Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AZ7255

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
29-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/4476, AWB 06/4479, AWB 06/4876
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De door verzoekster ingediende bouwaanvraag voorziet in een uitbreiding op de begane grond aan de achterzijde van het pand, gelegen aan de Dorpsstraat 46 te Geffen. [...] De gevraagde bouwvergunning is bij het primaire besluit verleend met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 06/4476

AWB 06/4479

AWB 06/4876

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 december 2006

inzake

[verzoekster]] B.V.,

te [plaats],

verzoekster,

gemachtigden, P.H.M. van Hout en [directeur].

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdonk,

verweerder,

gemachtigden P. van der Heyden en H.J.M. van Bruggen.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [belanghebbende],

te [woonplaats],

belanghebbende,

gemachtigde mr. L. Jongen.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2006 heeft verweerder aan verzoekster met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van het pand, gelegen aan de [adres] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft belanghebbende op 24 juli 2006 bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht ten aanzien van het besluit een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij uitspraak van 7 september 2006, inzake nummer AWB 06/3416, heeft de voorzieningenrechter het verzoek van belanghebbende toegewezen en het besluit van 19 juli 2006 geschorst tot en met de zesde week na de bekendmaking van het op het bezwaar van belanghebbende te nemen besluit.

Bij besluit van 2 november 2006 heeft verweerder de bij besluit van 19 juli 2006 aan verzoekster verleende bouwvergunning ingetrokken.

Tegen dit besluit heeft verzoekster op 7 november 2006 bij verweerder bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht ten aan zien van dit besluit een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 06/4476. Bij afzonderlijk verzoek heeft hij de voorzieningenrechter verzocht de bij zijn uitspraak van 7 september 2006 getroffen voorlopige voorziening op te heffen. Laatstgenoemd verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 06/4479.

Beide verzoeken zijn behandeld ter zitting van 12 december 2006, waar verzoekster en verweerder zijn verschenen bij hun gemachtigden. Belanghebbende is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep is ingesteld bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

3. Alvorens inhoudelijk op de zaak in te gaan overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

4. Het besluit van 2 november 2006, strekkende tot intrekking van de op 19 juni 2006 aan verzoekster verleende bouwvergunning, is door verweerder gepresenteerd als een primair besluit, genomen op grond van artikel 59 van de Woningwet, dat vatbaar is voor bezwaar.

5. Gelet evenwel op de wijze waarop het tot stand is gekomen alsmede de overwegingen die aan het besluit ten grondslag zijn gelegd, kan materieel gesproken worden van een besluit, genomen naar aanleiding van het door belanghebbende tegen het besluit van 19 juni 2006 gemaakte bezwaar en behelzende de herroeping van het besluit 19 juni 2006 en de weigering van de door verzoekster aangevraagde bouwvergunning. Desgevraagd hebben alle partijen ter zitting te kennen gegeven er uit een oogpunt van proceseconomie en ter finale beslechting van het geschil met toepassing van artikel 8:86 van de Awb mee in te kunnen stemmen, dat het besluit van 2 november 2006 door de voorzieningenrechter ook daadwerkelijk wordt aangemerkt als het besluit op het door belanghebbende gemaakte bezwaar. Gelet op deze instemming alsmede in aanmerking genomen dat de zaak zich daar ook overigens voor leent, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:86, voornoemd, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter merkt daartoe het door verzoekster tegen het besluit van 2 november 2006 tijdig ingediende bezwaarschrift van 7 november 2006 met toepassing van artikel 6:15 van de Awb aan als het tegen dit besluit ingediende beroepschrift. Het beroep is geregistreerd onder nummer AWB 06/4876.

6. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

De door verzoekster ingediende bouwaanvraag voorziet in een uitbreiding op de begane grond aan de achterzijde van het pand, gelegen aan de [adres] te [plaats]. Op de bij de bouwaanvraag behorende bouwtekening blijkt dat de uitbreiding bestaat uit een woonruimte. In het verleden vormde het onderhavige pand, samen met de naastgelegen panden [nummer], een postbureau voor de Rijkspolitie met twee dienstwoningen. Deze dienstwoningen en het politiebureau waren gescheiden door een 3.00 meter hoge muur. Die muur is nog steeds aanwezig tussen het onderhavige pand en het pand van belanghebbende op nummer [nummer]. Vanaf oktober 1995 is het pand [adres] de ouderlijke woning geweest van [directeur], de eigenaar/directeur van verzoekster. In april 1999 is hij in het pand met het computerbedrijf [verzoekster] B.V. begonnen. Nadat hij in oktober 2002 het pand van zijn vader had gekocht, bleef hij er samen met zijn ouders wonen. Na het overlijden van zijn moeder woonden daar - tot voor kort - [directeur] en zijn vader. [directeur] heeft inmiddels een andere woning betrokken in [plaats]. Zijn vader woont thans alleen in het pand. Het is de bedoeling dat zijn vader in het onderhavige pand in de voorziene uitbreiding onder te brengen woning blijft wonen. De hierdoor vrijkomende eerste verdieping, die thans nog bewoond wordt, zal daardoor vrijkomen en voor bedrijfsdoeleinden beschikbaar komen. Aangezien de bedrijfsvoering is gegroeid - er zijn nevenvestigingen in [plaatsen] - is bedrijfsuitbreiding aan de [adres] noodzakelijk. De vestiging in [plaats] is tevens bedoeld als hoofdkantoor en centrale opslagplaats van de voorraad.

7. De gevraagde bouwvergunning is bij het primaire besluit verleend met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO. Toepassing van dit artikellid was nodig, aangezien het bouwplan - naar tussen partijen niet in geschil is - strijdig was met het op dat moment vigerende bestemmingsplan “Kom Geffen”. Hoewel het bouwplan niet paste binnen het door verweerder ter zake van de toepassing artikel 19, derde lid, van de WRO gevoerde beleid - ook dit is tussen partijen niet in geschil - heeft verweerder niettemin aanleiding gezien toepassing te geven aan dit artikellid, aangezien het bouwplan naar zijn mening wel voldeed aan het op dat moment in een vergevorderd stadium van afronding zijnde ontwerpbestemmingsplan “Kernen Maasdonk”. Verweerder is er daarbij van uitgegaan dat het bouwplan voorzag in een als “dienstwoning” aan te merken woonruimte, welke krachtens voormeld ontwerpbestemmingsplan ter plaatse uitdrukkelijk zou zijn toegestaan.

8. Naar aanleiding van het bezwaar van belanghebbende tegen de verleende bouwvergunning is verweerder tot een ander inzicht gekomen. Op grond van de in dat kader naar voren gekomen feiten en omstandigheden is verweerder tot de conclusie gekomen dat door realisering van het bouwplan - anders dan uit de bouwaanvrage naar voren kwam - een tweede dienstwoning in het onderhavige pand zal worden opgericht, hetgeen verweerder stedenbouwkundig - want in strijd met het ontwerpbestemmingsplan “Kernen Maasdonk” - niet aanvaardbaar acht. Verweerder baseert deze conclusie met name op uitlatingen van [directeur], gedaan tijdens de behandeling van het door belanghebbende ingediende verzoek om een voorlopige voorziening met nummer AWB 06/3416 en tijdens het gehoor van 12 oktober 2006 voorafgaande aan het nemen van het bestreden besluit. Verweerder heeft op grond van die uitlatingen vastgesteld dat ook reeds op de eerste verdieping van het pand een woonruimte is gerealiseerd. Verweerder heeft hierin aanleiding gezien alsnog tot weigering van de gevraagde vergunning over te gaan.

9. Verzoekster betwist dat sprake zal zijn van de realisering van een tweede (dienst)woning. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de eerste verdieping die thans nog als woning in gebruik is, na realisering van het bouwplan, als bedrijfsruimte zal worden gebruikt. Aan de hand van een overgelegde tekening heeft verzoekster uiteengezet dat daartoe geen bouwkundige voorzieningen nodig zijn, reden waarom die functiewijziging niet aanstonds was vermeld op de bij de bouwaanvrage behorende bouwtekening. Die tekening had alleen betrekking op de bouwwerkzaamheden, die alle op de begane grond zijn voorzien. In dit verband is namens verzoekster tevens naar voren gebracht dat [directeur] inmiddels ook niet meer woonachtig is in het onderhavige pand, zodat ook daarom niet meer aannemelijk is in het pand twee afzonderlijke woonruimten zullen worden opgericht.

10. Belanghebbende schaart zich - kort gezegd - achter het standpunt van verweerder dat het bouwplan waarvoor vergunning is gevraagd, voorziet in de oprichting van twee afzonderlijke woonruimten, hetgeen ter plaatse niet is toegestaan. Bovendien betwijfelt belanghebbende dat de woning waarin het bouwplan voorziet, kan worden aangemerkt als een “dienstwoning” in de zin van het bestemmingsplan “Kernen Maasdonk” waar verweerder op vooruit is gelopen. Ook daarom kan de bouwvergunning niet in stand blijven, aldus belanghebbende.

11. Ingevolge het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet in werking getreden bestemmingsplan “Kernen Maasdonk” rust op het onderhavige perceel de bestemming “zakelijke dienstverlening (Z)”. Ingevolge artikel 7.1 van de bijbehorende planvoorschriften zijn de als zodanig op de plankaart aangewezen gronden bestemd voor:

a. dienstverlenende bedrijven;

en tevens voor:

b. wonen als nevenfunctie, daar waar dat met een aanduiding “w” op de plankaart is aangegeven, met dien verstande dat het aantal woningen niet meer mag bedragen dan het op het moment van terinzagelegging van het ontwerpplan bestaande aantal;

(…)

12. Ingevolge artikel 7.2.1 van de planvoorschriften is bouwen uitsluitend toegestaan ten dienste van de in lid 7.1 omschreven doeleinden.

13. Op de plankaart is het onderhavige perceel aangeduid met de letter “Z”, hetgeen inhoudt dat daarop de bestemming “zakelijke dienstverlening” rust. Tevens is daarbij de letter “d” vermeld. Het perceel is niet nader aangeduid met de letter “w”.

14. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat de op de plankaart op het onderhavige perceel ingetekende letter “d” tot doel heeft aan te geven dat ter plaatse de oprichting van een dienstwoning is toegestaan. Het begrip “dienstwoning” is in de begripsbepalingen omschreven als: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die is bedoeld voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van de grond, noodzakelijk is. Het is volgens verweerder de bedoeling van de planwetgever geweest op het onderhavige perceel de oprichting van één dienstwoning toe te staan. Als gevolg van een abuis is in het bestemmingsplan “Kernen Maasdonk” echter verzuimd in de planvoorschriften een bebouwingsvoorschrift op te nemen waarin aan de aanduiding “d” op de plankaart ook daadwerkelijk het gevolg wordt verbonden dat ter plaatse een dienstwoning mag worden opgericht. De planvoorschriften bevatten uitsluitend voormelde begripsbepaling. Ter zitting is door verweerder voorts nog te kennen gegeven dat het ontbreken van de letter “w” op het onderhavige perceel niet op een vergissing berust. Het is de bedoeling van de planwetgever geweest ter plaatse alleen een dienstwoning toe te staan.

15. De voorzieningenrechter deelt de opvatting van verzoekster, voorzover deze inhoudt dat verweerder op onjuiste gronden tot de conclusie is gekomen dat het bouwplan voorziet in de oprichting van twee afzonderlijke (dienst)woningen, waar er slechts één in planologisch opzicht aanvaardbaar wordt geacht. Gelet op hetgeen door verzoekster naar voren is gebracht, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende reden om te twijfelen aan de oprechtheid van het door haar geuite voornemen om het gebruik van de eerste verdieping van het onderhavige pand voor woondoeleinden te beëindigen om deze ruimte voor bedrijfsdoeleinden in gebruik te gaan nemen. Daarbij is in aanmerking genomen dat door verweerder op zichzelf niet is betwist dat voor die gebruikswijziging geen bouwtechnische ingrepen nodig zijn. Ook de - ten tijde van het nemen van het bestreden besluit reeds ophanden zijnde - omstandigheid dat [directeur] inmiddels elders woonachtig is en het pand nog slechts door zijn vader wordt bewoond, wijst erop dat na verwezenlijking van het bouwplan nog slechts van een woning sprake zal zijn. Voorzover met verweerder zou moeten worden aangenomen dat een en ander (nog) onvoldoende uit de door verzoekster ingediende bouwaanvraag naar voren kwam, overweegt de voorzieningenrechter dat zulks niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat de bouwaanvraag na heroverweging wegens de onvolledigheid of onduidelijkheid ervan alsnog kon worden geweigerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter waren er in hetgeen zijdens verzoekster reeds in het kader van die heroverweging naar voren is gebracht, voldoende aanknopingspunten om haar de gelegenheid te geven haar stelling dat de woonruimte op de eerste verdieping als bedrijfsruimte gebruik zal gaan worden nader te onderbouwen, bijvoorbeeld met tekeningen zoals die inmiddels zijn overgelegd.

16. Aan het bestreden besluit kleeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenwel ook een ander gebrek. Verweerder is er bij zijn besluitvorming immers steeds vanuit gegaan dat ter plaatse volgens het op dat moment nog in procedure zijnde bestemmingsplan “Kernen Maasdonk” een dienstwoning zou zijn toegestaan. Naar door verweerder ter zitting is erkend, bevat dit bestemmingsplan op dit punt echter een lacune waardoor dit standpunt niet met vrucht kan worden staande gehouden. Voorts deelt de voorzieningenrechter de twijfel van belanghebbende dat de woonruimte die verzoekster wenst op de richten, als een dienstwoning in de zin voornoemd bestemmingsplan kan worden aangemerkt. Ingevolgde de desbetreffende begripsbepaling dient het daarbij immers te gaan om een woning die is bedoeld voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van de grond, noodzakelijk is. Aangaande deze noodzaak is zijdens verzoekster ter zitting gesteld dat zijn vader met pensioen is maar nog op vrijwillige basis in haar bedrijf werkzaam zal zijn. De bewoning van het pand acht verzoekster wenselijk met het oog op inbraakpreventie. In dit verband heeft verzoekster naar voren gebracht dat er in het pand kostbare computerapparatuur aanwezig is. Desgevraagd is naar voren gebracht dat de 24-uursdienstverlening die het bedrijf biedt op zichzelf de aanwezigheid van een woning in het pand niet noodzakelijk maakt. Medewerkers hebben bij toerbeurt 24-uursdienst en zijn dan via een mobiele telefoon bereikbaar. De desbetreffende medewerker is dan in het bezit van een sleutel tot het bedrijfspand.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit het vorenstaande weliswaar dat de aanwezigheid van een woning in het onderhavige pand wenselijk is, maar niet zonder meer dat deze ook noodzakelijk is. In ieder geval blijkt niet dat verweerder aan deze vraag bij zijn besluitvorming aandacht heeft besteed.

17. Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het bestreden besluit niet gedragen kan worden door de daaraan door verweerder ten grondslag gelegde motivering. Het is derhalve genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, dat vereist dat een besluit op bezwaar is voorzien van een deugdelijke motivering. Het beroep is derhalve gegrond zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

18. Gegeven deze beslissing in de hoofdzaak bestaat er geen reden meer om ten aanzien van het bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen. Uit het vorenoverwogene volgt echter ook dat de vernietiging van het bestreden besluit niet zonder meer meebrengt dat verweerder na een hernieuwde heroverweging zal dienen te besluiten tot handhaving van de verleende bouwvergunning. Ter voorkoming van onevenredig nadeel aan de kant van belanghebbende dient deze bouwvergunning dan ook geschorst te blijven. Reeds hierom dient het verzoek van verzoekster tot opheffing van de reeds uitgesproken schorsing te worden afgewezen. De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding het primaire besluit hernieuwd te schorsen en wel tot en met zes weken na de bekendmaking van het nieuw te nemen besluit op het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar.

19. De voorzieningenrechter ziet in het vorenstaande aanleiding verweerder te veroordelen in door zowel verzoekster als belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn voor verzoekster met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 966,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

Deze kosten zijn voor belanghebbende met inachtneming van evengenoemde regels begroot op in totaal € 322,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

20. De voorzieningenrechter zal de gemeente Maasdonk aanwijzen als de rechtspersoon die de proceskosten aan verzoekster en belanghebbende dient te vergoeden.

21. Tevens zal de voorzieningenrechter bepalen dat door de gemeente Maasdonk aan verzoekster het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 281,00 voor het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden vergoed.

22. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 2 november 2006;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- schorst het besluit van 19 juli 2006 tot en met zes weken na de bekendmaking van het besluit waarbij verweerder opnieuw heeft beslist op het door belanghebbende gemaakte bezwaar;

- wijst de verzoeken van verzoekster tot het treffen van een voorlopige voorziening, respectievelijk het opheffen van een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten vastgesteld op € 966,00;

- veroordeelt verweerder in de door belanghebbende gemaakte proceskosten vastgesteld op € 322,00;

- wijst de gemeente Maasdonk aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;

- gelast de gemeente Maasdonk aan verzoekster te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ad € 281,00.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A.F.P. Smeets, griffier, op 22 december 2006.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak, voor zover daarin is beslist op het beroep, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: