Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:AZ7851

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-01-2007
Datum publicatie
06-02-2007
Zaaknummer
AWB 04/2908
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WAO-uitkering. Beroep werkgever (eigen risicodrager). Toepassing 8:32 Awb. Belang werkgever kon voldoende mate worden behartigd. Vergoeding kosten medisch adviseur, die ter zitting optrad als arts-gemachtigde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 04/2908

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2007

inzake

Sligro Food Group Nederland B.V.,

te Veghel,

eiseres,

gemachtigde mr. J.P.M. van Zijl,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

te Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. A. Jansen-van Winden, werkzaam bij het Uwv-kantoor te Helmond.

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2004 heeft verweerder aan [werknemer], (toenmalig) werknemer van eiseres, ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 9 maart 2004 een uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35 %. Een afschrift van het besluit is toegezonden aan eiseres. Dit besluit zal hierna worden aangehaald als besluit 1.

Bij besluit van diezelfde datum, 22 april 2004, heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij als eigen risicodraagster vanaf genoemde ingangsdatum zorg dient te dragen voor betaling van de WAO-uitkering aan [werknemer]. Dit besluit wordt hierna aangehaald als besluit 2.

Eiseres heeft tegen beide besluiten bezwaar ingediend, welke bezwaren door verweerder bij besluit van 29 september 2004 ongegrond zijn verklaard.

Tegen laatstgenoemd besluit is beroep ingesteld bij de rechtbank.

De zaak is behandeld op de zitting van 21 september 2006, waar eiseres is verschenen bij voornoemde gemachtigde en J.M.W.N. Derks, verzekeringsarts, als tweede gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

[werknemer] voornoemd, die zich niet als belanghebbende in het geding heeft gevoegd, heeft geen toestemming gegeven voor inzage door eiseres van de stukken in het dossier die medische informatie bevatten.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat de kennisneming van medische stukken in dit geding is voorbehouden aan mr. Van Zijl en voorts aan J.M.W.N. Derks voornoemd en de registerarbeidsdeskundige F.D. Kooistra als adviseur van eiseres.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of verweerder terecht en op goede gronden de mate van arbeidsongeschiktheid van [werknemer] heeft vastgesteld op 25 tot 35 % en voorts of terecht is vastgesteld dat eiseres zorg dient te dragen voor de betaling van de WAO-uitkering aan [werknemer].

2. [werknemer] was sedert 26 maart 2001 in dienstverband werkzaam bij eiseres, laatstelijk als vestigingsdirecteur. Op 10 juli 2002 is [werknemer] uitgevallen voor zijn werk in verband met burn-outklachten en nekklachten. Na de wettelijke wachttijd van 52 weken is aan eiseres een loondoorbetalingsverplichting opgelegd tot en met 8 maart 2004. Vanaf 9 maart 2004 heeft verweerder een WAO-uitkering aan [werknemer] toegekend.

Eiseres is en was op de datum in geding eigen risicodrager als bedoeld in artikel 75a van de WAO.

3. Het bestreden besluit berust op het standpunt van verweerder dat [werknemer], rekening houdend met de door de verzekeringsarts vastgestelde functionele beperkingen, niet geschikt is voor zijn eigen werk, maar wel in staat wordt geacht een aantal andere functies te verrichten. Daarmee kan [werknemer] een zodanige verdiencapaciteit realiseren dat zijn arbeidsongeschiktheidspercentage per 9 maart 2004 25 tot 35% bedraagt. Aan het besluit ligt voorts ten grondslag het standpunt dat eiseres als eigen risicodrager op grond van artikel 75a van de WAO verplicht is de uitkering aan [werknemer] te betalen.

4. Eiseres kan zich met beide standpunten niet verenigen en stelt - samengevat - het volgende.

5. Zij stelt in de eerste plaats dat de besluiten 1. en 2. beide besluiten zijn waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. Voorts beroept eiseres zich erop dat zij niet in staat is de juistheid van de besluiten 1. en 2. ten volle te beoordelen, doordat zij geen kennis mag nemen van de medische informatie die aan die besluiten ten grondslag ligt. Aldus is zij als procespartij in een wezenlijk nadeliger positie gebracht dan verweerder. Dat nadeel wordt volgens eiseres onvoldoende ondervangen doordat haar gemachtigde en adviseurs inzage in de betreffende stukken hebben. Het is deze adviseurs immers niet toegestaan concrete medische informatie over [werknemer] te bespreken met (andere) vertegenwoordigers van eiseres. Bovendien heeft eiseres - in tegenstelling tot verweerder - [werknemer] niet kunnen laten onderzoeken door een door haar gekozen arts. Door een en ander is niet voldaan aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951, 154 (EVRM).

6. Ten slotte voert eiseres aan dat, voorzover [werknemer] moet worden beschouwd als arbeidsongeschikt als gevolg van een reeds voor zijn indiensttreding bestaande whiplash, zij niet is gehouden de WAO-uitkering te betalen, omdat die arbeidsongeschiktheid niet tijdens het dienstverband is ontstaan.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft overwogen in zijn uitspraak van 10 oktober 2006 (LJN: AZ0127) moet besluit 2, inhoudende de mededeling van verweerder aan eiseres, dat zij de WAO-uitkering aan [werknemer] dient te betalen, worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld.

9. Naar aanleiding van de bezwaren van eiseres tegen het aan haar onthouden van stukken met medische informatie geldt het volgende, waarbij de rechtbank verwijst naar hetgeen de CRvB heeft overwogen in zijn uitspraken van 20 juli 2001 (LJN: AB2857) en 16 mei 2006 (LJN: AX4373).

10. Bij de toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb dient de ernst van de aantasting van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken werknemer te worden afgewogen tegen het procesbelang van de werkgever. Nu het in dit geding gaat om stukken die medische gegevens van de werknemer bevatten en deze werknemer met het oog op de bescherming van zijn privacy geen toestemming heeft gegeven voor inzage daarvan door de werkgever, dient het belang van de werknemer te prevaleren boven dat van de werkgever en is de toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb gerechtvaardigd.

11. Hierdoor kan eiseres als werkgever niet op volledig gelijke voet als verweerder deelnemen aan het geding, maar zij wordt niettemin niet in een wezenlijk nadeliger positie gebracht dan verweerder. Immers, in beroep hebben - naast de gemachtigde jurist - een door eiseres gekozen verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige adviseur namens haar kennis kunnen nemen van het dossier inclusief de medische en arbeidskundige gegevens. Deze adviseurs hebben schriftelijk commentaar geleverd op de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapportage, welke commentaren ook in het geding zijn gebracht. Daarnaast heeft de verzekeringsgeneeskundige van eiseres ter zitting kunnen optreden als tweede gemachtigde. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in dit geding de belangen van eiseres in voldoende mate konden worden behartigd: de juridisch gemachtigde en de beide deskundige adviseurs van eiseres hebben in onderling overleg de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit ten volle kunnen beoordelen en zij hebben naar voren kunnen brengen wat in het belang van eiseres werd geacht. Er is dan ook geen sprake van schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

12. In de bezwaarfase heeft de mogelijkheid voor eiseres, om voormelde adviseurs kennis te doen nemen van de medische stukken, ontbroken. Dat leidt echter niet tot een ander oordeel dan hiervoor is aangegeven, nu ervan moet worden uitgegaan dat het op gerechtelijke procedures gerichte voorschrift van artikel 6, eerste lid, van het EVRM geen betrekking heeft op de heroverweging van een besluit door een bestuursorgaan in bezwaar. In dit verband wordt verwezen naar hetgeen de CRvB heeft overwogen in zijn uitspraak van 13 februari 2002 (LJN: AD9974).

13. Het gegeven dat eiseres [werknemer] niet door een (verzekerings)arts van eigen keuze heeft kunnen laten onderzoeken, leidt evenmin tot een ander oordeel. Weliswaar verkeert de werkgever ook in dit opzicht niet in een positie die gelijk is aan die van het bestuursorgaan, maar ook dit verschil is niet zodanig dat het eiseres in een wezenlijk nadeliger procespositie brengt. Bovendien zou voor [werknemer] een verplichting zich laten onderzoeken door een door zijn werkgever aangewezen arts een onevenredig grote inbreuk meebrengen op zijn recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer.

14. Ten aanzien van de inhoudelijke grondslag van het bestreden besluit wordt als volgt overwogen.

15. Onder arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken in de zin van de WAO dient te worden verstaan het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid, resulterend in een relevant inkomensverlies ten opzichte van het inkomen van de zogeheten maatman of maatvrouw.

Hieruit volgt dat bij de beantwoording van de vraag, of iemand arbeidsongeschikt is, twee factoren van belang zijn, te weten:

- of de betrokkene medische beperkingen heeft;

- of en zo ja, in hoeverre, hij als gevolg daarvan geheel of gedeeltelijk buiten staat is zich met daarvoor in aanmerking komende arbeid een inkomen te verwerven.

16. De verzekeringsarts heeft op basis van eigen onderzoek en de anamnese van [werknemer] een aantal beperkingen vastgesteld in verband met nekklachten en burn-outklachten.

[werknemer] is - kort gezegd - aangewezen op werk zonder veelvuldige productiepieken en buiten de nachtelijke uren. Hij wordt voorts beperkt geacht ten aanzien van een aantal dynamische handelingen en statische houdingen.

17. Het betoog van eiseres, dat de nekklachten van [werknemer] buiten beschouwing moeten blijven omdat die klachten zijn veroorzaakt door letsel, opgelopen voordat [werknemer] bij eiseres in dienst trad, treft geen doel. Ook indien deze klachten zouden voortkomen uit een al eerder opgetreden letsel, laat dat onverlet dat [werknemer] ongeveer 15 maanden arbeid voor eiseres heeft verricht en in dienstbetrekking tot eiseres stond op het moment waarop hij arbeidsongeschikt werd. Daarmee is in beginsel voldaan aan de basisvoorwaarde, gesteld in artikel 75a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO voor het in werking treden van de betalingsverplichting van eiseres als eigen risicodrager. Uit geen van de toepasselijke wettelijke bepalingen valt af te leiden dat hierbij tevens voorwaarde is dat de medische oorzaak van de arbeidsongeschiktheid dient te zijn ontstaan tijdens de dienstbetrekking.

18. De rechtbank is echter van oordeel dat het bestreden besluit ten aanzien van een ander onderdeel onvoldoende is onderbouwd.

De verzekeringsarts heeft in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 12 februari 2004 onder meer beperkingen aangegeven ten aanzien van zitten (5.1 in de FML), zitten tijdens het werk (5.2), staan (5.3) en staan tijdens het werk (5.4). Uit de rapportage van de verzekeringsarts en van de bezwaarverzekeringsarts valt echter niet af te leiden op grond van welke medische onderzoeksbevindingen deze beperkingen zijn aangenomen. Een verband met de beschreven nekklachten of vermoeidheidsklachten valt niet zonder meer te leggen en andere lichamelijke afwijkingen zijn niet beschreven. Ook het commentaar van 22 november 2005 van de bezwaarverzekeringsarts verschaft op dit punt geen duidelijkheid.

19. Het bestreden besluit ontbeert in zoverre een deugdelijke en inzichtelijke motivering, zoals vereist in de artikelen 3:46 en 3:47 van de Awb. Het besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking, het beroep zal gegrond worden verklaard en verweerder zal een nieuw besluit op het bezwaar dienen te nemen.

20. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt in verband met de werkzaamheden en rapportage van Derks als medisch adviseur en Kooistra als arbeidskundig adviseur. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in aanmerking komen voor vergoeding op de volgende wijze.

21. Medisch adviseur Derks is door eiseres ingeschakeld als arts-gemachtigde en heeft ook als zodanig opgetreden ter zitting. In artikel 1, aanhef en onder f, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) is een specifieke regeling opgenomen voor de vergoeding van de kosten van inschakeling van een arts-gemachtigde. Uit artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit en de bij het Besluit behorende Bijlage, in samenhang bezien, volgt dat voor de kosten van een arts-gemachtigde een vergoeding wordt toegekend op basis van een puntensysteem, waarbij per proceshandeling punten worden toegekend en deze punten vervolgens worden gehalveerd. Aldus komen de kosten van het verschijnen ter zitting van Derks in aanmerking voor vergoeding tot een bedrag van € 161,00 zijnde ½ punt vermenigvuldigd met € 322,00 (de waarde per punt). De rechtbank vindt in het Besluit en de Bijlage geen grondslag om daarnaast tevens een vergoeding toe te kennen voor het opstellen door Derks van zijn schriftelijke reactie op de verzekeringsgeneeskundige rapportage. In dit verband wordt tevens verwezen naar hetgeen de CRvB heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 april 2005 (LJN: AT5818).

22. De kosten van de arbeidskundig adviseur Kooistra komen in aanmerking voor vergoeding als kosten van een deskundige als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit in verband met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb wordt deze vergoeding vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Ingevolge het bepaalde in artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 bedraagt de toe te kennen vergoeding voor het opstellen van een deskundigenrapport zoals hier overgelegd maximaal € 81,23 per uur. Kooistra heeft blijkens zijn nota 2,08 uren besteed aan zijn werkzaamheden in deze zaak, hetgeen ingevolge het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van het Besluit tarieven in strafzaken leidt tot vaststelling van de vergoeding op basis van - afgerond - 2,5 uren. De rechtbank gaat daarvan uit en zal de vergoeding daarvoor vaststellen op € 203,00, zijnde 2,5 uren vermenigvuldigd met € 81,23.

23. De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder te veroordelen in de overige door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

- 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

- 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

- waarde per punt € 322,00

- wegingsfactor € 1.

24. De rechtbank zal tevens bepalen dat door verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 273,00 dient te worden vergoed.

25. Ter voorlichting van eiseres wijst de rechtbank er op dat de gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging van het bestreden besluit niet betekenen dat eiseres op alle onderdelen van het beroep gelijk heeft gekregen. Uit het voorgaande blijkt dat de rechtbank een aantal beroepsgronden ondubbelzinnig heeft verworpen. Indien eiseres zich niet kan verenigen met de verwerping van die beroepsgronden en wil voorkomen dat dit oordeel van de rechtbank in rechte komt vast te staan, zal zij, ondanks de gegrondverklaring van het beroep, tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep moeten instellen.

26. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 273,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, vastgesteld op

€ 1.008,00;

- wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. M. Lammers als rechter in tegenwoordigheid van mr. M. le Fèbre als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2007.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: