Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:AZ7520

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-02-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
01/889049-06
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2007:BB6403, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BL3459, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

8 jaar cel voor diefstal voorafgegaan door dusdanig geweld dat dit de dood van het slachtoffer tengevolge heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer dagvaarding: 01/889049-06

Parketnummer vordering: 02/800847-05

Uitspraakdatum: 1 februari 2007

VERKORT VONNIS

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

wonende te [adres]

thans verblijvende: P.I. Breda - HvB De Boschpoort te Breda.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 januari 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 september 2006.

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 19 januari 2007 gewijzigd. Na deze wijziging is aan verdachte tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 07 juni 2006 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet een vuurwapen op en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] gericht en/of tweemaal, in elk geval een of meerdere malen, schoten op en/of in de richting van die [slachtoffer] gelost, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten de diefstal met geweld van twee, in elk geval een of meer bankpasje(s) en/of geld en/of een hoeveelheid hennep, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

art. 288 Wetboek van Strafrecht.

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 juni 2006 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee, in elk geval een of meer bankpasje(s) en/of geld en/of hennep, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een vuurwapen op en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en/of twee, in elk geval een of meerdere schoten heeft/hebben gelost op en/of in de richting van die [slachtoffer], welk feit de dood van die [slachtoffer] tengevolge heeft gehad;

art. 312 Wetboek van Strafrecht.

2.

hij op of omstreeks 8 juni 2006 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 750 Euro en/of 250 Euro, in elk geval enig geldsbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten met (een) door misdrijf

verkregen bankpasje(s);

art. 311 lid 1 sub 5 Wetboek van Strafrecht.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 02/800847-05 is aangebracht bij vordering van 10 oktober 2006.

Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te Breda d.d. 17 januari 2006.

Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De geldigheid van de dagvaarding en de oproeping.

De dagvaarding en de oproeping voldoen aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Vrijspraak feit 1 primair.

Voor bewezenverklaring van het medeplegen van gekwalificeerde doodslag moet boven iedere redelijke twijfel kunnen worden vastgesteld dat verdachte het opzet had op de levenberoving van [slachtoffer] en dat de -aan medeplegen inherente- samenwerking tussen hem en zijn medeverdachte daar ook op was gericht. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt niet dat er sprake was van een vooraf beraamd plan om [slachtoffer] van het leven te beroven. Het gezamenlijk opzet was gericht op het 'rippen' van het slachtoffer. Verdachte heeft zelf geen uitvoeringshandelingen verricht die hebben geleid tot het overlijden van [slachtoffer]. Verdachte wist dat zijn medeverdachte een vuurwapen had meegenomen naar de woning van het slachtoffer en kende diens gewelddadige reputatie. Hoewel verdachte daarmee naar het oordeel van de rechtbank het risico heeft genomen dat er tijdens de overval geweld zou worden toegepast tegenover het slachtoffer, al dan niet met gebruikmaking van het meegenomen vuurwapen, betekent dat nog niet dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een naar algemene ervaringsregels als aanmerkelijk te achten kans dat [slachtoffer] bij de overval om het leven zou worden gebracht. Daar komt nog bij dat de schietpartij kort duurde en plaatsvond op een

-ook voor verdachte- onverwacht moment, zodat hij geen reële mogelijkheid heeft gehad om zich van het door zijn medeverdachte uitgeoefende geweld te distantiëren.

De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gekwalificeerde doodslag.

Bijzondere overweging omtrent het bewijs van feit 1 subsidiair.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde medeplegen van diefstal met geweld moet worden vrijgesproken, omdat verdachte slechts de opzet had op het wegnemen van de weedvoorraad van het slachtoffer en pas na de overval wetenschap kreeg van het feit dat zijn mededader de pinpas en een geldbedrag van het slachtoffer uit de woning had meegenomen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Het betoog van de raadsman strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Uit de verklaringen van verdachte bij de politie en ter terechtzitting blijkt dat verdachte zijn mededader in de woning van het slachtoffer heeft horen roepen om geld en een bankpasje. Uit niets is aannemelijk geworden dat verdachte zich op objectief vast te stellen wijze heeft gedistantieerd van de diefstal van andere goederen dan weed.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er tijdens de overval ook andere goederen, zoals het bankpasje en het geldbedrag, zouden worden meegenomen. Zijn gedragingen kunnen derhalve worden gekwalificeerd als medeplegen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

(1 subsidiair)

op 7 juni 2006 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een bankpasje en geld toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededader een vuurwapen tegen het lichaam van die [slachtoffer] hebben gericht en twee schoten hebben gelost op die [slachtoffer], welk feit de dood van die [slachtoffer] tengevolge heeft gehad.

2.

op 8 juni 2006 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 750 Euro en 250 Euro, toebehorende aan [slachtoffer], waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten met een door misdrijf verkregen bankpasje.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14g, 14h, 14i, 14j, 24c, 27, 36f, 57, 310, 311, 312.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2:

-een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, met aftrek van voorarrest.

-toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], tot een bedrag van

€ 8.185,37, hoofdelijk opgelegd, met daarbij de schadevergoedingsmaatregel ingevolge artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Voor het overige, de schadepost 'Primeline nog te betalen' (bijlage 9) van € 200,- en de schadepost 'via pas opgenomen bij de bank ... (bijlage 15) van € 1.000,- , dient de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard omdat deze niet eenvoudig van aard is.

De op te leggen straf.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- het zeer gewelddadig karakter van het door verdachte onder 1 subsidiair bewezenverklaarde gepleegde strafbare feit en de maatschappelijke verontrusting die daarvan het gevolg is;

- de omstandigheid dat de gewapende overval voortkomt uit een zucht naar financieel gewin, waarbij ter verkrijging van dat financieel gewin grof geweld niet wordt geschuwd. Verdachte is er niet voor teruggeschrokken om dergelijk zwaar geweld tegen zijn medemens te gebruiken;

- verdachte heeft zich om het lot van het slachtoffer volstrekt niet bekommerd, terwijl hij wist dat deze door het schot van zijn mededader was geraakt;

- verdachte heeft ook na de overval zijn eigen financiële belangen voorop gesteld door tot tweemaal toe te gaan pinnen met de buitgemaakte bankpas en pincode;

- de mate waarin het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht, te weten het verdriet van de familie, vrienden en kennissen van het slachtoffer en de afschuw over de wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht;

- het feit dat (vuur)wapens en het ongecontroleerd bezit daarvan kunnen leiden tot levensbedreigende situaties, hetgeen zich in deze zaak ook daadwerkelijk heeft gerealiseerd;

-de omstandigheid dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige strafbare feiten te plegen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij].

De rechtbank acht van de vordering toewijsbaar, als rechtstreeks door het onder 1 primair bewezenverklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van € 8.185,37.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Het overige gedeelte van de vordering, bestaande uit de schadeposten 'Primeline nog te betalen' (bijlage 9) van € 200,- en 'via pas opgenomen bij de bank ... (bijlage 15) van € 1.000,- , is niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is en dat zij dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader en zijn medeplichtige samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig.

De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 subsidiair:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit de dood tengevolge heeft, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

T.a.v. feit 2:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

DE BESLISSING

T.a.v. feit 1 primair:

- Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2:

- Gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1 subsidiair:

- Maatregel van schadevergoeding van € 8.185,37, subsidiair 70 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] van een bedrag van € 8.185,37 (zegge: achtduizend- eenhonderdvijfentachtig euro en zevenendertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 70 dagen hechtenis.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader en/of medeplichtige is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

- Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 8.185,37 (zegge: achtduizendeenhonderdvijfentachtig euro en zevenendertig cent).

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij en/of zijn mededader en/of medeplichtige heeft/hebben voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

- Last tot tenuitvoerlegging van de straf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Breda d.d. 17 januari 2006, gewezen onder parketnummer 02/800847-05, te weten:

een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Dit vonnis is gewezen door,

mr. J.A. Bik, voorzitter,

mr. I.L.P. Crombeen en mr. P.H.P.H.M.C. van Kempen, leden,

in tegenwoordigheid van M.P.M. van Goethem, griffier

en is uitgesproken op 1 februari 2007.

Parketnummer dagvaarding: 01/889049-06 pag. 7

[verdachte]