Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:AZ8010

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-02-2007
Datum publicatie
08-02-2007
Zaaknummer
01/840292-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor toezichthouder zwembad.

De rechtbank acht niet bewezen dat het verdrinken en overlijden van een vierjarig jongetje aan de schuld van verdachte is te wijten. De rechtbank acht niet bewezen dat het slachtoffer door een gebrek aan toezicht van verdachte is verdronken en overleden. Niet voldoende is gebleken dat het slachtoffer onder water is geraakt gedurende de periode dat verdachte was belast met het houden van toezicht op het golfslagbad en evenmin dat verdachte het overlijden van het slachtoffer had kunnen voorkomen gedurende de periode dat hij toezichthouder was. Het eventueel gedurende meerdere minuten niet opmerken door verdachte van het onder de wateroppervlakte drijvende slachtoffer doet hier niet aan af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/840292-05

Uitspraakdatum: 8 februari 2007

STRAFVONNIS

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum) 1986,

wonende te [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 mei 2006 en 25 januari 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 april 2006.

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 25 januari 2007 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht. Met inachtneming van deze wijziging is aan verdachte tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 23 februari 2005 te 's-Hertogenbosch grovelijk, althans

aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig en/of onoplettend

en/of onoordeelkundig en/of in strijd met het vigerende toezichtplan handelend

als toezichthouder werkzaam bij een openbare zwemgelegenheid / badinrichting

(welke zwemgelegenheid / badinrichting deel uitmaakte van sport- en

vrijetijdscentrum "Sportiom") en/of - samen met een andere toezichthouder -

belast met het toezicht op het gedeelte van die zwemgelegenheid /

badinrichting waar de recreatiebaden (onder meer een golfslagbad en enkele

zwem- en/of badattracties, plaatselijk bekend als [ ]") waren

gesitueerd,

terwijl hij, verdachte, wist dat de tweede toezichthouder haar post had

verlaten en/of hij (derhalve) (tijdelijk) als enige toezichthouder belast was

met het toezicht op die recreatiebaden (het golfslagbad) en/of,

terwijl het toegangspoortje dat het gedeelte van de zwemgelegenheid /

badinrichting waar kinderen die de zwemkunst nog niet (voldoende) meester

waren konden spelen / baden in een pierenbad (plaatselijk bekend als [ ]) scheidde van het gedeelte van de zwemgelegenheid / badinrichting waar de

recreatiebaden waren gesitueerd (onder meer een golfslagbad en enkele zwem-

en/of badattracties, plaatselijk bekend als [ ]") niet (naar

behoren) functioneerde (immers, genoemd poortje viel - na opening - niet

(altijd) automatisch terug in het slot)

geen, althans onvoldoende toezicht heeft gehouden op die recreatiebaden (het

golfslagbad), immers is verdachte onvoldoende oplettend en/of waakzaam geweest

op de aanwezigheid van kinderen (onder de negen jaar en/of kinderen die de

zwemkunst niet (voldoende) meester waren) zonder begeleiding in de

recreatiebaden (het golfslagbad), terwijl die onbegeleide aanwezigheid, gelet

op de waterdiepte en/of de gevaarzettende bestemming van die recreatiebaden /

dat golfslagbad, voorkomen diende te worden,

terwijl toen in genoemde zwemgelegenheid / badinrichting een vierjarig

jongetje, genaamd [slachtoffer] (geboren 19 september 2000), zich zonder

begeleiding heeft begeven in het golfslagbad (die recreatiebaden) en aldaar

onder water is geraakt,

hetgeen door verdachte gedurende meerdere minuten (in het geheel) niet,

althans niet tijdig is opgemerkt,

waardoor, althans mede waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat

die [slachtoffer] in dat golfslagbad (die recreatiebaden) is verdronken en

overleden.

(artikel 307 Wetboek van Strafrecht)

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.

De bewijsbeslissing.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Verdachte zou conform het rooster op 23 februari 2005 tussen 18.00 uur en 18.15 uur toezicht houden op het golfslagbad. Door het voorvallen van enkele gebeurtenissen is verdachte echter later dan 18.00 uur met zijn toezichthoudende taak begonnen. Het tijdstip van de overdracht van het toezicht aan verdachte is op geen enkele wijze vastgelegd. Uit het bewijsmateriaal blijkt slechts dat verdachte weliswaar om 18.11 uur en gedurende enige tijd voorafgaand aan dat tijdstip als toezichthouder fungeerde, maar niet wat het exacte tijdstip was waarop verdachte aanving met het houden van toezicht. De officier van justitie en de verdediging komen via een interpretatie van de uit het procesdossier gebleken feiten en de tijdsduur daarvan tot een verschillend standpunt omtrent het aanvangstijdstip. Voor een keuze tussen beide weergaven ten aanzien 0van de tijdstippen is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende overtuigende steun te vinden in het bewijsmateriaal. Het exacte tijdstip waarop verdachte op 23 februari 2005 aanving met het houden van toezicht op het golfslagbad is derhalve naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende vast komen te staan. Vast staat slechts dat verdachte vanaf enig moment voor 18.11 uur toezicht is gaan houden op het golfslagbad.

De rechtbank overweegt voorts dat niet duidelijk is op welk moment het slachtoffer in het golfslagbad is gegaan en evenmin is duidelijk wanneer hij onder water is geraakt. Uit de camerabeelden blijkt dat het slachtoffer zich op 23 februari 2005 tussen 18.08.48 uur en 18.11.58 uur onder de wateroppervlakte van het golfslagbad bevond. Uit het procesdossier blijkt echter niet hoe lang het slachtoffer zich onder de wateroppervlakte heeft bevonden noch op welk tijdstip het leven van het slachtoffer nog te redden was. Derhalve valt naar het oordeel van de rechtbank niet uit te sluiten dat de verdrinking en/of het (niet meer vermijdbare) intreden van de dood van het slachtoffer reeds een feit was/waren voordat verdachte toezicht is gaan houden op het golfslagbad.

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat het slachtoffer door een gebrek aan toezicht van verdachte is verdronken en overleden. De rechtbank is van oordeel dat niet voldoende is gebleken dat het slachtoffer onder water is geraakt gedurende de periode dat verdachte was belast met het houden van toezicht op het golfslagbad en evenmin dat verdachte het overlijden van het slachtoffer had kunnen voorkomen gedurende de periode dat hij toezichthouder was. Het eventueel gedurende meerdere minuten niet opmerken door verdachte van het onder de wateroppervlakte drijvende slachtoffer doet hier niet aan af. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat het verdrinken en overlijden van het slachtoffer aan de schuld van verdachte is te wijten.

De vordering van de benadeelde partij (de erfgenamen van [ ]).

Nu verdachte van het hem tenlastegelegde feit zal worden vrijgesproken, dient de benadeelde partij (de erfgenamen van [ ]) in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij zal worden verwezen in de kosten door de verdachte in deze strafzaak gemaakt als na te melden.

DE UITSPRAAK

BESLISSING:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij de erfgenamen van [ ], in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.M.P. Willemse, voorzitter,

mr. G.J. Roeterdink en mr. drs. W.A.F. Damen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, griffier

en is uitgesproken op 8 februari 2007.