan is zeer laakbaar.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden die tot matiging van de straf hebben geleid:

- verdachte werd terzake strafbare feiten soortgelijk aan het door hem gepleegde strafbare feit niet eerder veroordeeld;

- verdachte heeft over de inkomsten reeds belasting betaald in België en Zuid-Korea;

- verdachte heeft in hoge mate blootgestaan aan defamerende publiciteit.

Gelet op het bewezenverklaarde en in aanmerking nemend alle hiervoor vermelde omstandigheden, zal de rechtbank een aanzienlijk lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf.

De rechtbank acht allereerst het opleggen van een geldboete een passende strafrechtelijke reactie op het bewezen verklaarde handelen. Deze boete kan, gelet op artikel 69 lid 2 AWR, ten hoogste

€ 45.000,- bedragen. De rechtbank zal de geldboete bepalen op het in het dictum vermelde bedrag.

De rechtbank zal naast een geldboete in verband met de ernst van het bewezenverklaarde een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur als vermeld in het dictum opleggen. Die straf zal niet worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil daarmee enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan. Nu deels vrijspraak is gevolgd en het belastingnadeel niet exact genoeg kan worden bepaald, maar hoe dan ook het belastingnadeel vanwege de vrijspraak over het jaar 2002 véél lager is dan de officier van justitie in zijn eis heeft verdisconteerd, komt een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf niet in aanmerking.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan de rechthebbende nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Geldboete van € 45.000,00 subsidiair 255 dagen hechtenis.

Teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten: de op de aangehechte beslaglijst vermelde goederen, aan de rechthebbende.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A. Bik, voorzitter,

mr. I.L.P. Crombeen en mr. J.H.J. Evers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H. Pol-Wildeman, griffier

en is uitgesproken op 27 februari 2007.