Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:152

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-12-2007
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
138551 - HA ZA 06-374
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

“Maatschap. Geen schriftelijke maatschapsovereenkomst. Uit feiten toch maatschap afgeleid.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/474
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 's -Hertogenbosch

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 138551 / HA ZA 06-374

Vonnis van 19 december 2007

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. [eiser sub 4]

[eiser sub 4]

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. G.J.L.F.M. Schakenraad,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. [gedaagde sub 3]

[gedaagde sub 3]

wonende te [vestigingsplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. A.P.P.M. van Beurden.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden. Eisers worden afzonderlijk aangeduid als respectievelijk [eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] . Gedaagden worden afzonderlijk aangeduid als respectievelijk [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de akte vermeerdering van eis tevens houdende producties

  • -

    de akte in incident (intrekking incidentele vordering) en hoofdzaak, houdende producties en aanvulling en vermindering van eis in de hoofdzaak

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1] is opgericht op 29 mei 1987 door de vader van [gedaagde sub 3] , de heer [naam vader] , in zijn hoedanigheid van directeur van [naam beheer BV] . [naam beheer BV] was voorheen genaamd Dierenartsenpraktijk [voormalige naam DAP] , dezelfde naam als [gedaagde sub 1] derhalve. Aandeelhouder van [gedaagde sub 1] was [naam beheer BV] ; [naam vader] (hierna: [naam vader] ) werd directeur. De voorheen onder de naam “Dierenartsenpraktijk [voormalige naam DAP] ” uitgeoefende dierenartsenpraktijk werd in [gedaagde sub 1] ingebracht.

2.2.

[eiser sub 1] , [eiser sub 2] en [gedaagde sub 3] waren tot 1 januari 1987 als dierenartsen in loondienst van Dierenartsenpraktijk [voormalige naam DAP] . Na 1 januari 1987 zijn [eiser sub 1] , [eiser sub 2] en [gedaagde sub 3] blijven werken als dierenarts, maar niet meer in loondienst. Zij, althans hun BV’s (zie hierna onder 2.3), ontvingen voortaan ieder kwartaal van [gedaagde sub 1] een vast bedrag onder de noemer “voorschot” alsmede éénmaal per jaar een variabel bedrag onder de noemer “winst”.

2.3.

In de loop van 1987/1988 zijn de besloten vennootschappen Dierenartsenpraktijk [naam DAP eis sub 1] , [eiser sub 2] en [gedaagde sub 2] opgericht. Directeur/enig aandeelhouder van deze BV’s zijn respectievelijk [eiser sub 1] , [eiser sub 2] en [gedaagde sub 3] .

2.4.

[eiser sub 4] is op 1 oktober 1987 als dierenarts in loondienst gekomen bij [gedaagde sub 1] . Op 1 januari 1990 is [eiser sub 4] deel gaan uitmaken van het samenwerkingsverband, waarvan [gedaagde sub 1] en de BV’s van [eiser sub 1] , [eiser sub 2] en [gedaagde sub 3] reeds deel uitmaakten. Vanaf die datum ontving ook hij ieder kwartaal een vast bedrag onder de noemer “voorschot” en éénmaal per jaar een variabel bedrag onder de noemer “winst”. Op 11 augustus 1994 heeft [eiser sub 4] de besloten vennootschap [naam BV eis sub 4] opgericht.

2.5.

Op 3 mei 1993 is een overeenkomst gesloten tussen [gedaagde sub 1] en [eiser sub 3] i.o., vertegenwoordigd door haar oprichter [naam oprichter] (hierna: [naam oprichter] ). Artikel 1 van deze overeenkomst luidt: “Partij sub 2 ( [eiser sub 3] i.o.) zal toetreden tot de maatschap waarin partij sub 1 ( [gedaagde sub 1] ) samen met anderen haar dierenartsenpraktijk uitoefent, met ingang van 1 juni 1993, zulks voor een tijd van 1 jaar tegen een voorschot op de winst van ƒl.30.000 per kwartaal. Deze voorschotten zullen worden verrekend met het aandeel in de winst dat aan partij sub 2 toekomt.” Blijkens de overeenkomst worden partijen geacht een nieuwe overeenkomst te zijn aangegaan, indien zij na 1 jaar de relatie voortzetten.

2.6.

[eiser sub 3] is in 1993 deel uit gaan maken van het onder 2.4. genoemde samenwerkingsverband.

2.7.

Op 22 december 1994 zijn de aandelen in [gedaagde sub 1] geleverd aan [gedaagde sub 2] . Het betrof 250 aandelen van ƒ 500,--. De totale koopsom bedroeg blijkens de leveringsakte

ƒ 1.725.000,--.

2.8.

[naam vader] heeft sinds 1 januari 1995 niet meer als dierenarts deelgenomen aan de samenwerking. [naam vader] is inmiddels overleden.

2.9.

De balans van [gedaagde sub 2] per 31 december 1995 laat een post “Immateriële vaste activa” zien van ƒ 1.600.000,-- per 31 december 1994 en ƒ 1.280.000,-- per 1 december 1995. Volgens de grondslagen voor de financiële verslaggeving wordt goodwill in 5 jaren afgeschreven.

2.10.

[gedaagde sub 2] is eigenaar van het pand aan de [adres] . Zij verhuurt dit pand aan [gedaagde sub 1] . Tot 27 februari 2006 oefenden [eisers] en [gedaagde sub 3] gezamenlijk de dierenartsenpraktijk uit in dit pand. Dit pand wordt hierna aangeduid als “de praktijk”.

2.11.

De vaste accountant van [gedaagde sub 1] is BDO CampsObers (hierna BDO).

2.12.

[gedaagde sub 3] , althans [gedaagde sub 2] , beheert sinds 1 januari 1995 de financiën van [gedaagde sub 1] . Tot 27 februari 2006 behelsde dit beheer het betalingsverkeer van de gezamenlijke dierenartsenpraktijk. Tot 27 februari 2006 was personeel dat werkzaam was binnen de dierenartsenpraktijk steeds in dienst van [gedaagde sub 1] .

2.13.

De Belastingdienst Ondernemingen Helmond heeft op 10 september 1999 rapport uitgebracht inzake een op 31 augustus 1999 afgelegd bezoek aan de praktijk. Dit rapport vermeldt onder meer het volgende: “De onderneming wordt gedreven in de vorm van een Besloten Vennootschap. De naam van de BV is Dierenartsenpraktijk [naam werkmaatschappij] (werkmaatschappij), waarvan 100% aandeelhouder is: Dierenartsenpraktijk [gedaagde sub 2] (beheermaatschappij). De andere 4 maten nemen niet deel in de werkmaatschappij, maar ontvangen alleen een winstdeel. Winstgerechtigd zijn de onderscheidene maten. Dit geschiedt in de vorm van:

  1. vooraf afgesproken winstdeling en

  2. een nabetaling.

De overige winst wordt ter beschikking gesteld van Dierenartsenpraktijk [gedaagde sub 2] als vergoeding voor de ingebrachte goodwill.

Ik heb met de belastingplichtige, namens deze de heer [gedaagde sub 3] ( [gedaagde sub 3] , rb.), de volgende afspraak gemaakt: …”.

Blijkens het rapport zijn de 5 maten: Dierenartsenpraktijk [gedaagde sub 2] , Dierenartsenpraktijk [eiser sub 2] , Dierenartsenpraktijk [naam DAP eis sub 1] , [naam BV eis sub 4] en [eiser sub 3] .

2.14.

Cadans Uitvoeringsinstelling B.V., afdeling looninspectie Eindhoven heeft op 27 maart 2001 looncontrole ingesteld bij de praktijk. Hiervan is verslag opgemaakt, dat is toegezonden aan BDO. Dit verslag vermeldt dat is gesproken met [gedaagde sub 3] . Vervolgens vermeldt het verslag: “Tijdens de controle is naar voren gekomen dat er sprake is van een dierenartspraktijk in maatschapsverband. De maten zijn geen aandeelhouder in [gedaagde sub 1] maar ontvangen wel een winstdeel.” Als maten worden, naast [gedaagde sub 1] , genoemd [naam BV eis sub 4] (enig aandeelhouder [eiser sub 4] ), [eiser sub 3] , (enig aandeelhouder [naam oprichter] ), Dierenartspraktijk [naam DAP eis sub 1] (enig aandeelhouder [eiser sub 1] ), [eiser sub 2] (enig aandeelhouder [eiser sub 2] ).

2.15.

[gedaagde sub 3] heeft door BDO berekeningen laten maken voor de winstafrekeningen over de jaren 2001 t/m 2004. Deze berekeningen zijn door [gedaagden] in het geding gebracht (productie 27). Deze berekeningen vermelden de volgende uitgangspunten:

“1. De per kwartaal uitbetaalde winstaandelen staan vast.

2. Het ondernemingsrisico voor [gedaagde sub 2] ]wordt vastgesteld op de netto-winst + de vaste winstaandelen vermenigvuldigd met de door de Maatschappij voor diergeneeskunde gehanteerde factoren voor de berekening van de goodwill (1,5 x 1,25=1,875) en gedeeld door de afschrijvingsperiode van goodwill (5 jaar).

2. Het ondernemingsrisico voor

wordt vastgesteld op de netto-winst + de vaste winstaandelen vermenigvuldigd met de door de Maatschappij voor diergeneeskunde gehanteerde factoren voor de berekening van de goodwill (1,5 x 1,25=1,875) en gedeeld door de afschrijvingsperiode van goodwill (5 jaar).

4. De winst voor belastingen zoals ... berekend minus de winst voor belastingen na vast winstaandeel is de nabetaling over het boekjaar. Dit bedrag wordt gedeeld door 5 personen…”

4. De winst voor belastingen zoals ... berekend minus de winst voor belastingen na vast winstaandeel is de nabetaling over het boekjaar. Dit bedrag wordt gedeeld door 5 personen…”

2.16.

In de loop van 2005 is een geschil ontstaan tussen [eisers] enerzijds en [gedaagden] anderzijds omtrent het op papier zetten van maatschapsafspraken.

2.17.

[gedaagden] hebben sinds 1995 jaarlijks een per saldo hoger inkomen uit de dierenartsenpraktijk ontvangen dan [eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] .

2.18.

Omstreeks 13 januari 2006 is door [eisers] een aantal beslagen gelegd ten laste van [gedaagden] . Ter opheffing van deze beslagen is door de Rabobank Asten op 31 maart 2006 een bankgarantie afgegeven.

2.19.

Sinds 27 februari 2006 oefenen [eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [naam oprichter] en [eiser sub 4] de dierenartsenpraktijk uit op het adres [adres] . [gedaagde sub 3] oefent nog steeds de dierenartsenpraktijk uit aan het adres [adres] .

3 Het geschil en de beoordeling in conventie en in reconventie

3.1.

Partijen verschillen van mening over de juridische kwalificatie van de samenwerking tussen partijen zoals die al vanaf 1987 en in gewijzigde samenstelling vanaf 1995 (na het vertrek van [naam vader] ) heeft plaatsgevonden, alsmede over wat de financiële consequenties zouden moeten zijn van de samenwerking tussen partijen. [eisers] zijn van mening dat sinds 1987 sprake is van een maatschap en dat, tot 27 februari 2006 dan wel totdat de maatschap rechtsgeldig zal zijn beëindigd en met terugwerkende kracht tot 1 januari 1995, dient te worden afgerekend op basis van gelijkwaardigheid tussen [eisers] en [gedaagde sub 3] , althans diens BV, althans [gedaagde sub 1] . [gedaagden] zijn van mening dat geen sprake is van een maatschap, maar van langjarige overeenkomsten van opdracht, althans overeenkomsten sui generis. [gedaagden] stellen zich op het standpunt dat er tot 27 februari 2006 niets te verrekenen valt, maar dat de inkomsten die [eisers] na die datum hebben gegenereerd, aan hen toekomen.

3.2.

[eisers] vorderen in conventie, na vermindering en vermeerdering van eis samengevat –

bij tussenvonnis:

[gedaagden] te veroordelen rekening en verantwoording af te leggen over de periode 1995 tot en met 2005 en daartoe de jaarrekeningen over die jaren compleet over te leggen alsmede de door eisers benoemde accountant inzage te geven in alle boeken en bescheiden betreffende de samenwerking met en in het maatschapsverband Dierenartsenpraktijk [vestigingsplaats] , opdat [eisers] hun vordering middels een wijziging van eis zullen kunnen formuleren;

[gedaagden] te veroordelen de zogenaamde “winstafrekeningen” over de jaren 1995 tot en met 2001 aan [eisers] te verstrekken;

de ontbinding van de maatschap uit te spreken en de gevolgen daarvan te bepalen als nader zal worden verzocht;

bij eindvonnis:

primair:

  • -

    [gedaagde sub 1] te veroordelen om de wederrechtelijk toegeëigende omzetgelden terug te storten op de door [eisers] nader te noemen bankrekening, ter vaststelling en uitdeling aan ieder der vijf maten;

  • -

    [gedaagde sub 2] te veroordelen de van [gedaagde sub 1] verkregen dividenden over de jaren 1995 tot en met 2005 te storten op de door [eisers] nader te noemen bankrekening ter vaststelling en uitdeling aan ieder der vijf maten;

  • -

    [gedaagde sub 3] te veroordelen de van [gedaagde sub 2] verkregen dividenden en/of arbeidsbeloning over de jaren 1995 tot en met 2005 te storten op de door [eisers] nader te noemen bankrekening ter vaststelling en uitdeling aan ieder der vijf maten;

subsidiair:

[gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om aan elk van [eisers] te voldoen een bedrag van EUR 423.821,--, vermeerderd met rente ad EUR 240.074,--, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 januari 2006;

3.3.

In reconventie vorderen [gedaagden] samengevat –

  1. [eisers] hoofdelijk te veroordelen tot onmiddellijke afgifte aan mr. Schakenraad van de namens [gedaagden] verzonden bankgarantie;

  2. voor recht te verklaren dat [eisers] met hun beslaglegging onrechtmatig hebben gehandeld jegens [gedaagden] en aldus aansprakelijk zijn voor de door [gedaagden] als gevolg van deze beslagen c.q. de tot opheffing gestelde bankgarantie(s) geleden schade, op te maken bij staat;

  3. voor recht te verklaren dat [eisers] jegens [gedaagde sub 1] toerekenbaar tekort geschoten zijn in de nakoming van de jegens [gedaagde sub 1] bestaande verbintenissen door tezamen de dierenartsenpraktijk te gaan uitoefenen op het adres [adres] , zulks zonder voorafgaande opzegging van de met [gedaagde sub 1] lopende overeenkomsten met inachtneming van een redelijke opzegtermijn;

  4. voor recht te verklaren dat [eisers] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [gedaagden] door hen in diskrediet te brengen door uitlatingen als: “ [gedaagde sub 3] fraudeert en schuift met gelden” en “ [gedaagde sub 3] heeft geld ontvreemd” en “ [gedaagde sub 3] fraudeert in de praktijk”;

  5. [eisers] hoofdelijk te veroordelen om binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis rekening en verantwoording af te leggen van alle door hen vanaf 27 februari 2006 gerealiseerde praktijkinkomsten en daartoe met name alle door hen aan derden gezonden en/of aan derden ter hand gestelde facturen aan [gedaagde sub 1] ter beschikking te stellen, althans de door [gedaagde sub 1] aangewezen accountant van BDO CampsObers inzage te geven in alle boeken en bescheiden betreffende de dierenartsenpraktijk van Diergeneeskundig Centrum [vestigingsplaats] en haar maten, teneinde de praktijkinkomsten sedert 27 februari 2006 vast te (kunnen) stellen;

het onder 2 en 6 (de rechtbank begrijpt: onder 1 en 5) gevorderde op straffe van een dwangsom van EUR 5.000 per dag of gedeelte daarvan dat [eisers] in gebreke blijven om aan de veroordeling te voldoen;

6. [eisers] hoofdelijk te veroordelen om alle sinds 27 februari 2006 ontvangen en/of nog te ontvangen betalingen van klanten/debiteuren van de dierenartsenpraktijk van Diergeneeskundig Centrum [vestigingsplaats] integraal aan [gedaagde sub 1] door te betalen, vermeerderd met rente, en wel binnen 2 dagen na betekening van het vonnis dan wel binnen 2 dagen nadat [eisers] de betalingen zullen hebben ontvangen;

het onder 6 en 7 (de rechtbank begrijpt: onder 5 en 6) gevorderde tot het moment dat aan de samenwerking tussen [gedaagde sub 1] en [eisers] rechtsgeldig een einde zal zijn gekomen;

7. [eisers] te veroordelen om aan [gedaagden] te voldoen een bedrag van

EUR 8.715,-- (de inkoopwaarde van de door [eisers] op 27 februari 2006 meegenomen zaken), vermeerderd met rente;

8. [eisers] te veroordelen om aan [gedaagden] de schade te vergoeden die [gedaagden] lijden als gevolg van de voortijdige feitelijke beëindiging van de samenwerking door het vertrek naar het praktijkadres aan de [adres] en de praktijkvoering aldaar vanaf 27 februari 2006;

9. [eisers] hoofdelijk te veroordelen om aan [gedaagden] te vergoeden alle door [gedaagden] gemaakte en nog te maken en nader te specificeren kosten van advocaten, accountants en fiscalisten in het kader van de tussen partijen gerezen geschillen, een en ander onder aftrek van de ten laste van [eisers] geliquideerde proceskosten in de bodem- en kort geding procedure(s).

Maatschap

3.4.

De maatschap is een overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het voordeel dat daaruit ontstaat met elkaar te delen (artikel 7A:1655 BW). De inbreng kan bestaan in geld, goederen, genot van goederen en arbeid (artikel 7A:1662, lid 1 BW).

Een ondertekende overeenkomst van maatschap is in casu niet voorhanden. De overeenkomst van maatschap is echter een consensuele, vormvrije overeenkomst. Een schriftelijke overeenkomst is derhalve niet noodzakelijk. De maatschap kan zelfs stilzwijgend worden aangegaan: op grond van gedragingen van partijen kan de wederzijdse toestemming tot en de totstandkoming van een maatschap door de rechter worden aanvaard (HR 24 juni 1932, NJ 1932, 1587).

3.5.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een maatschap als bedoeld in artikel 7A:1655 BW tussen enerzijds [eisers] en anderzijds [gedaagde sub 2] . De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

3.5.1.

Niet in geschil is dat [eisers] en [gedaagde sub 3] / [gedaagde sub 2] ieder arbeid als dierenarts hebben ingebracht. Aan het vereiste van inbreng is derhalve voldaan. Dat [gedaagden] daarnaast meer, zoals (het huurrecht van) de praktijk, hebben ingebracht doet daaraan niet toe of af.

3.5.2.

Ook staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat het uit de samenwerking tussen partijen ontstane voordeel is gedeeld, immers is ieder jaar berekend wat de totale winst van de dierenartsenpraktijk was, waarna deze winst (onder aftrek van de voorschotten) werd verdeeld.

[gedaagden] voeren weliswaar aan dat sprake was van vaste vergoedingen (dus niet van voorschotten op de winst), maar naar het oordeel van de rechtbank valt dat niet serieus te nemen. Vast staat dat de kwartaalbetalingen werden gedaan onder de noemer “voorschot” en dat daarnaast éénmaal per jaar onder de noemer “winst” bedragen werden uitgekeerd, waarvan de hoogte van jaar tot jaar wisselde. Blijkens de aan de Belastingdienst gegeven informatie (zie 2.12) ging het om een “vooraf afgesproken winstdeling en een nabetaling”.

Het feit dat de verdeling ongelijkwaardig was en wat daarvan de gevolgen zijn zal de rechtbank hierna bespreken onder “financiële consequenties”, doch doet aan hetgeen hiervoor werd overwogen niet af.

3.5.3.

[gedaagden] stellen voorts nog dat [eisers] niet verplicht waren bij te dragen in verlies. [gedaagden] verzuimen om te stellen dat dit ook zo tussen partijen is afgesproken, maar zelfs áls dit zo tussen partijen zou zijn afgesproken, zou dat [gedaagden] niet kunnen baten. Immers is het in een maatschap geoorloofd te bedingen dat alle verliezen bij uitsluiting door een of meer der vennoten gedragen zullen worden (artikel 7A:1672 lid 2 BW).

3.5.4.

Ook de Belastingdienst en Cadans beschouwen het samenwerkingsverband als een maatschap, waarbij aantekening verdient dat genoemde instellingen tot dit inzicht zijn gekomen op basis van informatie die hen door [gedaagde sub 3] is verstrekt. [gedaagden] stellen omtrent de door de Belastingdienst en Cadans gegeven kwalificatie dat sprake zou zijn van een “fiscale maatschap”, hetgeen volgens hen iets anders is dan een “civiele maatschap”. Zonder nadere uitleg, die ontbreekt, ziet de rechtbank echter niet in waarom het samenwerkingsverband zoals omschreven door respectievelijk de Belastingdienst en Cadans (zie 2.13 en 2.14) níet als een maatschap in de zin van artikel 7A:1655 BW moet worden beschouwd.

3.5.5.

De hiervoor onder 2.5. genoemde overeenkomst tussen [gedaagde sub 1] en [eiser sub 3] i.o. spreekt verder ook uitdrukkelijk van het bestaan van een maatschap en bepaalt dat de per kwartaal betaalde voorschotten zullen worden verrekend met het aandeel in de winst dat aan [eiser sub 3] i.o. toekomt. Weliswaar stellen [gedaagden] dat dit een “voorovereenkomst” is en dat die voorovereenkomst geen aanknopingspunt biedt voor het bestaan van een maatschapsovereenkomst, maar deze stelling is zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, in het licht van de vaststaande feiten en gelet op hetgeen hiervoor werd overwogen, onbegrijpelijk. [gedaagden] maken ook niet duidelijk op welke overeenkomst deze door hen gestelde voorovereenkomst zou moeten preluderen.

3.5.6.

In de jurisprudentie en literatuur wordt ervan uitgegaan dat voor het aannemen van een maatschap sprake moet zijn van “affectio societatis” (de uit de inhoud van de overeenkomst af te leiden wil van de vennoten tot samenwerken op voet van gelijkheid).

[eisers] stellen dat zij een maatschap wilden op basis van een gelijkwaardige winstverdeling, dat zij op voet van gelijkwaardigheid met [gedaagde sub 3] hebben samengewerkt en dat [gedaagde sub 3] vele malen heeft verklaard dat alle maten hetzelfde voorschot ontvingen. Er is nooit gecommuniceerd dat de winstdelingen naar eigen goeddunken van [gedaagden] zijn vastgesteld. Daar zouden [eisers] nooit mee akkoord zijn gegaan, zo voeren zij aan.

[gedaagden] stellen dat de “affectio societatis” tussen partijen heeft ontbroken.

[gedaagden] stellen dat de structuur waarin partijen samenwerken in 1987 is opgezet om louter fiscale redenen. Voor de motieven en de achtergronden van de totstandkoming van die structuur verwijzen zij naar hetgeen [naam adviseur] aan het papier heeft toevertrouwd. [gedaagden] bieden bewijs aan van die motieven door het horen van drs. [naam adviseur] , adviseur van [naam vader] en later van [gedaagde sub 3] , werkzaam bij BDO, en [gedaagde sub 3] als getuigen.

3.5.7.

De rechtbank overweegt het volgende. Gelet op de - inmiddels gebleken - ongelijke wijze waarop de verdeling heeft plaatsgevonden lijkt het erop, achteraf bezien, dat bij [gedaagden] de “affectio societatis” heeft ontbroken. Echter is niet de subjectieve bedoeling van partijen beslissend voor de vraag of sprake is van “affectio societatis”. Het gaat om de wil van partijen, zoals deze uit de objectief te interpreteren inhoud van de overeenkomst, al dan niet uitdrukkelijk, blijkt. Gelet op het feit dat geen schriftelijke overeenkomst is opgemaakt, moet uit de gedragingen van partijen worden afgeleid of de affectio societatis (ook bij [gedaagden] in de persoon van [gedaagde sub 3] ) geacht kon worden aanwezig te zijn. De vraag is dan ook wat tussen partijen is afgesproken, hoe [gedaagde sub 3] de zaken heeft voorgesteld en of voor [eisers] duidelijk moet zijn geweest dat de “affectio societatis” bij [gedaagden] ontbrak en dat geen sprake was van gelijke verdeling van de winst.

De rechtbank passeert het door [gedaagden] gedane bewijsaanbod. Het had namelijk op de weg van [gedaagden] gelegen te stellen en te bewijzen aan te bieden dat partijen (mondelinge) overeenkomsten hebben gesloten met betrekking tot de ongelijke verdeling en/of met betrekking tot overige zaken, waaruit zou voortvloeien dat partijen niet hebben beoogd een maatschap in het leven te roepen. Dit hebben [gedaagden] nagelaten. [gedaagden] stellen enkel dat de afspraken tussen partijen blijken uit het feit dat één en ander gedurende 18 jaar heeft plaatsgevonden, zoals het heeft plaatsgevonden. [gedaagden] betwisten echter niet, althans onvoldoende onderbouwd, dat [eisers] regelmatig om verantwoording van de winstuitkeringen hebben verzocht en dat daarop afhoudend werd gereageerd, zoals [eisers] stellen, zodat dit vaststaat. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat tussen partijen géén afspraken zijn gemaakt in de door [gedaagden] gesuggereerde zin, erop neerkomend dat partijen niet in maatschapsverband samenwerkten. Voorts blijkt daaruit naar het oordeel van de rechtbank dat [gedaagden] in de persoon van [gedaagde sub 3] het bij hem ontbreken van de “affectio societatis” niet aan [eisers] hebben geopenbaard evenmin als het feit dat de winst niet gelijk werd verdeeld. Naar het oordeel van de rechtbank konden [eisers] uit de gedragingen van [gedaagde sub 3] dan ook niet afleiden dat bij hem de affectio societatis ontbrak, zodat zij die terecht aanwezig hebben geacht.

3.5.8.

Zoals al blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, overtuigt de stelling van [gedaagden] dat sprake is van langdurige overeenkomsten van opdracht dan wel van overeenkomsten sui generis niet, met name niet omdat [gedaagden] geen concrete feiten en omstandigheden stellen en te bewijzen aanbieden die op het bestaan van dergelijke overeenkomsten zouden kunnen duiden. [gedaagden] betogen weliswaar zeer uitvoerig waarom geen sprake is van een maatschap, doch laten na concreet aan te geven welke inhoud de door hen genoemde overeenkomst van opdracht respectievelijk de onbenoemde overeenkomst naar eigen aard heeft, hoe en tussen wie deze tot stand is of zijn gekomen, welke verbintenissen daaruit voortspruiten voor de betrokken partijen en hoe de vorderingen van [eisers] en [gedaagden] zich daartoe verhouden.

3.6.

De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat sinds 1987 sprake was van een maatschap, met aanvankelijk als maten [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [naam DAP eis sub 1] en [eiser sub 2] en later ook [eiser sub 4] / [naam BV eis sub 4] en [eiser sub 3] . Nadat [naam vader] is uitgetreden per 1 januari 1995 is de maatschap voortgezet door de maten [gedaagde sub 2] , [naam DAP eis sub 1] , [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [naam BV eis sub 4] . [gedaagde sub 1] moet sinds 1 januari 1995 geacht worden geen maat meer te zijn. Gelet op haar functie, zoals hiervoor onder 2.12 beschreven, alsmede op hetgeen daaromtrent aan de Belastingdienst en Cadans is meegedeeld, zoals hiervoor onder 2.13 en 2.14 weergegeven, is het door [eisers] ingenomen standpunt dat [gedaagde sub 1] vanaf 1 januari 1995 heeft gefunctioneerd als werkmaatschappij van de maatschap juist. Uit het standpunt van [gedaagden] dat de dierenartsenpraktijk uitsluitend werd uitgeoefend door en in [gedaagde sub 1] en uit hun (meer subsidiaire) standpunt dat [gedaagde sub 1] het genot van de dierenartsenpraktijk met klantenbestand en het genot van alle vlottende activa, het genot van de rechten en verplichtingen uit de lopende huurovereenkomst etc. heeft ingebracht, volgt dat het vermogen van [gedaagde sub 1] moet worden beschouwd als het maatschapsvermogen. Aangezien [gedaagde sub 3] , middels [gedaagde sub 2] , de financiële touwtjes binnen [gedaagde sub 1] in handen had, moet [gedaagde sub 2] worden beschouwd als de met het financiële beheer van de maatschap belaste maat, in de zin van artikel 7A:1673 BW.

Financiële consequenties

3.7.

Nu de rechtbank er in het vervolg van uitgaat dat vanaf 1987 sprake is van een maatschap tussen partijen en er voorts géén afspraken zijn gemaakt over ieders aandeel in de winst, heeft de rechtsverhouding tussen partijen de gevolgen die de wet aan de overeenkomst van maatschap verbindt: Ingevolge artikel 7A:1670 BW is ieders aandeel evenredig aan hetgeen hij in de maatschap heeft ingebracht en wordt het aandeel in de winsten en de verliezen ten aanzien van degenen die slechts hun arbeid hebben ingebracht berekend gelijk te staan met het aandeel van degene der vennoten die het minst heeft ingebracht. Met andere woorden: de aandelen in de winst van [eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] (die slechts hun arbeid hebben ingebracht) behoren even groot te zijn als het aandeel van [gedaagde sub 3] , die eveneens slechts zijn arbeid heeft ingebracht. Het door [gedaagden] ingenomen standpunt dat [eisers] niet verplicht waren bij te dragen in verlies is niet feitelijk onderbouwd, terwijl [eisers] ontkennen dat zulks tussen partijen is overeengekomen, zodat dit niet is komen vast te staan.

Het (meer subsidiaire) standpunt van [gedaagden] dat [gedaagde sub 1] het genot van de dierenartsenpraktijk met klantenbestand en het genot van alle vlottende activa, het genot van de rechten en verplichtingen uit de lopende huurovereenkomst etc. in de maatschap heeft ingebracht en dat haar daarom voorvergoedingen ten laste van de maatschapswinst toekomen, gaat niet op. Immers moet het vermogen van [gedaagde sub 1] , zoals hiervoor onder 3.6 overwogen, worden beschouwd als maatschapsvermogen.

Het feit dat het aandeel in de winst van [gedaagden] ieder jaar groter was dan de aandelen van [eisers] , zoals [gedaagden] volmondig erkennen, terwijl partijen daarover onderling geen afspraken hebben gemaakt, is derhalve strijdig met artikel 7A:1670 BW.

Goodwill

3.8.

[eisers] stellen dat de goodwill die [gedaagde sub 2] bij de overname van [gedaagde sub 1] aan [naam vader] heeft betaald ƒ 1.600.000,-- heeft bedragen en dat tussen partijen is afgesproken dat zij, via een inklimregeling, die goodwill in gelijke delen zouden verwerven. Het klantenbestand werd door [gedaagde sub 1] direct aan de maatschap ter beschikking gesteld en ingebracht en de goodwill zou door de maatschap aan [gedaagde sub 1] worden voldaan. Afgesproken werd dat de maten de goodwill in vijf jaarlijkse termijnen, verhoogd met de wettelijke rente zouden voldoen, welke verrekening in rekening-courant heeft plaatsgevonden. Dit is volgens [eisers] in de jaren 1995 tot en met 1999 gebeurd. Aangezien [eisers] de klantenkring bovendien zelf mede hebben opgebouwd, zijn zij van mening dat zij na 1999 geen goodwill meer verschuldigd zijn aan [gedaagde sub 2] .

[gedaagden] betwisten dat in de koopprijs van ƒ 1.725.000,-- voor [gedaagde sub 1] een bedrag van ƒ 1.600.000,-- aan goodwill is begrepen. Zij betwisten ook dat een inklimregeling is afgesproken. Zij betwisten dat [eisers] goodwill hebben betaald.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] de door [eisers] met feiten onderbouwde stelling dat zij de goodwill in vijf jaren hebben voldaan, onvoldoende gemotiveerd hebben betwist. Vast staat immers dat [gedaagde sub 2] jaarlijks een hoger bedrag aan winst kreeg uitgekeerd dan de andere maten. [gedaagde sub 3] heeft daaromtrent in 1999 aan de Belastingdienst meegedeeld dat deze “overige winst” ter beschikking van [gedaagde sub 2] werd gesteld als vergoeding voor de ingebrachte goodwill. Nu op de balans van [gedaagde sub 2] per 1 december 1994 een post “Immateriële vaste activa” ten bedrage van ƒ 1.600.000,-- is geactiveerd, welke post per 1 december 1995 ƒ 1.280.000,--, derhalve 20% minder, bedraagt en de toelichting op de jaarrekening vermeldt dat goodwill in vijf jaren wordt afgeschreven, gaat de rechtbank er, met [eisers] , van uit dit bedrag van ƒ 1.600.000,-- ziet op door [gedaagde sub 2] betaalde goodwill en dat dit bedrag in vijf jaar is afgeschreven. [eisers] hebben een pro forma berekening gemaakt van de ten onrechte achtergehouden winsten, waaruit volgens hen blijkt dat (ná voldoening van de volgens [eisers] afgesproken goodwillvergoeding over vijf jaar) gemiddeld EUR 50.000,-- per maat per jaar ten onrechte is achtergehouden. Nu [gedaagden] dit niet betwisten staat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast dat [eisers] over de jaren 1995 tot en met 1999 ruimschoots meer hebben betaald voor de goodwill dan de waarde die daaraan – blijkens de balans van [gedaagde sub 2] – toekwam. Wanneer daarbij wordt bedacht dat [eisers] de klantenkring zelf vanaf 1987 mede hebben opgebouwd, kan dan ook slechts worden geconcludeerd dat [gedaagde sub 2] , los van het antwoord op de vraag of partijen nu wel of niet een “inklimregeling” van vijf jaar hadden afgesproken, na 1999 geen recht meer had op hogere winstuitkeringen in verband met de door haar “voorgeschoten” goodwill.

in conventie voorts

niet-ontvankelijkheidsverweer

3.9.

[gedaagden] voeren aan dat [eiser sub 1] en [eiser sub 4] niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, voor zover zij deze hebben ingesteld in hun hoedanigheid van “rechtsopvolger” van Dierenartsenpraktijk [naam DAP eis sub 1] respectievelijk [naam BV eis sub 4] ..Voor zover [eiser sub 1] en [eiser sub 4] menen dat sprake is van contractsoverneming, stellen [gedaagden] dat zij geen medewerking hebben verleend aan contractsoverneming.

[eisers] voeren hiertegen aan dat de wisseling van privé-ondernemerschap naar BV-vorm en het weer terugkeren naar het privé-ondernemerschap door [eiser sub 4] , alsook het veranderen van BV naar privé-onderneming door [eiser sub 1] , in de maatschap werd geaccepteerd, ook door [gedaagde sub 3] . Zij verwijzen daartoe naar het gestelde terzake onder 2.17 in de conclusie van antwoord: “ [gedaagde sub 3] … maakte daar namens … geen punt van.” [eisers] wijzen erop dat de voorschot- en winstbetalingen door [gedaagde sub 1] op de gewijzigde rekeninghouder zijn aangepast en voorts ongewijzigd voortgezet. Volgens [eisers] hebben [gedaagden] dan ook ingestemd met de contractsoverneming door [eiser sub 1] en [eiser sub 4] van [naam DAP eis sub 1] respectievelijk [naam BV eis sub 4] .

De rechtbank overweegt het volgende. De medewerking van de wederpartij (in casu [gedaagden] ) bij contractsoverneming, kan in elke vorm worden verleend, ook stilzwijgend, zij het dat de wederpartij daden moet hebben verricht ten blijke van haar medewerking. [gedaagden] voeren aan dat uit het feit dat [gedaagde sub 1] zich niet heeft verzet tegen het feit dat [eiser sub 1] zijn werkzaamheden voor [gedaagde sub 1] ging verrichten geen bewijs is voor de contractsoverneming. Naar de rechtbank aanneemt bedoelt [gedaagden] te zeggen dat het feit dat [gedaagde sub 1] zich niet heeft verzet geen bewijs is voor haar medewerking aan de contractsoverneming. Dat is op zichzelf juist, maar er is niet alleen sprake van “stilzwijgen” van [eisers] . Vast staat dat [gedaagden] zijn blijven samenwerken met [eiser sub 1] respectievelijk [eiser sub 4] , telkens nadat zij hadden meegedeeld niet meer met hun BV, maar als privépersoon te willen samenwerken. Bovendien is niet betwist dat de voorschotbetalingen en winstuitkeringen daarna op hun privé-rekeningen werden overgemaakt. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat [gedaagden] het telkens met de contractsoverneming eens waren en daaraan medewerking hebben verleend. Ingevolge artikel 6:159 lid 2 BW zijn door de contractsoverneming alle (vorderings)rechten en verplichtingen op [eiser sub 1] respectievelijk [eiser sub 4] overgegaan, zodat zij kunnen worden ontvangen in hun vorderingen (ook) voor zover zij deze hebben ingesteld in hun hoedanigheid van rechtsopvolger van Dierenartsenpraktijk [naam DAP eis sub 1] respectievelijk [naam BV eis sub 4]

Beroep op rechtsverwerking

3.10.

[gedaagden] voeren aan dat het feitelijk gedrag van [eisers] vanaf 1987 tot 20 december 2005 volstrekt onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van geheel nieuwe winstdelingsaanspraken, gebaseerd op een maatschapsovereenkomst waarop [eisers] zich niet eerder jegens [gedaagden] hebben beroepen. In 18 respectievelijk 11 jaar hebben partijen samengewerkt zonder dat [eisers] ook aanspraak op de nu door hen gevorderde winstdeling hebben gemaakt en hebben [eisers] altijd genoegen genomen met de vaste en variabele vergoedingen die zij over de jaren 1987 tot en met 2004 hebben betaald gekregen. [gedaagden] stellen dat zij er gerechtvaardigd op hebben vertrouwd en ook op hebben kunnen vertrouwen dat de financiële afrekeningen tussen partijen in overeenstemming waren met de sedert 1987 tussen partijen geldende afspraken. [gedaagden] doen dan ook een beroep op rechtsverwerking door [eisers] .

[eisers] voeren daartegen aan dat zij steeds aanspraak hebben gemaakt op winstafrekening en toelichting daarop. Steeds is men met smoezen heengezonden. [eisers] verzoeken om winstdeling conform het wettelijk kader en niet om nieuwe winstdelingsafspraken. Dit recht op verantwoording c.q. dergelijke jaarrekeningen en winstafrekeningen is niet verwerkt. Enkel tijdsverloop is daartoe onvoldoende. Er doen zich geen bijzondere omstandigheden voor op grond waarvan geconcludeerd zou kunnen worden tot rechtsverwerking.

De rechtbank overweegt het volgende. Van rechtsverwerking zou sprake zijn indien [gedaagden] op grond van gedragingen het vertrouwen mochten hebben dat [eisers] van hun recht op gelijkwaardige verdeling zouden afzien. Vast staat echter, zoals hiervoor onder 3.5.7. is overwogen, dat [eisers] regelmatig om verantwoording van de winstuitkeringen hebben verzocht, maar dat daarop afhoudend werd gereageerd. [gedaagden] mochten dan ook niet het gerechtvaardigd vertrouwen hebben dat [eisers] geen beroep meer zouden doen op hun recht op gelijkwaardige verdeling, ook al zijn [eisers] lang blijven “stilzitten”.

Beroep op artikel 2:15 lid 5 BW

3.11.

Bij conclusie van dupliek in conventie doen [gedaagden] een beroep op artikel 2:15 lid 5 BW. Volgens [gedaagden] kunnen [eisers] zich, gelet op dit artikel, niet meer tegen de financiële afrekeningen verzetten, nu de jaarrekeningen van [gedaagde sub 1] door de betrokken aandeelhouders/ondernemers reeds zijn vastgesteld, aldus [gedaagden] . [eisers] hadden telkens uiterlijk tot één jaar na de ter inzage legging van de jaarrekeningen vernietiging van de jaarrekeningen kunnen vorderen. Nu zij dit niet hebben gedaan, kunnen zij de jaarrekeningen van [gedaagde sub 1] van 2004 en eerder niet meer ter discussie stellen en dus ook geen vorderingen meer instellen terzake alle jaren tot en met 2004, aldus [gedaagden]

De rechtbank overweegt het volgende. Gelet op het feit dat het beroep op artikel 2:15 lid 5 BW eerst bij dupliek is gedaan, hebben [eisers] hierop niet meer kunnen reageren. De rechtbank verwerpt echter het beroep op artikel 2:15 lid 5 BW, aangezien de vorderingen van [eisers] niet zien op vernietiging van enig door een orgaan van een rechtspersoon genomen besluit. Verder vindt de opvatting dat artikel 2:15 lid 5 BW in de weg zou staan aan de onderhavige vorderingen geen steun in het recht. Daargelaten de vraag of [eisers] als belanghebbenden in de zin van artikel 2:15 BW kwalificeren, zien [gedaagden] er – ten onrechte – aan voorbij dat de definitief vastgestelde jaarrekeningen van [gedaagde sub 1] op zichzelf geen invloed uitoefenen op de toewijsbaarheid van de vorderingen van [eisers] .

Beroep op verjaring

3.12.

[gedaagden] stellen voorts dat de vorderingen van [eisers] zijn verjaard, voor zover deze vorderingen betrekking hebben op de jaren 1995 tot en met 2000. Zij voeren daartoe het volgende aan. De vorderingen gelden als een vordering tot nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst tot een geven of doen als bedoeld in artikel 3:307 lid 1 BW. De termijn van verjaring van dergelijke vorderingen vangt aan op de dag volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Nu voor een eventueel aan te nemen verplichting tot het doen van rekening en verantwoording respectievelijk tot het afdragen van bedragen geen termijn is vastgesteld, kan op grond van het bepaalde in artikel 6:38 BW terstond nakoming van deze verbintenissen worden gevorderd. Dat houdt derhalve in dat voor wat betreft een verbintenis tot het doen van rekening en verantwoording respectievelijk het uitbetalen van gelden met betrekking tot enig afgesloten boekjaar de verbintenissen opeisbaar worden op 1 januari van het nieuwe volgende boekjaar. De verjaring van de daarop betrekking hebbende vorderingen gaat derhalve op 2 januari lopen. De op het boekjaar 2000 betrekking hebbende vorderingen zijn per 2 januari 2006 verjaard. De vorderingen zijn pas ingesteld bij dagvaarding van 17 januari 2006.

[eisers] voeren hiertegen aan dat op grond van artikel 3:321 lid 1 sub f BW een voltooide verjaring niet kan worden tegengeworpen door degene die opzettelijk het bestaan van de schuld of de opeisbaarheid daarvan verborgen houdt. Nu [gedaagden] tot op heden hebben geweigerd rekening en verantwoording af te leggen kunnen zij geen beroep doen op voltooide verjaring.

Overigens is de verjaring gestuit bij brief van 30 december 2005. Voorts betreft de vordering het doen van rekening en verantwoording, waarna de aanspraak pas ontstaat, althans redelijkerwijs opvorderbaar is, zodat ook daarom van verjaring geen sprake is, aldus [eisers] .

De rechtbank overweegt het volgende.

Onder het opzettelijk verborgen houden van de schuld of de opeisbaarheid daarvan als bedoeld in artikel 3:321 lid 1 aanhef en onder f BW is te verstaan het opzettelijk verborgen houden van de (rechts)feiten die de grond vormen voor het bestaan van de vordering of van de opeisbaarheid. Het afhoudend reageren van [gedaagden] bij verzoeken van [eisers] om de verantwoording van de winstuitkeringen, valt daar niet onder. [eisers] doen derhalve vergeefs beroep op bedoeld artikel.

[gedaagden] betwisten niet dat de verjaring bij aangetekende brief van 30 december 2005 is gestuit. Voor het overige doen zij echter op de goede gronden een beroep op verjaring van de vorderingen van [eisers] . Gelet op de stuiting bij brief van 30 december 2005 is de verjaring van de vordering over het boekjaar 2000 niet ingetreden. De op de jaren 1995 tot en met 1999 betrekking hebbende vorderingen van [eisers] zijn wel verjaard. De stelling van [eisers] dat hun aanspraak pas ontstaat, althans redelijkerwijs opvorderbaar is, na het doen van rekening en verantwoording door [gedaagden] snijdt geen hout. De vorderingen van [eisers] die betrekking hebben op de jaren 1995 tot en met 1999 zullen dan ook worden afgewezen. Voor het overige kunnen [eisers] in hun vorderingen worden ontvangen. Het vervolg van de beoordeling ziet derhalve slechts op de periode vanaf 1 januari 2000.

De gevorderde ontbinding

3.13.

[eisers] vorderen bij tussenvonnis de ontbinding van de maatschap uit te spreken op grond van gewichtige redenen, te weten op grond van de tekortkomingen aan de zijde van [gedaagden] . Het uitspreken van de gevolgen van de ontbinding van de

maatschap kan zonodig met derogerende werking, zoals bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW, te weten door de duur van de maatschap te beperken tot 27 februari 2006, de datum van de verhuizing, althans tot 1 januari 2007, de datum vanaf welke partijen in redelijkheid en billijkheid niet langer aan elkaar gebonden dienen te zijn, aldus [eisers] .

[gedaagden] voeren hiertegen aan dat de vordering tot ontbinding dient te worden afgewezen bij gebreke van een grond voor ontbinding van de (niet bestaande) maatschap.

Tussen partijen is niet in geschil dat de verhoudingen tussen hen ernstig zijn verstoord. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank voldoende gewichtige redenen op om op grond daarvan de gevorderde ontbinding uit te spreken. Gelet op artikel 7A:1684 lid 2 BW heeft de ontbinding door de rechter geen terugwerkende kracht. Gesteld noch gebleken is dat het voortduren van de maatschapsovereenkomst na 27 februari 2006 dan wel 1 januari 2007 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechtbank zal daarom de ontbinding niet eerder uitspreken dan per 1 januari 2008.

De gevorderde rekening en verantwoording en de gevorderde verstrekking van “winstafrekeningen”

3.14.

[eisers] voeren aan dat [gedaagde sub 1] zich op het standpunt stelt dat [gedaagde sub 2] belast was met het beheer van met name de financiële gang van zaken van de maatschap. [gedaagde sub 2] alsmede haar bestuurder [gedaagde sub 3] is verantwoordelijk en aansprakelijk voor het nalaten rekening en verantwoording af te leggen aan de maatschap. Gelet op de onjuiste wijze van financieel verantwoorden door [gedaagden] en hun bewust creëren van ernstige onduidelijkheid, dienen [gedaagden] rekening en verantwoording af te leggen, aldus [eisers]

voeren voorts aan dat [gedaagden] de winstafrekeningen gebruikten om het winstaandeel van [eisers] te beperken en zichzelf een groter winstaandeel toe te rekenen. Zij zijn van mening dat die winstafrekeningen tot en met 2001 door [gedaagden] dienen te worden overgelegd.

[gedaagden] menen dat zij niet zijn gehouden om terzake de interne financiële verhoudingen van [gedaagde sub 1] verantwoording af te leggen aan [eisers] . [gedaagden] stellen zich dan ook op het standpunt dat [eisers] geen aanspraak hebben op overlegging van boekhoudkundige bescheiden.

De rechtbank overweegt het volgende.

[gedaagde sub 2] is gehouden tegenover [eisers] rekening en verantwoording af te leggen over het financiële beheer van de maatschap dat, zoals hiervoor onder 3.6. overwogen, plaatsvond in [gedaagde sub 1] , alsmede boekhoudkundige bescheiden met betrekking tot de maatschapsfinanciën waarin [eisers] inzage verlangen over te leggen. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank thans echter een comparitie van partijen gelasten. De rechtbank voorziet namelijk dat zij, als [gedaagden] de vorderingen blijven betwisten, deskundigenadvies zal moeten inwinnen ter beantwoording van de vraag of en in hoeverre tussen partijen nog enige afrekening dient plaats te vinden. Daarbij zullen dan ook de vorderingen in reconventie onder 5, 6 en 7 worden betrokken. Een en ander is ook al door [eisers] gesuggereerd naar aanleiding van deze reconventionele vorderingen. Op grond van artikel 198 lid 3 Rv dienen [gedaagden] de deskundige(n) openheid van zaken te geven, zodat daarmee indirect aan de vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording zal zijn voldaan. Desgewenst kunnen partijen hun stellingen en vorderingen op een en ander aanpassen.

Ter comparitie zal worden bezien of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Voorts kan ter comparitie worden besproken welke deskundige(n) partijen benoemd zouden willen zien en welke vragen zij aan de deskundige(n) zouden willen voorleggen.

in reconventie voorts

De vorderingen onder 1 en 2:

3.15.

Zoals [eisers] terecht opmerken zijn deze vorderingen afhankelijk van de vraag of in conventie één of meer vorderingen van [eisers] zullen worden toegewezen. De rechtbank zal de beslissing omtrent de vorderingen onder 1 en 2 aanhouden, totdat duidelijk zal zijn of [eisers] al dan niet terecht beslag hebben gelegd en, in het verlengde daarvan, afgifte van de bankgarantie hebben verlangd.

De vordering onder 3:

3.16.

[eisers] voeren aan dat zij op goede gronden tot verhuizing hebben besloten.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde verklaring voor recht niet voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op de ernstig verstoorde verhoudingen, waarvoor [gedaagden] , gelet op hetgeen in conventie is overwogen, de hand in eigen boezem behoren te steken, kon van [eisers] niet verwacht worden dat zij nog langer met [gedaagde sub 3] / [gedaagde sub 2] onder één dak bleven samenwerken. [eisers] hebben de maatschapsovereenkomst niet opgezegd, zodat van een onredelijk korte termijn geen sprake is. Overigens dient, zoals hierna omtrent de vorderingen 5 t/m 7 zal worden overwogen, ook na 27 februari 2005 tussen partijen te worden afgerekend conform hun verplichtingen als maten tegenover elkaar.

De vordering onder 4:

3.17.

[gedaagden] onderbouwen deze vordering met de stelling dat [eisers] alles hebben gedaan om [gedaagde sub 3] in diskrediet te brengen en dat tegenover derden ernstige en diffamerende beschuldigen over [gedaagde sub 3] zijn gedaan. [eisers] hebben zich volgens [gedaagden] onder andere als volgt tegenover derden uitgelaten: “ [gedaagde sub 3] fraudeert en schuift met gelden”, “ [gedaagde sub 3] heeft geld ontvreemd”, “ [gedaagde sub 3] fraudeert in de praktijk”. Zo hebben [eisers] zich ook gewend tot collegapraktijken te Deurne en Someren met de bedoeling dat die praktijken geen helpende hand aan [gedaagde sub 3] zouden bieden, aldus [gedaagden] .

[eisers] voeren hiertegen aan dat zij uitsluitend de collegapraktijken te Deurne en Someren gevraagd hebben geen partij te worden in deze zaak en neutraal te blijven.

Na deze gemotiveerde betwisting had het op de weg gelegen van [gedaagden] om hierop gemotiveerd te reageren en van haar stellingen bewijs aan te bieden. Nu zij dit hebben nagelaten, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde verklaring voor recht behoort te worden afgewezen, bij gebreke van onvoldoende feitelijke onderbouwing.

Het onder 5, 6 en 7 gevorderde

3.18.

Nu de maatschap niet eerder zal zijn ontbonden dan per 1 januari 2008, dient ook over de periode van 27 februari 2006 tot 1 januari 2008 tussen partijen te worden afgerekend conform hun verplichtingen als maten tegenover elkaar. Zoals uit het hiervoor in conventie overwogene volgt moet het vermogen van [gedaagde sub 1] worden beschouwd als maatschapsvermogen, zodat daarvan ook bij de beoordeling van de onderhavige vorderingen van moet worden uitgegaan. Overigens hebben [eisers] onweersproken gesteld dat zij de door [gedaagden] verlangde gegevens tot en met 30 september 2006 reeds hebben afgegeven. De vorderingen zullen worden meegenomen in het bij de deskundige(n) in te winnen advies.

De vorderingen onder 8 en 9:

3.19.

Deze vorderingen zullen worden afgewezen. De rechtbank is het met [eisers] eens dat geen grond bestaat om aan [gedaagden] enige schade die zij mogelijk geleden hebben door het vertrek van [eisers] naar de [adres] te vergoeden, nu, zoals onder 3.16. reeds is overwogen, van [eisers] niet langer verwacht kon worden dat zij nog langer met [gedaagde sub 3] / [gedaagde sub 2] onder één dak bleven samenwerken. Evenmin bestaat grond voor vergoeding van advocaten, accountants en fiscalisten.

in conventie en in reconventie voorts

3.20.

Zoals in conventie reeds overwogen, zal de rechtbank een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

3.21.

Partijen kunnen zich op de zitting laten bijstaan door een eigen adviseur.

3.22.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

3.23.

Ter zitting kan aan de orde komen of een deskundigenonderzoek noodzakelijk is, welke vragen beantwoord moeten worden en wie partijen als deskundige benoemd willen zien.

3.24.

Om redenen van proceseconomische aard zal de rechtbank tussentijds hoger beroep van dit vonnis toestaan.

3.25.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank

in conventie

4.1.

spreekt de ontbinding uit per 1 januari 2008 van de tussen [eisers] en [gedaagde sub 2] bestaande maatschap,

in conventie en in reconventie

4.2.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde mr. W. Schoorlemmer in het paleis van justitie te 's-Hertogenbosch aan de Leeghwaterlaan 8 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

4.3.

bepaalt dat de partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

4.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 januari 2008 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden februari 2008 tot en met april 2008, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

4.5.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

4.6.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie, dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

4.7.

wijst partijen er op, dat voor de zitting 2 uur zal worden uitgetrokken,

4.8.

bepaalt dat de in de overwegingen opgevraagde informatie uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting aan de rechtbank en de wederpartij moet zijn toegestuurd,

4.9.

bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen,

4.10.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Schoorlemmer, mr. A.M. Koster-van der Linden en mr. J. van der Weij en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2007.