Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:AZ6685

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-01-2007
Datum publicatie
22-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/4902 en 06/4903
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2008:BC7071, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Art. 3 lid 4 onder b WWB; geen temporele werking.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een temporele werking bij de toepassing van artikel 3, vierde lid onder b van de WWB zoals zijdens verzoeker is gesteld.

In de door verzoeker genoemde uitspraak van de CRvB van 29 november 2005 waaruit volgens verzoeker blijkt van een temporele werking voor geheel artikel 3, vierde lid van de WWB is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet een dergelijke opvatting te lezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 153 met annotatie van H.W.M. Nacinovic
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 06/4902 en 06/4903

Uitspraak van de Voorzieningenrechter van 12 januari 2007

inzake

[verzoeker],

te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. L.J.M. van der Wielen,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss,

verweerder,

gemachtigde M.H.A.J. Bouwmeester-Wesdijk.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 10 juli 2006 verzocht om met ingang van 14 oktober 2005 in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) voor een alleenstaande. Bij besluit van 20 juli 2006 heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld dat deze aanvraag is afgewezen.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 9 november 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, alhier bekend onder nummer 06/4903. Tevens heeft verzoeker aan de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 9 januari 2007, waar verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is de gemachtigde van verweerder verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien het in de bodemprocedure bestreden besluit naar voorlopig oordeel onrechtmatig is te achten en om die reden zal worden vernietigd, terwijl tevens voldoende spoedeisend belang aanwezig is.

Bij twijfel omtrent de rechtmatigheid van het in geding zijnde besluit zal dienen te worden bezien of na afweging van de betrokken belangen grond bestaat voor het treffen van een voorziening. Daarbij dient het belang van de indiener van het verzoek om een voorlopige voorziening te worden afgewogen tegen het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

3. De voorzieningenrechter zal overeenkomstig artikel 8:86, lid 1, van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak en overweegt daartoe het volgende.

4. De voorzieningenrechter acht de navolgende feiten en omstandigheden van belang.

5. Bij verzoeker is vanwege een tumor aan de long op 13 oktober 2005 een halve long operatief verwijderd. Op 14 oktober 2005 heeft de broer van verzoeker zich tot het Centrum voor Werk en inkomen (CWI) van de gemeente Oss gewend om een bijstandsuitkering aan te vragen voor verzoeker. Verzoeker is na ontslag uit het ziekenhuis in oktober 2005 bij zijn ex-echtgenote mevrouw [ex-echtgenote] gaan wonen. Zij zijn met elkaar gehuwd geweest van 7 juli 1972 tot 25 juni 1991 en hebben samen kinderen. Op 10 juli 2006 heeft verzoeker de aanvraag ingediend waarbij is verzocht om met ingang van 14 oktober 2005 in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de WWB. Deze aanvraag is bij het primaire besluit van 20 juli 2006 afgewezen, aangezien hij eerder getrouwd is geweest met mevrouw [ex-echtgenote] en daarom wordt aangenomen dat hij een gezamenlijke huishouding met haar voert (artikel 3, vierde lid, onder a van de WWB).

6. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder met een gewijzigde motivering geweigerd verzoeker in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WWB. Daarbij heeft verweerder overwogen dat uit het huwelijk van verzoeker en mevrouw [ex-echtgenote] kinderen zijn geboren. Op grond van artikel 3, vierde lid, onder b van de WWB wordt daarom aangenomen dat hij een gezamenlijke huishouding voert met mevrouw [ex-echtgenote]. Verweerder heeft notie genomen van het feit dat verzoeker wel genoodzaakt was om bij zijn ex-echtgenote te gaan wonen omdat er niet direct andere huisvesting voorhanden was. Er is volgens verweerder echter geen sprake van zeer dringende redenen op grond waarvan toch overgegaan kan worden tot toekenning van een bijstandsuitkering.

7. Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder er ten onrechte van uit gaat dat hij een gezamenlijke huishouding voert met mevrouw [ex-echtgenote]. Hij is in oktober 2005 geopereerd. Tot die tijd stond hij wel ingeschreven op een adres van familie, maar feitelijk sliep hij in zijn winkel. Die winkel heeft hij vanwege zijn ernstige ziekte moeten sluiten. Ander onderdak had hij niet. Na zijn ontslag uit het ziekenhuis had hij geen woonruimte en hebben de kinderen voor hem geregeld dat hij bij mevrouw [ex-echtgenote] voor een korte periode als kostganger terecht kon. Hij heeft met haar een kostgangersovereenkomst gesloten. Verzoeker is al ruim 16 jaar gescheiden van mevrouw [ex-echtgenote]. In die 16 jaar is verzoeker ook nog een aantal jaren gehuwd geweest met een ander. De kinderen zijn niet geboren uit de relatie met mevrouw [ex-echtgenote] nadat hij na zijn operatie in de woning van mevrouw [ex-echtgenote] is gaan wonen. Die kinderen zijn volwassen en wonen zelfstandig. Verweerder heeft dan ook ten onrechte geen onderzoek gedaan naar zijn levensomstandigheden. Ter zitting heeft de gemachtigde voorts gesteld dat op grond van de uitspraak van de CRvB van 29 november 2005, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN-nummer AU7657 de temporele werking voor geheel artikel 3, vierde lid van de WWB van toepassing is.

8. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of verweerder terecht en op goede gronden heeft geweigerd verzoeker over de periode vanaf 14 oktober 2005 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WWB.

9. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de WWB wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop het recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

Op grond van het tweede lid heeft de belanghebbende zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij de Centrale organisatie werk en inkomen.

Wanneer de aanvraag vervolgens niet zo spoedig mogelijk wordt ingediend na de melding en hem dat te verwijten valt kan, volgens het derde lid, het college in afwijking van het eerste lid besluiten dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend.

10. Op grond van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 maart 2006, gepubliceerd op rechtspraak.nl LJN: AV8690, wordt voor het recht op uitkering ingevolge de WWB in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de melding bij de Centrale organisatie werk en inkomen heeft plaatsgevonden, dan wel in voorkomende gevallen de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

11. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld op grond van het volgende.

12. Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de voorzieningenrechter staat vast, dat verzoeker zich op 10 juli 2006 heeft gemeld als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de WWB. Echter, tussen partijen is evenmin in geschil dat de broer van verzoeker - die daartoe was gemachtigd door verzoeker - al eerder heeft geprobeerd een aanvraag in te dienen voor verzoeker, maar dat hij toen niet in staat is gesteld die aanvraag in te dienen. Dit blijkt onder meer uit gedingstuk 18, waarin is opgenomen dat de broer van verzoeker zich op 14 oktober 2005 voor de eerste keer heeft gemeld bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI) voor een uitkering voor verzoeker. Verzoeker was de dag ervoor geopereerd. Hij werd 5 dagen in coma gehouden. Deze broer is op 19 december 2005 wederom bij het CWI geweest en heeft gepoogd de bijstandsaanvraag in te dienen voor verzoeker. Deze aanvraag is door het CWI niet ingenomen omdat verzoeker op dat moment bij zijn ex-echtgenote mevrouw [ex-echtgenote] woonde en daarom werd aangenomen dat zij een gezamenlijke huishouding voerden.

13. De voorzieningenrechter stelt vast dat in ieder geval het CWI niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 28, eerste lid, laatste zin, van de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen (Wet SUWI). Het CWI dient op grond van voormeld artikel immers vast te leggen op welke dag zij naam, adres en woonplaats van belanghebbende heeft geregistreerd en hem in staat heeft gesteld zijn aanvraag in te dienen. Het gevolg van deze omissie is dat geen overdracht van de aanvraag heeft plaatsgevonden aan burgemeester en wethouders als bedoeld in het derde lid van artikel 28. In dat lid valt tevens te lezen dat het CWI gegevens en bewijsstukken die worden overgelegd dient te onderzoeken en haar oordeel hieromtrent dient te geven aan burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente. Bovendien is in het vijfde lid bepaald dat artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing is, hetgeen betekent dat het CWI niet kan besluiten de aanvraag niet te behandelen. Het is uiteindelijk verweerder die een beslissing neemt op de aanvraag en niet het CWI. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het CWI verzoeker, door zijn broer niet in de gelegenheid te stellen namens hem een aanvraag in te dienen, heeft benadeeld. Immers, aan hem is de mogelijkheid ontnomen om tegen een eventueel afwijzend besluit in bezwaar (en beroep) te komen, hetgeen in die zin van belang is dat uit artikel 7:11 van de Awb voortvloeit dat op het bezwaar dient te worden beslist met inachtneming van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden, zodat niet kan worden voorbij gegaan aan feiten die een ander licht werpen op de toestand zoals die was op de datum van aanvraag. (Zie CRvB 8 maart 2005, NABW 02/4605.)

14. Op grond van het voorgaande oordeelt de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit voor wat betreft de beoordelingsdatum niet in stand kan blijven. Verweerder zal een nieuw besluit dienen te nemen, waarbij als uitgangspunt voor de beoordelingsdatum in aanmerking dient te worden genomen dat verzoekers broer zich op 14 oktober 2005 heeft gemeld bij het CWI en op 19 december 2005 ten onrechte niet in staat is gesteld een aanvraag in te dienen. Daarbij zullen de feiten en omstandigheden zoals ze in die periode waren in acht dienen te worden genomen.

15. Met betrekking tot dat nieuw te nemen besluit overweegt de rechtbank als volgt.

16. Gezamenlijke huishouding

Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;

b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;

c. (...)

d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.

17. Ingevolge artikel 4, aanhef en onder d van de WWB wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder een kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind.

18. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB belet het in artikel 3, vierde lid, van de WWB neergelegde zogenaamde “onweerlegbaar rechtsvermoeden” belanghebbenden niet om zowel het hoofdverblijf als het feitelijk bestaan van (een van) de vier daarin omschreven situaties, te betwisten (zie bijvoorbeeld CRvB29 januari 2002, JABW 2002/47) .

19. Tussen partijen staat echter vast dat uit het huwelijk van verzoeker en mevrouw [ex-echtgenote] kinderen zijn geboren. Voorts is niet in geschil dat verzoeker en mevrouw [ex-echtgenote] hoofdverblijf hebben op hetzelfde adres.

20. Gelet hierop en gelet op het hierna volgende heeft verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 3 aanhef, vierde lid sub b van de WWB aangenomen moest worden dat verzoeker een gezamenlijke huishouding voerde met mevrouw [ex-echtgenote].

21. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een temporele werking bij de toepassing van artikel 3, vierde lid onder b van de WWB zoals zijdens verzoeker is gesteld.

22. In de door verzoeker genoemde uitspraak van de CRvB van 29 november 2005 waaruit volgens verzoeker blijkt van een temporele werking voor geheel artikel 3, vierde lid van de WWB is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet een dergelijke opvatting te lezen.

23. In deze uitspraak heeft de CRvB geconcludeerd dat er in de tekst en de wetsgeschiedenis van de Algemene bijstandswet (Abw) en de WWB geen redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond is te vinden voor het onderscheid dat wordt gemaakt inzake de temporele beperking van het onweerlegbaar rechtsvermoeden in het aannemen van een gezamenlijke huishouding tussen ex-gehuwden en personen die eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.

Weliswaar is in deze uitspraak na deze conclusie van de CRvB de volgende overweging opgenomen “Op grond hiervan komt de Raad tot de slotsom dat het in strijd is met artikel 26 van het IVBPR om bij de toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, van de Abw in het geval van ex-gehuwden niet ook de temporele werking te hanteren zoals die (inmiddels) wordt gehanteerd bij personen die eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.”, echter, in de gehele uitspraak is alleen sprake van de situatie genoemd in artikel 3, vierde lid onder a van de WWB. De rechtbank ziet in deze uitspraak dan ook geen grond voor toepassing van een temporele beperking in een situatie als bedoeld in artikel 3, vierde lid onder b van de WWB.

24. Ook wanneer het kind inmiddels ouder is dan 18 jaar, zoals door verzoeker is aangevoerd, en niet meer in gezinsverband met de (inmiddels weer samenwonende) ouders leeft zal er volgens de letter van de wet (artikel 3, vierde lid onder b in samenhang met artikel 4 aanhef en onder d van de WWB) sprake zijn van een gezamenlijke huishouding. De voorzieningenrechter wijst dienaangaande tevens op de uitspraak van de CRvB van 29 april 2002, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: AJ9906 waarin de CRvB overweegt dat voor de toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder b (oud) van de Abw niet de eis is gesteld dat het kind is geboren op een tijdstip dat de belanghebbenden gehuwd waren, een gezamenlijke huishouding voerden of anderszins een al dan niet zakelijke relatie met elkaar onderhielden respectievelijk dat die relatie onafgebroken tot het tijdstip van de beoordeling van het recht op uitkering heeft voortgeduurd.

25. Dringende redenen

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van zeer dringende redenen om op grond van artikel 16 van de WWB toch over te gaan tot bijstandsverlening.

26. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat er in oktober 2005, de periode met ingang waarvan om bijstand is verzocht, wel sprake was van zeer dringende redenen. Verzoeker had een ernstige longziekte, had toen een zware operatie ondergaan waarbij een long was verwijderd, was ontslagen uit het ziekenhuis, had geen onderdak, en had verzorging nodig. Dit laatste blijkt ook uit het verslag van de hoorzitting van 9 oktober 2006 (gedingstuk 28) waarin is vermeld dat plaatsing in het Verdihuis geen optie is omdat daar geen zorg wordt geboden. Tevens is daarin sprake van verzorging door de Thuiszorg bij zelfstandige huisvesting. Dit geheel van feiten, in samenhang met de conclusie van verweerder zelf in het bestreden besluit dat verzoeker genoodzaakt was zich bij zijn ex-echtgenote te vestigen, leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat er in oktober 2005 sprake was van zeer dringende redenen op grond waarvan in afwijking van artikel 3, vierde lid, onder b van de WWB onder toepassing van artikel 16 van de WWB bijstand kon worden verstrekt. Of die situatie thans nog bestaat of tot wanneer die heeft bestaan is op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet te beoordelen. Verweerder zal zich bij het nieuw te nemen besluit hierover uit dienen te laten.

27. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter zal verweerder dan ook opdragen om verzoeker met ingang van 18 december 2006 (de datum waarop het verzoek om een voorlopige voorziening ter griffie is ingekomen) bijstand te verlenen naar de norm voor een alleenstaande die kostganger is, zulks tot zes weken nadat opnieuw op het bezwaarschrift is beslist.

28. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 966,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00

• wegingsfactor 1.

29. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door de gemeente Oss aan verzoeker in beide zaken het door hem gestorte griffierecht ad totaal € 76,00 dient te worden vergoed.

30. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in dier voege dat met ingang van 18 december 2006 aan verzoeker bijstand naar de norm voor een alleenstaande wordt verstrekt, zulks tot zes weken nadat door verweerder opnieuw op het bezwaar is beslist;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast de gemeente Oss aan verzoeker te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ad € 76,00;

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten vastgesteld op € 966,00;

- wijst de gemeente Oss aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. M.G.P.A. Burghoorn als rechter en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van J.H. van Wordragen-van Kampen als griffier op 12 januari 2007.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak – voor zover daarbij op het beroep is beslist - binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden: