Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:BQ3251

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
02-05-2011
Zaaknummer
99284 HA ZA 03-1707 (18-01-2006)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

onbekend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 99284 / HA ZA 03-1707

Vonnis van 18 januari 2006

in de zaak van

[partij A],

wonende te [adres],

eiseres,

procureur mr. P.J.A.M. Baudoin,

tegen

[partij B],

wonende te [adres],

gedaagde,

procureur mr. J.E. Benner.

Partijen zullen hierna [partij A] en [partij B] genoemd worden.

1. De verdere procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 november 2004,

- de akte d.d. 8 december 2004 van de zijde van [partij B],

- de akte d.d. 22 december 2004 van de zijde van [partij A],

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 26 april 2005,

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 29 augustus 2005,

- de conclusie na enquête aan de zijde van [partij B],

- de conclusie na enquête aan de zijde van [partij A].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij het tussenvonnis van 10 november 2004 is [partij B] toegelaten tot het bewijs van de stelling dat aan [partij A] bij de uitslag van de radiologische onderzoeken in juni 2001 is meegedeeld dat zij zich voor controle en/of behandeling tot hem diende te wenden.

2.2. [partij B] heeft in de enquête naast zichzelf als getuigen doen horen:

- de heer [partij A], echtgenoot van [partij A],

- d[S], huisarts, destijds huisarts in opleiding in de praktijk van [partij B],

- mevrouw [L], huisarts, in loondienst in de praktijk van [partij B] werkzaam.

[partij A] heeft in de contra-enquête zichzelf als getuige doen horen.

2.3. [partij B] en [L] verklaren beiden dat zij niet bij het bewuste telefoongesprek aanwezig waren en derhalve niets uit eigen waarneming kunnen verklaren. Beiden verklaren ook dat [S] niet met hen over het telefoongesprek heeft gesproken. Dit brengt met zich dat de verklaringen van [partij B] en [L] niet tot direct bewijs kunnen dienen. Zij hebben als – indirect – bewijs wel verklaard dat in de praktijk van [partij B] de NHG-standaarden werden gebruikt, waarbij [partij B] heeft verklaard dat [S] van die NHG-standaarden op de hoogte was.

2.4. Zowel [partij A] als haar echtgenoot, [p[partij A], verklaren dat [S] niet heeft gezegd dat [partij A] voor controle terug moest komen. Er is echter sprake van een discrepantie tussen die verklaringen. Voorts is de verklaring van [p[partij A] innerlijk tegenstrijdig.

2.4.1. [p[partij A] verklaart bij aanvang van het getuigenverhoor naar aanleiding van een vraag van de rechter dat hij niet aan de arts heeft gevraagd of een controle nodig was. Vanwege het feit dat [p[partij A] de Nederlandse taal niet geheel machtig is, wordt besloten het getuigenverhoor voort te zetten met behulp van de aanwezige tolk Arabisch. Hetgeen [p[partij A] tot dat moment heeft verklaard wordt voorgelezen en door de tolk vertaald voor [p[partij A]. Desgevraagd geeft [p[partij A] te kennen dat het gerelateerde juist is. Dus ook zijn verklaring dat hij niet heeft gevraagd of controle nodig was. Vervolgens wordt aan [p[partij A] nogmaals de vraag voorgelegd of hij aan de arts heeft gevraagd of zijn echtgenote op controle moest komen. Deze keer antwoordt hij dat hij op verzoek van zijn echtgenote expliciet heeft gevraagd of zij op controle moest komen. Het eerder gegeven antwoord betreft een vergissing, veroorzaakt door het vertaalprobleem. Dit overtuigt de rechtbank niet. Weliswaar kan het antwoord in eerste instantie op een vergissing berusten, maar dat neemt niet weg dat, alvorens het getuigenverhoor te continueren, de tot dan toe afgelegde verklaring via de tolk aan [p[partij A] is voorgehouden en hij heeft verklaard dat die weergave juist was. Bovendien strookt de verklaring van [p[partij A] niet met hetgeen [partij A] verklaart. Hoewel zij het hele telefoongesprek heeft gehoord, verklaart zij niet te weten of haar echtgenoot aan de arts heeft gevraagd of zij nog op controle moest komen. Dit wekt bevreemding, omdat [p[partij A] verklaart dat het juist zijn echtgenote was die hem erop attendeerde die vraag te stellen.

2.4.2. De verklaringen van [partij A] en [p[partij A] komen ook niet overeen met hetgeen in de dagvaarding en in de conclusie van repliek met betrekking tot het telefoongesprek is gesteld. In die processtukken stelt [partij A] dat tijdens het telefoongesprek is meegedeeld dat alles er goed uit zag, dat de knobbel niet kwaadaardig was, dat deze was ontstaan doordat [partij A] borstvoeding gaf en dat de knobbel vanzelf weer zou verdwijnen. In de getuigenverhoren verklaren [partij A] en [p[partij A] echter dat tijdens het telefoongesprek niet over de knobbel is gesproken. Er is alleen gesproken over de uitslag van het onderzoek en de mogelijkheid om nog zwanger te worden. Dat de knobbel door het geven van borstvoeding zou zijn ontstaan en dat deze vanzelf weer zou verdwijnen is voordien, tijdens het bezoek van [partij A] aan [partij B] in maart / april 2001, ter sprake geweest.

2.4.3. De rechtbank wijst er voorts op dat [partij A] in de dagvaarding stelt dat zij met [partij B] contact heeft opgenomen en dat [partij B] degene was die zou hebben gezegd dat alles er prima uitzag en [partij A] niets hoefde te doen. Uit de conclusie van antwoord blijkt echter dat het niet [partij B], maar [S] was die het telefoongesprek voerde. Dit wordt vervolgens door [partij A] bij repliek vrijwel geruisloos erkend. Ook in de verklaringen die [partij A] en [p[partij A] als getuigen hebben afgelegd, verklaren zij dat het telefoongesprek werd gevoerd met iemand op de praktijk, niet zijnde [partij B]. Ook dit wekt bevreemding. Als immers [partij A] wist dat de uitslag niet door [partij B] werd doorgegeven, waarom staat dan met zoveel woorden in de dagvaarding dat hij dat wél deed?

2.5. Tegenover deze discrepanties tussen de getuigenverklaringen en de stellingen van [partij A] staat dat [partij B] van aanvang af consequent volhardt in zijn stelling dat tijdens het telefoongesprek is meegedeeld dat [partij A] zich voor controle tot [partij B] diende te wenden hetgeen in de verklaring van [S] wordt bevestigt.

2.6. [S] kan zich het telefoongesprek waarbij de uitslag van het radiologisch onderzoek werd doorgegeven niet meer woordelijk herinneren. Hij verklaart dat de strekking van het gesprek in ieder geval was dat [partij A] zich op korte termijn bij de huisarts moest melden om een en ander verder te bespreken. Omdat er sprake was van een voelbare afwijking, was controle om twee redenen geïndiceerd. In de eerste plaats om te kijken of de knobbel verandert en voorts in verband met het geestelijk welzijn van [partij A]. Deze werkwijze is gebaseerd op de NHG-standaard, die in de praktijk van [partij B] werd gehanteerd. Normaal gesproken dient de patiënte binnen 3 tot 6 maanden na de uitslag van de mammografie terug te komen voor controle. In dit geval is gezegd dat [partij A] zich binnen korte termijn diende te melden voor controle, omdat de mammografie niet door hemzelf was aangevraagd, aldus [S].

2.7. De getuigenverklaringen, in onderling verband en samenhang, alsmede in het licht van de stellingen bij dagvaarding en conclusie van repliek bezien, brengen de rechtbank tot de conclusie dat de verklaring van [S] meer gewicht in de schaal legt dan die van [partij A] en [p[partij A]. Dat de verklaring van [S] grotendeels hetzelfde behelst als de reeds eerder door [partij B] overgelegde schriftelijke verklaring van [S] (productie 2 conclusie van antwoord), doet daar niet aan af. [S] heeft zijn verklaring thans immers onder ede ten overstaan van de rechter afgelegd, terwijl die voorts aan overtuigingskracht wint door de hiervoor gerelateerde discrepanties tussen de verklaringen van [partij A], [p[partij A] en de eerder door [partij A] geponeerde stellingen. Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat [partij B] erin is geslaagd het bewijs van het probandum te leveren.

2.8. Zoals in het tussenvonnis van 10 november 2004 in rechtsoverweging. 3.3.11. is overwogen, staat daarmee vast dat [partij B] niet tekort is geschoten in de nakoming van de zorgovereenkomst. De vordering van [partij A] zal derhalve worden afgewezen.

2.9. [partij A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [partij B] worden begroot op:

- vast recht 925,00

- getuigenkosten 355,00

- overige kosten (tolk) 100,00

- salaris procureur 3.576,00 (4,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 4.956,00

2.10. De rechter, ten overstaan van wie de getuigenverhoren zijn gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen (ouderschapsverlof).

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt [partij A] in de proceskosten, aan de zijde van [partij B] tot op heden begroot op EUR 4.956,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.H. Bruggink en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2006.