Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:AZ8665

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
15-02-2007
Zaaknummer
210893
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid werkgever voor ongeval werknemer veroorzaakt door in strijd met de binnen de onderneming geldende voorschriften nuttigen van etenswaar op de werkvloer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie Helmond

Zaaknummer : 210893

Rolnummer : 481/01

Uitspraak: : 24 januari 2007

in de zaak van:

[eiseres] x]

wonende te Helmond,

eiseres

gemachtigde: thans mr J.F. Schultz,

toevoegingsnummer: 1BT0812kkk,

t e g e n

de publiekrechtelijke rechtspersoon op grond van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen SAMENWERKINGSVERBAND HELSO HELMOND (hierna: 'Helso'),

gevestigd te Helmond,

gedaagde,

gemachtigde: mr E.J. Wervelman,

rolgemachtigde: Van Seggelen & Partners.

HET VERDERE PROCESVERLOOP

Ingevolge het tussenvonnis van 23 februari 2005 heeft [eiseres] bij briefacte een aantal medische gegevens in het geding gebracht, Vervolgens heeft zij drie getuigen voorgebracht. In contra-enquête heeft Helso twee getuigen doen horen. Van elk verhoor is proces-verbaal opgemaakt. Nadat [eiseres] - onder overlegging van producties - een conclusie na enquete had genomen heeft Helso - eveneens onder overlegging van producties - na enquete voor antwoord geconcludeerd, waarop [eiseres] zich bij akte over de door Helso overgelegde producties heeft uitgelaten. Daarop is vonnis - nader - bepaald op heden.

DE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

De bewijslevering

1. Bij het tussenvonnis d.d. 23 februari 2005 was [eiseres] toegelaten tot het leveren van het bewijs van de juistheid van haar stellingen zowel omtrent de toedracht van het ongeval als van de door haar gestelde schade, alsmede tot het leveren van het bewijs van het bestaan van feiten en/of omstandigheden waaruit de aansprakelijkheid van Helso voor die schade kan worden afgeleid. Daartoe zijn door [eiseres] een drietal getuigen voorgebracht, waaronder zijzelf als partijgetuige.

2. Als eerste getuige is gehoord [A], wonende te Deurne, zonder beroep en 65 jaar oud, die onder ede de navolgende verklaring heeft afgelegd:

Het gebeurde waarover u mij vragen wilt stellen is ongeveer negen jaar geleden gebeurd. Ik weet daarom niet of ik mij nog alles herinner. Ik zal naar beste weten antwoorden. Ik heb tot het jaar 2000 bij Helso of, zoals het nu heet, de Atlant Groep gewerkt. Ik ben toen met de VUT gegaan. Ik was in die tijd werkzaam als operator van een afdeling waar drukkerij producten werden verwerkt en gesorteerd. Met name onderdelen van boeken en kalenders werden op onze afdeling met behulp van machines in elkaar gezet. Mijn functie was dan ook die van machinevergaarder. In de ruimte waarin ik werkzaam was was nog een andere afdeling gevestigd. Die deed weer andere onderdelen van het productieproces. Op die andere afdeling was [eiseres] werkzaam. Welk product op die andere afdeling werd gemaakt weet ik niet precies meer. Wel is het zo dat daar ook gewerkt werd met papier. Op de dag dat [eiseres] ten val kwam - u zegt mij dat dat was op 27 juni 1996 - was ik in dezelfde ruimte als [eiseres] aanwezig. Op het moment dat het gebeurde stond ik met mijn rug naar haar toe. Ik heb derhalve niet gezien dat zij gevallen is en hoe dat kwam. Verschillende mensen die tegenover mij stonden hebben het wel gezien. Ik heb wel gehoord dat zij ten val kwam, in die zin dat ik dat afleidde uit de reacties van andere mensen. Op het moment dat het gebeurde stonden een aantal mensen van de afdeling een gebakje te eten bij de tafels die aan het eind van de productieruimte stonden opgesteld. Dit gebakje was een traktatie van één van de medewerkers. De tafels die daar stonden waren productietafels waar het vergaarwerk werd gedaan. Soms werd er aan die tafels ook wel eens koffie gedronken, zoals ook die keer. Die koffie werd dan gehaald uit de kantine en in bekertjes uitgedeeld. Het bedrijf had wel een kantine maar daarvoor moest iedereen door een lange gang lopen waar ook vorkheftrucks doorheen reden. Daarom werd er ook voor gekozen om koffie te drinken op de afdeling. Ik had degenen die een gebakje in de hand hadden opgedragen om dit gebakje op te eten bij de tafels en er niet meer rond te gaan lopen. Ik moet aannemen dat er op dat moment nog andere leidinggevenden aanwezig waren, maar ik weet niet wie. Het was in de ochtenduren dat [eiseres] gevallen is. Voordat zij viel had ik geen gebaksresten op de grond zien liggen, maar dat komt omdat ik met mijn rug naar hen toestond. Nadat het gebeurd was ben ik naar [eiseres] toegelopen en heb haar op de been geholpen. Zij klaagde over pijn, maar ik kan mij niet meer herinneren waar. Ik neem aan dat ik tegen haar gezegd heb dat ze naar de dokter of naar de E.H.B.O. moest gaan als ze ergens last van had. Ik herinner mij nog dat ik een gebaksrest van de vloer heb opgeruimd. Het was een soort vrucht - welke weet ik niet meer - die was platgetrapt. Ik kan mij niet meer herinneren of de vrucht er uit zag of er iemand over was uitgegleden. Wel herinner ik mij met enige zekerheid dat ik de schoen van [eiseres] heb schoongemaakt. Helemaal zeker weet ik het echter niet meer. Ik weet echter nog wel zeker dat zich op de zool van de schoen van [eiseres] resten van een vrucht bevonden. Het ging om dezelfde vrucht als die welke op de vloer lag. Ook wat er rondom die vrucht verder nog op de vloer lag heb ik ook opgeruimd. Dat ging om allerlei soorten afval, zoals plastic resten en papier. Het ging echter niet om bergen rotzooi maar om stuks afval die hier en daar lagen. Ik heb dit opgeruimd omdat ik vond dat het op plaatsen waar mensen liepen netjes moest zijn. Daarna ben ik weer verder gegaan met mijn werk en heb ik de zorg voor [eiseres] aan anderen overgelaten. Wat betreft de vloer kan ik niet precies zeggen uit welk materiaal die was samengesteld. Wel herinner ik mij dat er een coatinglaag overheen zat. Die vloer zat er nog niet zo lang in en ik heb er destijds op gewezen dat die vloer toch een beetje glad was. De medewerkers hadden opdracht gekregen om hun werkschoenen te dragen. Dit was gedaan uit een oogpunt van beveiliging. Iedere medewerker kreeg werkschoenen, maar ik kan mij niet herinneren of [eiseres] die dag ook haar werkschoenen droeg. Ofschoon ik vrijwel zeker weet dat ik één van de schoenen van [eiseres] heb schoongemaakt kan ik mij niet meer herinneren of dit een werkschoen was. Er lag op de afdeling regelmatig rommel op de vloer. Waar gewerkt wordt komt ook afval voor. Dit kwam op de vloer terecht. De ene afdeling besteedde wat meer aandacht aan het opruimen van dat afval dan de ander. Zelf was ik daar zeer precies op omdat dat in mijn aard zit. Het voorschrift was dat er iedere dag om kwart over vier moest worden opgeruimd, maar niet iedere afdeling hield zich daaraan. Dat lag ook een beetje aan de mogelijkheden van de medewerkers. Niet iedereen voelde zich geroepen om op te ruimen. Ik kan echter beslist niet zeggen dat het in de productieruimte waar ik werkte een puinhoop was. Er lagen ook geen bergen afval. Op mijn afdeling werd in elk geval iedere dag alles opgeruimd aan het eind van de middag, maar ik was ook de enige die dat met regelmaat deed. Bij de andere afdeling waar [eiseres] werkte waren ze wat makkelijker met opruimen. Die gingen liever om half vijf naar huis. U moet daarbij ook bedenken dat het medewerkers in de sociale werkvoorziening zijn, die toch allemaal wat hebben in de zin van uiteenlopende lichamelijke handicaps. Zo waren er slechtzienden en mensen die zich op krukken moesten voortbewegen. Daarom vond ik dat het er netjes moest bijliggen, maar dat zou ik ook gevonden hebben als er gezonde mensen bij mij hadden gewerkt. Ik ruimde iedere dag op maar niet om te voorkomen dat er iemand zou vallen. Het moest gewoon netjes zijn. Ik vind dat de leiding er in het algemeen niet voldoende op toezag dat de vloer regelmatig werd opgeruimd. Ik vond dat opruimen zelf zo belangrijk dat ik er eigener beweging aan begon als mijn eigen machine een tijdje stil moest staan. Ook thuis ruim ik altijd alles netjes op. Ik mopperde altijd omdat ik vond dat er te weinig werd opgeruimd. Ze noemden me daarom "de brombeer". Ik heb wel eens mensen zien vallen over pallets die door een ander in de gang waren gezet. Ze mochten er wel staan maar netjes. Na de valpartij van [eiseres] is er geen verandering gekomen in de gewoonte om gebakjes, die bij gelegenheid van verjaardagen en dergelijke door medewerkers werden meegebracht, op de afdeling bij de productietafels op te eten. De kantine lag op enige afstand en was slechts op gezette tijden open. Het was te omslachtig om steeds voor het eten van een gebakje op en neer te gaan naar de kantine. Ik weet beslist niet wie op die dag het bewuste gebakje of een deel daarvan op de vloer heeft laten vallen. Als ik het wist zou ik het zeggen.

3. Vervolgens is als getuige voorgebracht [B], wonende te Someren, zonder beroep en 37 jaar oud, die onder verband van de belofte de navolgende verklaring heeft afgelegd:

Ik ben van eind oktober 1995 tot medio februari 2002 in dienst geweest van Helso, thans Atlant Groep. In 2001 ben ik echter al thuis komen te zitten. U wilt mij vragen stellen over iets dat al negen jaar geleden is gebeurd. Ik vraag er begrip voor dat ik mij niet alles meer herinner. Wat ik weet zal ik naar waarheid verklaren. Medio 1996 was ik werkzaam als machinaal medewerker op de vergaarafdeling. Ik werkte daar samen met [A]. Hij was geen leidinggevende, want dat was de heer [H]. Deze was de afdelingschef. Ik herinner mij nog dat [eiseres] op zekere dag ten val is gekomen. Ik kan mij niet herinneren dat ik het heb zien gebeuren. Voor zover ik nog weet heb ik haar niet zien vallen en ik heb haar in mijn herinnering ook niet op de grond zien liggen. Ook heb ik voorafgaand aan haar val bij mijn weten geen gebak op de grond zien liggen. Wat ik nog wel weet is dat [A] haar weer op de been heeft geholpen en onder haar schoen heeft gekeken. Ik herinner mij dat hij daar een vrucht - volgens mij was het een druif - heeft weggehaald om te voorkomen dat zij daarover weer zou uitglijden. Ik weet niet meer of [eiseres] heeft geklaagd over pijn. Na haar val heb ik heel weinig contact met haar gehad. Wat de vloer betreft herinner ik mij dat deze van beton was. Dat geldt in ieder geval voor het gebied rondom de machines op mijn afdeling. Of er een coating op de vloer zat weet ik niet maar wat ik mij nog wel herinner is dat de vloer niet glansde. Zoals op iedere productieafdeling was er ook hier productieafval. Daarvan viel wel eens wat op de grond. [A] was er tamelijk precies op dat alles zo goed mogelijk werd opgeruimd. Daarom werd er bij ons op de afdeling tamelijk goed schoongehouden. Hoe het bij de werktafels was, waar [eiseres] werkzaam was weet ik eigenlijk niet meer. Ik heb daar nooit zo op gelet. Ik hoefde daar ook niet zo vaak te komen. Op onze afdeling was het gebruikelijk om productie-afval zoveel mogelijk meteen op te ruimen, maar soms kwam dat er niet van. Dan werd het in elk geval aan het eind van de dag bij elkaar geveegd. Ik kan mij niet herinneren of er op de afdeling van [eiseres] ooit tussentijds werd opgeruimd. Omdat ik mij concentreerde op mijn eigen werk heb ik er nooit op gelet of op de andere afdeling tussentijds werd opgeruimd of alleen op het eind van de dag. Wat de beschikbare productieruimte betreft vond ik deze hier en daar wat aan de krappe kant. Dat kwam voornamelijk omdat er van tijd tot tijd producten op pallet moesten worden opgeslagen die door ons moesten worden verwerkt. De orders zaten zo dicht mogelijk bij de plaats waar ze verwerkt moesten worden. Op onze afdeling stonden een aantal machines: twee snijmachines, twee vouwmachines, één vergaarmachines met volgens mij 28 stations, als ik mij goed herinner een drietal sealmachines, één lijmcarrousel een ponsmachine, een boormachine en nog wat kleinere machines. Bij al die machines viel wel eens wat op de grond. [A] was erg alert op het opruimen van afval. Sommige anderen waren dat ook, maar niet iedereen. De machineafdeling waar ik werkte hield het volgens mij beter bij dan de andere afdeling. Verbakel deed handmatig werk waarbij ook wel eens afval vrijkwam. Volgens mij werkte [eiseres] aan een productietafel. Op de afdeling werkte een aantal mensen met een handicap. Zo waren er verschillende slechtzienden, waren er mensen die op krukken liepen en was er zelfs iemand in een rolstoel. Als iemand trakteerde op gebakjes werden die op onze afdeling altijd op onze eigen werkplek bij de machines genuttigd. Ik weet niet meer of de medewerkers van de andere afdeling naar de productietafels gingen om daar gebakjes te eten. Het staat mij bij dat na het aan [eiseres] overkomen ongeval de regel is ingevoerd dat op de werkplek geen traktaties meer mochten worden genuttigd, maar dat dat in de kantine diende te gebeuren. Ik weet niet of dit onmiddellijk na het ongeval is ingevoerd. Het kan ook zijn dat dit pas gedaan is nadat wij met onze productieafdelingen naar een andere locatie waren verplaatst.

4. Vervolgens is [eiseres], wonende te Helmond, zonder beroep en 46 jaar oud, onder ede als partijgetuige gehoord, waarbij zij het navolgende heeft verklaard:

Op de dag waarop het ongeval thans ongeveer negen jaar geleden plaatsvond was er een collega jarig. Hij trakteerde op gebak. Dit gebak werd neergezet op een klein tafeltje op enige afstand van de plaats waar ik werkzaam was. Van mijn werkplek naar dat kleine tafeltje moest je langs allerlei pallets en rommel en langs een heftruck. Ik was de laatste van onze afdeling die naar het tafeltje liep om daar twee gebakjes op te halen. Het andere gebakje was bestemd voor een collega die zeer slecht ter been was en die mij vroeg om er een voor haar mee te brengen. De doorgang naar het tafeltje was smal en er lag ook allemaal rommel op de grond. Geen bergen rommel, maar er lag los plastic, lege pallets, verpakkingsband en plastic folie. Ik kon er moeilijk doorheen en ik kan mij alleen nog herinneren dat ik er naar toe gelopen ben. Ik heb op weg naar het tafeltje geen gebak op de grond zien liggen. Dat kwam waarschijnlijk doordat er allerlei andere rommel op de vloer lag. Daarna is het zwart in mijn geheugen. Ik kan mij alleen nog maar herinneren dat [A] zich omdraaide en naar mij toekwam om mij op de been te helpen. Hij keek onder mijn schoenzool en zag daar slagroom en een druif zitten. Later is er ook slagroom onder aan de pijp van mijn spijkerbroek aangetroffen. Later heb ik gehoord dat [C] heeft verklaard dat zij gezien had dat [D] de jarige, een gebakje had laten vallen en dat zij een andere [persoon] had gevraagd om het op te ruimen, die dat echter heeft nagelaten. [A] heeft mij na mijn val naar een stoel gebracht en mij daar neer gezet. Binnen een minuut begon ik mij beroerd te voelen. Twee collega's bleven in mijn nabijheid. Dat waren de heren [E] en [F], die helaas beide inmiddels zijn overleden. Toen ik zei dat ik niet goed werd zeiden deze collega's dat het beter was om de werkleiding in te lichten. Deze leidinggevende was [de heer G]. Ik ben met mijn collega's meegegaan naar [de heer G]. Deze zei dat het waarschijnlijk wel zou meevallen maar dat hij toch de medische dienst zou bellen. Dit laatste vermoedelijk na aandringen van de heer [F]. Ik moest echter van [de heer G] op de fiets naar de medische dienst die in een ander gebouw op een andere locatie was gevestigd. [F] zei dat het gek was dat ik op de fiets naar de medische dienst werd gestuurd en heeft voor mij een taxi gebeld. Deze heeft mij naar de medische dienst gebracht. Daar aangekomen werd ik gezien door een verpleegkundige. Deze heeft de eerste hulp van het ziekenhuis gebeld en gezegd dat ik er aan kwam. Deze verpleegkundige heeft mij niet onderzocht. Ik heb hem verteld dat ik gevallen was en dat ik waarschijnlijk even bewusteloos ben geweest. Hij heeft dit genoteerd. Vervolgens zei hij dat ik op de fiets naar de eerste hulp moest gaan. Ik heb dit gedaan, maar onderweg ben ik niet goed geworden. Een passerende automobilist die dit zag is gestopt en heeft mij gevraagd of ik niet goed werd. Deze mijnheer heeft mijn fiets gestald en heeft mij met de auto naar de eerste hulp gebracht. Daar ben ik alleen aan mijn arm onderzocht hoewel ik ook had verteld dat ik ook op mijn hoofd was gevallen. De co-assistent die mij behandelde zei echter dat ze een melding hadden doorgekregen dat ik op mijn arm was gevallen en dat ze alleen daar naar zouden kijken. Na het onderzoek kreeg ik een mitella en pijnstillers. Ik ondervind thans nog steeds de nadelige gevolgen van dit ongeval. De vloer op de afdeling mocht niet tussentijds worden opgeruimd omdat er vaak spoedorders waren die binnen één of twee uur moesten worden afgewerkt. Er was dan geen tijd voor tussentijds opruimen. Omdat ik vaak 's middags weg was weet ik niet of en, zo ja hoe laat er dagelijks werd opgeruimd. Soms moest ik de volgende dat constateren dat er de vorige dag niet was opgeruimd. Op mijn afdeling waren verschillende mensen werkzaam die slecht ter been waren. Voordat het ongeval plaatsvond heb ik de directeur van de Helso, de heer [K], er herhaaldelijk op gewezen dat het niet was toegestaan om op de werkplek eetwaren en dranken te nuttigen. Ik deed dat in mijn hoedanigheid van bondsconsulent, als hoedanig ik was opgeleid door de KABO in Utrecht. Die opleiding heeft in totaal twee jaar geduurd.

5. In contra-enquete heeft Helso een tweetal getuigen voorgebracht. Als eerste getuige is gehoord [de heer G], wonende te Helmond, thans gepensioneerd en 65 jaar oud, die onder verband van de eed het navolgende heeft verklaard:

Voor 1983 heb ik in de textiel gewerkt, en daarna ben ik in dienst getreden van de Helso. Op 1 november 2001 ben ik met vervroegd pensioen gegaan. U wilt mij ondervragen over iets wat ongeveer tien jaar geleden heeft plaatsgevonden. Ik herinner mij daar niet veel meer van. Ik zal u echter naar beste weten antwoorden. [Eiseres] herinner ik mij wel. Zij werkte op de afdeling waar ik werkleider was. Dat was de afdeling "handmatige grafische eindafwerking". Ik weet ook nog dat mij op zeker moment is gemeld dat zij was gevallen. Ik heb het zelf niet zien gebeuren want ik zat op kantoor. Ofschoon mijn kantoor wel uitziet op de werkvloer keek ik daar op dat moment niet naar. Zij waren op dat moment gebak aan het eten, want er was iemand jarig. Ik weet niet meer wie er jarig was, maar [D] was het in ieder geval niet. Deze is nl. twee of vier dagen voor mij jarig, dus op 9 of 11 december. De juiste datum ben ik vergeten. Alles wat ik van het voorval weet heb ik van anderen gehoord. Dat waren [B], [A] en [D], maar ook [C] heeft mij wat verteld. Op het incidentenformulier dat de gemachtigde van [eiseres] mij thans laat zien en dat door mij is ingevuld en ondertekend, heb ik van de eerste drie genoemden de naam opgeschreven omdat zij er het meest bij betrokken waren. [B] en [A] vertelden mij dat er een druif of een lik slagroom op de grond had gelegen en dat [eiseres] daar in was gaan staan, waarna ze was gevallen. [B] en/of [A] zeiden dat het haar eigen schuld was. Ook stelden zij de vraag waarom zij er niet overheen gestapt was. [D] kwam later naar mij toe om te zeggen dat het niet zijn schuld was geweest dat die rommel op de grond had gelegen. Hij was daar blijkbaar van beschuldigd. Daarom heb ik de namen van deze drie personen opgeschreven. Als mijn mening over de oorzaak heb ik aangegeven: nalatigheid, omdat ik uit de verklaringen van die drie genoemde personen de conclusie trok dat [eiseres] nalatigheid kon worden verweten. Overigens heb ik zelf de plek waar het gebeurd was pas later gezien nadat alles al was opgeruimd. Het leek alsof er niets gebeurd was. Ik kan mij niet meer herinneren of [eiseres] na haar val nog bij mij langs geweest is. Ik weet ook niet of ze op de fiets was, maar wat ik wel zeker weet is dat ik haar nooit gezegd zal hebben dat ze op de fiets naar de medische dienst moest. Als er zo iets gebeurd zorg ik dat zo iemand daar naar toe gebracht wordt, en als er niemand anders is breng ik hem zelf. Tot mijn taken behoorden het toezicht op de reinheid op de afdeling. De vloer zag er steeds, zeker voor een papierverwerkende afdeling, netjes uit. Ik zag daar ook op toe. Er zal die ochtend best wat papier of plastic verpakkingsfolie op de grond gelegen hebben, maar veel kan dat niet geweest zijn want het ongeval is om elf uur 's ochtends gebeurd, toen er nog niet zoveel werk was verzet. De gemachtigde van Helso vraagt mij of ik er van op de hoogte ben of [de heer J] en/of [E] overleden zijn. Van [de heer J] weet ik dat hij drie a zes weken geleden 45 jaar getrouwd was, terwijl ik het ongetwijfeld ook gehoord zou hebben als [E] zou zijn overleden. Volgens mij leven ze dus nog allebei. [Eiseres] was vaak ziek en afwezig. Omtrent haar klachten was mij toen en is mij nu niets bekend. De gemachtigde van [eiseres] vraagt mij of er op de afdeling altijd gebaksbordjes werden gebruikt. Ik antwoord daarop bevestigend. Ik vond het gepaster om de mensen gebak te laten eten van een bordje met behulp van een vorkje. Ik weet niet meer of wij nu plastic bordjes gebruikten of aardewerken. Ik zei ook altijd dat zij de tafel een beetje moesten versieren door er vellen wit papier op te leggen. Als [A] zou hebben verklaard dat men op onze afdeling wat makkelijker was met opruimen dan is dat niet zo. Bij ons op de afdeling werd door de dag meer papier verwerkt zodat er aan het eind van de dag ook meer op te ruimen was. Ook door de dag werd er regelmatig papier opgeruimd omdat de mensen er anders niet meer doorheen konden. Als [eiseres] heeft verklaard dat ze tussendoor niet mocht opruimen merk ik dat aan als grote onzin. Wie mag er nou tussentijds niet opruimen? [Eiseres] kreeg altijd voldoende gelegenheid om mee te helpen met opruimen. Zelf heeft ze blijkbaar verklaard dat ze dat niet mocht, maar dat is niet zo. Iedereen kreeg de gelegenheid om rommel op te ruimen. Zelf liep ik ook de hele dag op de afdeling rond waarbij ik voortdurend dingen van de grond opraapte waarvan ik vond dat het veiliger was om ze weg te halen. Bijvoorbeeld plastic strips die om pakken papier hadden gezeten. Er werkte nl. ook iemand die slecht ter been was en ik wilde niet dat hij ten val zou komen. Als er iemand jarig was vond ik het goed dat het gebakje op de afdeling werd opgegeten. Daar werd dan tien a vijftien minuten voor uitgetrokken. Normaal gesproken hadden de medewerkers halverwege de ochtend een koffiepauze, maar dat deden we dan in dat soort gevallen niet. De pauzes werden doorgebracht in de kantine. Om die te kunnen bereiken moesten de medewerkers door een lange gang lopen. In het gedeelte van de gang waar de mensen van en naar de kantine liepen kwam zeker geen heftruck.

6. Als tweede getuige in contra-enquete is voorgebracht de heer [M], wonende te Uden, juridisch medewerker bij IBN en tevens arts, en 61 jaar oud, die na de eed te hebben afgelegd het navolgende heeft verklaard:

In 1996 was ik in dienst van Helso als hoofd van de afdeling kwaliteit, ARBO en milieu. Ik heb het ongeval niet zelf zien gebeuren. Voorschrift was dat een ongeval zo snel mogelijk gemeld diende te worden hetgeen meestal per telefoon gebeurde. Zo ook in dit geval. Daarnaast had de werkleiding de verplichting om een incidentenrapportageformulier in te vullen en dezelfde dag nog in te sturen. Ook dat is volgens mij in dit geval gebeurd. Naar aanleiding van deze melding heb ik één van mijn arbeidskundigen gevraagd om een onderzoek in te stellen. Het resultaat van het onderzoek was dat [eiseres] gevallen bleek te zijn maar dat onduidelijk is gebleven wat daarvan de oorzaak is geweest. Een aantal personen van haar afdeling wilden daarover geen verklaring afleggen, hetzij omdat zij naar hun zeggen niets gezien hadden, hetzij omdat zij er niets mee te maken wilden hebben. De juiste toedracht van het ongeval is derhalve voor ons altijd onduidelijk gebleven. Wij beschikten eigenlijk alleen maar over de lezing van [eiseres]. Op het incidentenrapportageformulier staat bij het incident: nalatigheid. Des gevraagd heeft [G], de werkleider van die afdeling, verklaard dat dit woord door [eiseres] zelf was genoemd en dat dit daarom door hem was opgeschreven. Het was dus niet zijn eigen conclusie. Totdat dit ongeval gebeurde kwam het vaker voor dat jarige medewerkers gebak op de afdeling uitdeelden waar het ook werd opgegeten. Veel mensen vonden dat makkelijker dan het maken van een gang naar de kantine. Velen vonden dat te ver lopen. Nadat dit ongeval had plaatsgevonden heb ik echter het voorschrift uitgevaardigd dat er geen gebak meer op de afdelingen mocht worden genuttigd, maar dat de medewerkers daarvoor naar de kantine moesten gaan. Ik heb dat gedaan om ongevallen van deze aard in de toekomst te voorkomen. Vanwege de afstand naar de kantine kwamen daartegen van verschillende kanten bezwaren, maar ik heb voet bij stuk gehouden. In 1996 bestonden er al voorschriften met betrekking tot het opruimen van de werkvloer. Deze kwamen er kort en goed op neer dat alles dat op de grond lag zo snel mogelijk moest worden opgeruimd, en dus zeker niet alleen aan het eind van de dag. Als er tussentijds iets op de grond viel moest dat zo snel mogelijk worden opgeraapt. Ik liet daarop toezicht houden door mijn medewerkers daartoe minstens éénmaal per week steekproefsge-wijs op iedere afdeling een controle uitvoeren. Het was belangrijk dat er zo weinig mogelijk op de grond lag vanuit het oogpunt van veiligheid. Als de steekproef negatief uitviel werd de werkleiding daarop aangesproken. [G] had de zaken op zijn afdeling wat dat betreft gemiddeld goed voor elkaar. Omtrent de medische onderbouwing van de klachten van [eiseres] naar aanleiding van het ongeval heeft Helso steeds in het duister getast. Ik kan dat beoordelen want ik ben ook arts. Voortdurend is haar om bewijsstukken gevraagd, met name als zij weer met rekeningen kwam met het verzoek om vergoeding. Zo hebben wij een keer een taxinota van fl. 6.200,00 afgewezen in verband met vervoer van Helmond naar het Dijkzichtziekenhuis in Rotterdam omdat van de medische noodzaak van dat vervoer niet gebleken was. De mensen op de afdeling van [G] waren in staat om zelfstandig te werken. Er waren dus geen begeleiders aanwezig. Op de afdeling De Bokhorst van Helso werkten gehandicapten die niet in staat waren om zelfstandig te werken. [Eiseres] was regelmatig ziek waarbij zij als oorzaak opgaf schouderklachten. Deze klachten had zij dus al voordat haar het ongeval overkwam. Juist in verband met die schouderklachten was haar werk bij de Helso aangeboden. Als [eiseres] hier de vorige keer heeft verklaard dat zij op de fiets naar de medische dienst moest dan is dat verhaal totaal nieuw voor mij. De vaste afspraak was dat als een mede-werker iets overkwam deze hetzij door de leidinggevende zelf hetzij door een taxi naar de medische dienst werd gebracht. Als het waar is wat zij heeft verklaard dan werd zij blijkbaar door haar leidinggevende in staat geacht om daar op de fiets naar toe te gaan. Omdat [eiseres] niet voor langer dan één dag in het ziekenhuis is opgenomen geweest bestond er voor de Helso geen verplichting tot het doen van een ongevalsmelding bij de arbeid-sinspectie. Een dergelijke melding is derhalve achterwege gebleven. [Eiseres] is alleen poliklinisch onderzocht waarna zij naar huis mocht. Ik weet niet hoe [eiseres] op de polikliniek is gekomen, en ik weet ook niet hoe zij van daar is vertrokken. Wat ik hiervoor aanduidde als de medische dienst was in feite de medische dienst van de ARBO-Unie, waar o.a. medewerkers van de Helso zich gedurende de dag indien nodig konden melden. De gewoonte was om, wanneer medewerkers werden doorverwezen naar de polikliniek, het vervoer hetzij per taxi hetzij per ambulance laten plaats-vinden. Hoe dat in dit geval is gegaan kan ik u niet zeggen. Ik ben indertijd opgeleid als traumachirurg maar als gevolg van ziekte kon ik dit vak verder niet meer uitoefenen. Ik ben thans basisarts maar ik doe geen praktijk. Ik heb met [eiseres] in mijn hoedanigheid van arts geen bemoeienis gehad. Dat was de ARBO-arts, die door Helso van de ARBO-Unie werd betrokken.

De toedracht van het ongeval

7. Uit de hiervoor aangehaalde getuigenverklaringen, zowel afzonderlijk als in onderling verband of in samenhang met de overige bewijsvoering bezien, komt omtrent de door [eiseres] te bewijzen toedracht van het ongeval het navolgende beeld naar voren. Naar het oordeel van de kantonrechter is in elk geval buiten redelijke twijfel komen vast te staan, dat [eiseres] op 26 juni 1996 in de productieruimte van Helso is uitgegleden over de restanten van een op de grond gevallen gebakje.

8. De kantonrechter leidt dit feit af uit de verklaringen van de getuigen [A] en [B] in samenhang met de door [eiseres] afgelegde verklaring. De getuige [A] heeft onder meer verklaard, dat hij zich herinnert dat hij - na de val van [eiseres] - een gebaksrest van de vloer heeft opgeruimd, en dat het een soort vrucht was - welke wist de getuige niet meer - die was platgetrapt. De getuige herinnerde zich niet meer of de vrucht eruit zag alsof er iemand over was uitgegleden.

9. De getuige heeft voorts verklaard, dat hij zich met enige zekerheid - maar niet helemaal zeker - herinnerde dat hij de schoen van [eiseres] heeft schoongemaakt. Wat hij nog wel zeker wist was dat er zich op de zool van de schoen van [eiseres] resten van een vrucht bevonden. Volgens de getuige ging het om dezelfde vrucht als die welke op de vloer lag. Ook wat er rondom die vrucht verder nog op de vloer lag - zoals plastic resten en papier - heeft de getuige ook opgeruimd.

10. De getuige [B] heeft - zakelijk samengevat - verklaard, dat hij voorafgaand aan de val van [eiseres] geen gebak op de grond heeft zien liggen. Wat de getuige nog wel weet, is dat [A] [eiseres] - na haar val - weer op de been heeft geholpen en onder haar schoen heeft gekeken. De getuige herinnert zich dat [A] daar een vrucht - volgens de getuige was het een druif - heeft weggehaald om te voorkomen dat zij daarover weer zou uitglijden.

11. [Eiseres] tenslotte - wiens verklaring naar 's kantonrechters opvatting wel met de nodige behoedzaamheid dient te worden gewogen aangezien zij als partijgetuige bij de uitkomst van het geding een niet onaanzienlijk materieel belang heeft - heeft verklaard, dat op de dag waarop het ongeval plaatsvond was er een collega jarig was, die op gebak trakteerde. Dit gebak werd volgens de getuige neergezet op een klein tafeltje op enige afstand van de plaats waar zij werkzaam was.

12. Van haar werkplek naar dat kleine tafeltje moest je - aldus de getuige - langs allerlei pallets en rommel en langs een heftruck. De getuige was de laatste van haar afdeling die naar het tafeltje liep om daar twee gebakjes op te halen. Het andere gebakje was bestemd voor een collega van de getuige die zeer slecht ter been was en die haar had gevraagd om er een voor haar mee te brengen. De doorgang naar het tafeltje was smal en er lag ook allemaal rommel op de grond.

13. Geen bergen rommel - naar zeggen van de getuige - maar er lag los plastic, lege pallets, verpakkingsband en plastic folie. Zij kon er moeilijk doorheen en kon zich alleen nog herinneren dat zij er naar toe gelopen is. Op weg naar het tafeltje heeft de getuige geen gebak op de grond zien liggen. Daarna is het zwart in haar geheugen. Zij kan zich alleen nog maar herinneren dat [A] zich omdraaide en naar haar toekwam om haar op de been te helpen.

14. De getuige heeft voorts nog verklaard, dat [A] onder haar schoenzool keek en daar slagroom en een druif zag zitten. Later is er naar zeggen van de getuige ook slagroom onder aan de pijp van haar spijkerbroek aangetroffen. Tot zover de verklaringen van de getuigen [A], [B] en de partijgetuige [eiseres]. Vastgesteld kan worden, dat de hun verklaringen niet door de aan de zijde van Helso gehoorde getuigen zijn weerlegd.

15. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit het vorenstaande in voldoende mate dat de toedracht van het ongeval aldus kan worden omschreven dat [eiseres] ten val is gekomen doordat zij is uitgegleden over een (deel van een) gebakje, dat op de vloer van de werkplaats was terechtgekomen. Deze vaststelling brengt de kantonrechter bij de volgende vraag, namelijk of en zo ja, in hoeverre Helso voor de gevolgen van dit ongeval aansprakelijk kan worden gehouden.

De aansprakelijkheid van Helso

16. [Eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld, dat Helso er door middel van de nood-zakelijke instructies zorg voor had dienen te dragen, dat de kans op uitglijden zich niet zou hebben voorgedaan. Naar haar opvatting heeft Helso een gevaarlijke situatie gecreëerd en laten voortbestaan door rommel en obstakels op de werkvloer niet op te ruimen. Helso heeft dan ook - volgens [eiseres] - gehandeld in strijd met de zorgvul-digheid zodat zij primair op basis van artikel 6:162 BW aansprakelijk is.

17. Ter toelichting op haar stelling heeft [eiseres] naar voren gebracht, dat de werkvloer 'bezaaid' lag met allerlei rommel die daar niet behoorde te leggen. Zo bevonden zich op de werkvloer pallets, bevestigingsmaterialen, plastics en ander afval. Doordat de werkvloer zo vol lag met rommel heeft [eiseres] naar haar zeggen het gebakje, waarover zij is uitgegleden, niet opgemerkt. Door dit alles was er volgens [eiseres] sprake van een onoverzichtelijke en onveilige werkvloer.

18. Helso heeft tegengesproken dat er kon worden gesproken van een gevaarlijke situatie doordat er rommel en obstakels op de werkvloer lagen, welke niet werden opgeruimd. De werkvloer van Helso, waar mindervaliden werkzaam zijn, is schoon en overzich-telijk ingedeeld in wandelpaden en opslagplekken, waarbij in elk geval de wandelpaden vrij zijn van rommel en obstakels. Er is geen sprake van strijd met arbo-regels en daar-mee ook niet van strijd met de zorgvuldigheid.

19. Ingeval een werknemer zijn werkgever op grond van artikel 6:162 BW aanspreekt ter vergoeding van door hem in zijn werkomgeving geleden schade dient naar het oordeel van de kantonrechter in beginsel te worden gezien naar de in artikel 7:658 BW neergelegde norm, op grond waarvan de werkgever gehouden is om die maatregelen te nemen, welke redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

20. [Eiseres] heeft dit uitgangspunt omschreven als de 'inkleuring' van de algemeen toe-passelijke norm van artikel 6:162 BW door het beschermende karakter van artikel 7:658 BW. Daardoor geldt - aldus [eiseres] - in weerwil van de algemene regel van artikel 6:162 BW toch de verzwaarde zorgplicht van de werkgever voor de veiligheid van de werkomgeving van de werknemer. Schiet de werkgever tekort in zijn zorgplicht, dan is hij jegens de werknemer voor diens schade aansprakelijk.

21. Naar 's kantonrechters oordeel zijn in de bijzondere - immers door de Wet Sociale Werkvoorziening van vóór 1997 geregelde - arbeidsverhouding, die in 1996 tussen [eiseres] en Helso bestond, onvoldoende aanwijzingen te vinden die aanleiding geven om die 'inkleuring' in het onderhavig geval achterwege te laten, ondanks dat in artikel 19 WSW-oud uitdrukkelijk was bepaald, dat de toepasselijkheid van de zevende titel A van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek was uitgesloten.

22. Immers, het is ten zeerste onaannemelijk dat de wetgever met deze uitsluiting van de bepalingen omtrent de arbeidsovereenkomst uit het Burgerlijk Wetboek de bedoeling heeft nagestreefd om de werknemers in de sociale werkvoorziening ten aanzien van de veiligheid van hun werkomgeving en de bescherming tegen gevaren in en schade tengevolge van de uitoefening van hun functie in een ongunstiger positie te brengen dan de werknemers in het particuliere bedrijfsleven.

23. Derhalve dient thans - aan de hand van de afgelegde getuigenverklaringen - te worden onderzocht of Helso heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting om de lokalen waarin zij de arbeid doet verrichten op zodanige wijze in te richten en onderhouden en / of om voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwij-zingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

24. De getuige [A] heeft - samengevat - aangegeven, dat hij, nadat hij [eiseres] weer op de been had geholpen, niet alleen de resten van de platgetrapte vrucht op de vloer heeft opgeruimd, maar ook wat er rondom die vrucht nog allemaal op de vloer lag. Volgens de getuige ging dit om allerlei soorten afval, zoals plastic resten en papier. Het ging - aldus de getuige - echter niet om bergen rotzooi, maar om stuks afval die hier en daar lagen. Er lag op de afdeling regelmatig rommel op de vloer.

25. Waar gewerkt wordt - aldus de getuige - komt ook afval voor, dat op de vloer terecht kwam De getuige heeft voorts verklaard, dat hij beslist niet kan zeggen, dat het in de productieruimte waar hij werkte een puinhoop was, en dat er ook geen bergen afval lagen. Het voorschrift was dat er iedere dag om kwart over vier moest worden opge-ruimd. Tenslotte vond de getuige dat de leiding er in het algemeen niet voldoende op toezag dat de vloer regelmatig werd opgeruimd.

26. Vervolgens heeft de getuige [B] verklaard, dat er productieafval was, waarvan wel eens wat op de grond viel. Hoe het bij de werktafels was waar [eiseres] werkte weet de getuige niet meer. [Eiseres] heeft als partijgetuige onder meer verklaard, dat de doorgang naar het tafeltje, waar de gebakjes stonden, smal was en dat er ook allemaal rommel op de grond lag. Geen bergen rommel, maar er lag volgens haar los plastic, lege pallets, verpakkingsband en plastic folie.

27. De getuige [G] heeft - samengevat - verklaard, dat de vloer er steeds, zeker voor een papierverwerkende afdeling, netjes uitzag, en dat hij daarop ook toezag. Volgens de getuige zal er die ochtend best wat papier of plastic verpakkingsfolie op de grond gelegen hebben, maar dat kan volgens hem nooit veel geweest zijn omdat er toen nog niet veel werk was verzet. Ook door de dag werd er regelmatig papier opgeruimd omdat de mensen er anders niet meer doorheen komen.

28. Tenslotte heeft de getuige [M] verklaard, dat er ook in 1996 al voorschriften bestonden met betrekking tot het opruimen van de werkvloer. Deze kwamen hierop neer, dat alles dat op de grond lag zo snel mogelijk moest worden opgeraapt. De getuige lier daarop toezicht houden door zijn medewerkers daartoe minstens eenmaal per week steekproefsgewijze op iedere afdeling een controle te laten uitvoeren. [G] had de zaken op zijn afdeling volgens de getuige gemiddeld goed voor elkaar.

29. Naar het oordeel van de kantonrechter kan op grond van deze getuigenverklaringen in algemene zin niet worden volgehouden, dat Helso haar zorgplicht voor de veiligheid van de werkomgeving van haar werknemers niet heeft nageleefd. Niettemin ontheft dit oordeel Helso naar de opvatting van de kantonrechter niet van haar aansprakelijkheid aangezien zij niet heeft voorkomen dat medewerkers op de afdeling gebakjes nuttigden met alle risico's van dien voor morsen en knoeien op de vloer.

30. In zoverre heeft Helso naar 's kantonrechter inzicht niet of in elk geval in onvoldoende of onvolledige mate voldaan aan de in dit verband op haar rustende verplichting om de lokalen waarin zij de arbeid doet verrichten op zodanige wijze in te richten en onderhouden en / of om voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werk-nemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

31. Immers, door uitdrukkelijk of stilzwijgend toe te staan dat medewerkers op de afdeling gebak nuttigen heeft Helso de geenszins denkbeeldige kans in het leven geroepen dat een (deel van het) gebak op de grond zou vallen met alle gevaren en risico's van dien. Immers, het gaat bij Helso om mindervalide werknemers die soms een minder vaste hand hebben of slecht ter been zijn, terwijl (vruchten)gebak vrijwel steeds bestaat uit materialen die de kans op uitglijden aanmerkelijk vergroten.

32. Ofschoon de hiervoor in § 30 omschreven norm niet beoogt om voor de werknemer een absolute waarborg voor bescherming tegen gevaar in het leven te roepen heeft Helso zich, door toe te staan dat op de afdeling gebak werd genuttigd zonder het nemen van adequate veiligheidsmaatregelen ter bescherming tegen ongevallen, niettemin jegens [eiseres] schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad, welke haar op de voet van het bepaalde in artikel 6:162 lid 3 BW kan worden toegerekend.

33. Mitsdien is Helso gehouden om de als gevolg daarvan door [eiseres] geleden schade te vergoeden. De kantonrechter is zich echter zeer wel bewust van het feit dat omtrent het vorenstaande ook heel anders kan worden gedacht, en aangezien deze beslissing bepalend is voor de verdere loop van het geding, zal op de voet van het bepaalde in artikel 337 lid 2 Rv worden bepaald, dat van dit tussenvonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen.

De schade en het causaal verband

34. Bij dagvaarding heeft [eiseres] gesteld dat zij ten gevolge van het ongeval letsel heeft opgelopen, namelijk een cervico-brachialgie en een post whiplash syndroom. Dat blijkt uit verschillende medische verklaringen van een zenuwarts in Helmond, een homeo-pathisch huisarts, een fysiotherapeut, haar eigen huisarts, een zenuwarts in Zwolle, een revalidatiearts verbonden aan een revalidatie-centrum en een UWV-verzekeringsarts. Alle verklaringen wijzen volgens [eiseres] op een postwhiplashbeeld.

35. Helso heeft betwist, dat [eiseres] als gevolg van haar val whiplashklachten heeft gekregen. Immers, na haar val had zij slechts klachten aan haar linkerschouder, waaraan zij voordien ook al klachten had. Daarenboven is zij van 1984 tot 1995 ook al arbeidson-geschikt geweest. Niet bewezen is dat zij als gevolg van deze valpartij schade heeft opgelopen. Kennelijk heeft zij in 1998 nog een bedrijfsongeval gehad. Causaal verband tussen de valpartij en de vermeende schade is er dus niet.

36. Vooraf heeft Helso tegen de door [eiseres] verschafte medische informatie als verweer opgeworpen, dat de door [eiseres] bij brief d.d. 6 april 2005 in het geding gebrachte stukken als niet-ingebracht dienen te worden beschouwd, aangezien zij daarop niet is ingegaan. De kantonrechter verwerpt dit verweer, omdat [eiseres] daarop wel is inge-gaan, en wel bij akte uitlating producties d.d. 12 januari 2005, waarbij zij echter de onderliggende stukken niet had overgelegd.

37. Bij vonnis d.d. 23 februari 2005 heeft de kantonrecher [eiseres] dan ook in de gelegen-heid gesteld om de 'door haar aangekondigde medische informatie' in het geding te brengen. Daarop heeft [eiseres] bij genoemde brief d.d. 6 april 2005 enkele van de door haar aangehaalde medische berichten overgelegd. Waar [eiseres] zich echter in haar akte beroept op medici zonder daarbij hun rapportage over te leggen, dient daaraan uiteraard als ongemotiveerd te worden voorbijgegaan.

38. Al met al is de kantonrecher van oordeel, dat uit de thans beschikbare gegevens - in tegenstelling tot wat [eiseres] heeft betoogd - (nog) geen duidelijk letselbeeld naar voren is gekomen. De aan de kantonrechter ter beschikking gestelde informatie is in niet onaanzienlijke mate onvolledig. Uit het rapport van de medisch adviseur R. Wes-terweel d.d. 18 maart 1999 blijkt dat hij uitsluitend dossieronderzoek heeft gedaan en dat hij [eiseres] niet heeft gezien, laat staan: lichamelijk heeft onderzocht.

39. De zenuwarts Busard, die reeds in 1998 door [eiseres] is geconsulteerd, heeft aangegeven dat hij haar ook niet lichamelijk heeft onderzocht. Rapporten van medici en andere behandelaars die [eiseres] wel lichamelijk hebben onderzocht ontbreken echter. Tenslotte beschikte de medisch adviseur van de verzekeringsmaatschappij Nationale Nederlanden - vermoedelijk de assuradeur van Helso - zelfs in 2005 (negen jaar na dato) nog niet over alle gewenste gegevens.

40. De kantonrecher stelt voorts vast, dat de aanwezige rapportage omtrent [eiseres] uitsluitend afkomstig is van artsen en / of behandelaars die door haarzelf of door haar gemachtigde(n) zijn geselecteerd. Zonder dat de kantonrechter redenen heeft om aan hun deskundigheid te twijfelen is deze eenzijdigheid als een manco aan te merken, ook al omdat niet gebleken is dat [eiseres] ooit is gezien of onderzocht door een door Helso althans haar verzekeraar aangezochte arts.

41. Op de vraag of [eiseres] (gezondheids)schade heeft geleden en - zo ja - in welke vorm(en), alsmede of en - zo ja - in welke mate deze schade in causaal verband te brengen is met het op 27 juni 1996 aan haar overkomen ongeval kan door de kantonrechter zonder deskundige voorlichting geen verantwoorde beslissing worden gegeven. Daartoe zal bijstand van een expert, waarbij uiteraard moet worden gedacht aan een arts, gespecialiseerd in whiplash / nek- en schouderletsel.

42. De kantonrechter zal de zaak naar de rol verwijzen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om voorstellen te doen omtrent de persoon van de deskundige(n). Ook de kantonrechter zal naar een deskundige op zoek gaan. Eventuele kosten van het deskundigenonderzoek zullen op voorschotbasis door [eiseres] gedragen dienen te worden, nu het in beginsel op haar weg ligt om de juistheid aan te tonen van haar stelling, dat zij (gezondheids)schade heeft geleden.

43. Overigens is de wetgever onder meer aan partijen, aan wie ingevolge de Wet op de Rechtsbijstand een toevoeging is verleend - zoals [eiseres] - tegemoetgekomen, waar immers in artikel 195 Rv de regel is neergelegd dat aan hen geen voorschot wordt opgelegd. Deze kosten komen voorlopig ten laste van de Staat, met dien verstande dat de Staat het door haar voorgeschoten deskundigenhonorarium wèl op [eiseres] kan verhalen in het geval dat zij bij eindvonnis in het ongelijk wordt gesteld.

44. Behoudens een uitdrukkelijk andersluidende wens van partijen of één hunner dan wel bij nader te blijken noodzaak gaat de kantonrechter er voorshands van uit, dat slechts één deskundige wordt benoemd. De kantonrechter geeft er de voorkeur aan indien partijen in onderling overleg omtrent de deskundige(n) overeenkomen. In elk geval is het - ter voorkoming van nog meer tijdverlies - gewenst dat partijen de gegevens van door hen voor te stellen deskundigen tijdig uitwisselen.

45. Bij na te noemen akte kunnen partijen dan hun visie geven op de door de wederpartij voor te stellen deskundige en daarnaast zelf een of meer namen opgeven van personen welke zij benoemd wensen te zien, of - indien nodig - vooral níet benoemd wensen te zien. Worden partijen het niet eens, dan zal de kantonrechter na nadere raadpleging van partijen ambtshalve een onpartijdige deskundige benoemen. In afwachting van een en ander zal de kantonrechter iedere verdere uitspraak aanhouden.

DE BESLISSING

D E K A N T O N R E C H T E R, R E C H T D O E N D E :

VERSTAAT dat partijen zich bij acte schriftelijk zullen uitlaten omtrent hetgeen hiervoor terzake het voorgenomen deskundigenbericht is overwogen.

VERWIJST de zaak daartoe naar de rol van 28 februari 2007.

BEPAALT dat van dit tussenvonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen.

HOUDT iedere verdere uitspraak AAN.

Aldus gewezen te Helmond door Mr T.J.M. Kolfschoten, kantonrechter, en op 24 januari 2007dfgdfxhhjjn uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.

Zaaknummer: 210893 blad 15

vonnis