Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AZ5919

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
11-01-2007
Zaaknummer
AWB 05/4352
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij bestreden besluit heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geweigerd de niet in het subsidieverleningsbesluit begrepen extra gemaakte restauratiekosten te subsidiëren. De rechtbank is van oordeel dat het subsidiebedrag met juistheid is vastgesteld conform het bedrag van de verlening, nu blijkens artikel 32, eerste lid, onder a, van het Brrm 1997 bij de vaststelling van de subsidie dient te worden uitgegaan van de werkelijk gemaakte subsidiabele restauratiekosten terwijl de aanvraag op grond van het vierde lid van artikel 31 van het Brrm 1997 geen kosten kan bevatten die niet reeds bij de subsidieverlening als subsidiabele kosten zijn vastgesteld. Van eiser mag voorts worden verwacht dat hij gedurende het bouwtraject voldoende toezicht houdt op de kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 05/4352

Uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2006

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr D. Wintraecken,

tegen

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

verweerder,

gemachtigde M.J. Sypkens Smit.

Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2004 heeft verweerder de subsidiabele restauratiekosten ten behoeve van de restauratie van “het dwarshuis” te [woonplaats] vastgesteld op € 223.728,76 en de subsidie vastgesteld op € 44.745,44.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 31 oktober 2005 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser op 9 december 2005 beroep ingesteld. Dit beroep is behandeld ter zitting van 6 oktober 2006, waar eiser is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is of verweerder terecht heeft geweigerd de niet in het subsidieverleningsbesluit begrepen extra gemaakte kosten te subsidiëren.

2. De rechtbank gaat bij de beoordeling van die vraag uit van het volgende.

3. Bij brief van 21 juli 1999 hebben [naam], destijds eigenaar van het dwarshuis, en eiser, destijds aspirant-koper, bij burgemeester en wethouders van Boxmeer een aanvraag ingediend voor toekenning van rijkssubsidie op grond van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 (verder: Brrm 1997), ten behoeve van de restauratie van het dwarshuis. Bij brief van 6 april 2000 is medegedeeld dat het totale bedrag van de begroting is bepaald op fl. 794.376,00 (€ 360.472,11) en het bedrag aan subsidiabele restauratiekosten is vastgesteld op fl. 493.032,00 (€ 233.728,16).

Op 14 februari 2000 heeft eiser een nieuwe aanvraag ingediend. Bij brief van 31 juli 2000 is medegedeeld dat subsidie wordt verleend. Het totale bedrag van de begroting is bepaald op fl. 794.375,00, het bedrag aan subsidiabele restauratiekosten is vastgesteld op fl. 493.032,00 (€ 223.728,16) met een subsidiepercentage van 20%. De te verlenen subsidie bedraagt gelet op het uitvoeringsprogramma fl. 44.485,00 (€ 20.186,41).

Op 14 september 2000 heeft eiser nogmaals een aanvraag ingediend. Bij brief van 1 november 2000 is eiser medegedeeld dat de reeds toegekende subsidie is verhoogd met fl. 54.121,00, tot fl. 98.606,00 (€ 44.745,45).

Op 29 maart 2003 heeft eiser de financiële verantwoording ingediend bij burgemeester en wethouders van Boxmeer. Eiser heeft aangegeven dat hij, ondanks dat hij zich heeft gehouden aan het bestek en de bouwtekening, ten minste fl. 1.000.298,00 (€ 453.916,00) kan verantwoorden en dat hij van mening is dat de subsidiabele restauratiekosten ook navenant verhoogd dienen te worden. Burgemeester en wethouders van Boxmeer hebben deze financiële verantwoording op 13 november 2003 ondertekend en op 17 november 2003 naar verweerder gezonden. Het subsidiabele deel van de werkelijk gemaakte kosten is door burgemeester en wethouders van Boxmeer berekend op een bedrag van € 282.543,72. Aldus komt eiser uit op een bedrag van € 58.815,72 aan subsidiabele meerkosten ten opzichte van de bij de subsidieverlening vastgestelde € 223.728,76 subsidiabele restauratiekosten.

Bij brief van 31 maart 2004 hebben burgemeester en wethouders van Boxmeer verweerder de specificatie van het meer- en minderwerk doen toekomen, welke is opgesteld door eiser.

Bij het vaststellingsbesluit van 27 augustus 2004 heeft verweerder het bedrag aan subsidiabele restauratiekosten vastgesteld op € 223.728,76. Dit naar aanleiding van de op 18 november 2003 van burgemeester en wethouders van Boxmeer ontvangen financiële verantwoording. De subsidie is daarbij conform het verleningsbesluit van 1 november 2001 vastgesteld op € 44.745,44.

4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat kosten die voortvloeien uit andere werkzaamheden dan bij de subsidieverlening zijn aanvaard, zoals door onvoorziene gebreken, bij de definitieve vaststelling van de subsidie niet kunnen worden meegenomen. Ditzelfde geldt voor overschrijdingen van de bij de verlening van de subsidie geaccepteerde maximale bedragen. Wanneer een eigenaar toch wil dat de meerkosten die optreden tijdens de restauratie gesubsidieerd worden moet hij een nieuwe subsidieaanvraag indienen, aldus verweerder.

Volgens verweerder was eiser blijkens zijn verklaring op de hoorzitting reeds tijdens de werkzaamheden ervan op de hoogte dat bij de restauratie de oorspronkelijke begroting werd overschreden, hetgeen hij vervolgens in bezwaar heeft aangegeven. Volgens verweerder dient bij een verandering echter een nieuwe aanvraag te worden ingediend. Dat eiser dit niet heeft gedaan omdat dit naar zijn oordeel niet nodig en niet praktisch was kan aan het bestreden besluit niet afdoen, nu dit besluit rechtstreeks voortvloeit uit het Brrm 1997.

Verweerder wijst er verder op dat het wel degelijk mogelijk is om posten op te nemen in de begroting, om extra of hogere kosten te ondervangen. Verweerder geeft toe dat de vigerende regelgeving wellicht onpraktisch is omdat het problematisch is een sluitende begroting vast te stellen, maar verwijst naar de mogelijkheid een aanvullende subsidie aan te vragen, hetgeen dan wel tijdig, dat wil zeggen voordat de werkzaamheden worden uitgevoerd, dient te gebeuren.

Ook wijst verweerder op de bij het verleningsbesluit gevoegde bijlage “Lees dit eerst!”, waarin is vermeld hoe te handelen indien tijdens de restauratie de verwachting ontstaat dat het subsidiabele bedrag zal worden overschreden. Verweerder wijst er bovendien nog op dat eiser is bijgestaan door een ervaren architect, die op de hoogte had moeten zijn van de toepasselijke regelgeving.

5. Eiser heeft aan zijn beroep ten grondslag gelegd dat aan de eis dat voor meerkosten een nieuwe aanvraag gedaan moet worden voor aanvang van de feitelijke uitvoering niet kan worden voldaan als pas achteraf blijkt dat er meerkosten zijn. Eiser wijst er in dit verband op dat de meerkosten niet zijn ontstaan door afwijking van het restauratieplan, maar door een te lage kostenbegroting. Verder is het volgens eiser niet zo dat hij reeds tijdens de werkzaamheden op de hoogte was van de op handen zijnde begrotingsoverschrijding, en dat hij had besloten door te gaan met de werkzaamheden en pas achteraf aan te geven dat de kosten hoger waren uitgevallen. Pas toen de rekeningen van de aannemer kwamen werd eiser duidelijk dat de begroting was overschreden.

Met prijsstijgingen en meer werk (niet zijnde meerwerk) kun je geen rekening houden en word je pas achteraf geconfronteerd. Verweerder gebruikt allerlei kunstgrepen om haar gebrekkige motivering te repareren, aldus eiser.

6. Het wettelijk kader is als volgt.

7. Artikel 34 van de Monumentenwet 1988 (Mw) vormt de grondslag van de bevoegdheid tot het verstrekken van subsidiemiddelen. Op deze basis is het inmiddels vervallen Brrm 1997 vastgesteld. Ter nadere uitwerking hiervan zijn de Beleidsregels onderhoud en restauratie monumenten van 4 januari 1999 tot stand gekomen.

8. Op grond van artikel 14, eerste lid, van het Brrm 1997 dient de eigenaar de aanvraag om subsidie in, vergezeld van een restauratieplan en een begroting van de restauratiekosten.

9. Op grond van artikel 19, eerste lid, onder a, van het Brrm 1997 vermeldt Onze Minister in de beschikking tot subsidieverlening de door hem vastgestelde subsidiabele restauratiekosten.

10. In artikel 31, eerste lid, van het Brrm 1997 is bepaald dat de eigenaar na afloop van de restauratie een aanvraag tot vaststelling van de subsidie moet indienen. Ingevolge het vierde lid kan de aanvraag tot subsidievaststelling geen kosten bevatten die niet reeds bij de subsidieverlening als subsidiabele restauratiekosten zijn vastgesteld.

11. Ingevolge artikel 32, eerste lid, onder a, van het Brrm 1997 zenden burgemeester en wethouders de aanvraag tot subsidievaststelling, vergezeld van een door hen opgestelde berekening van de werkelijk gemaakte subsidiabele restauratiekosten door aan Onze minister.

12. De rechtbank stelt allereerst vast dat de subsidiëring van de kosten uitgaande boven het maximum volgens het verleningsbesluit van 1 november 2000 niet vooraf is aangevraagd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich bij de vaststelling van de subsidie ten behoeve van het onderhavige vaststellingsbesluit dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser bedoelde meerkosten van € 58.815,72 niet tot de subsidiabele restauratiekosten behoren. Immers, blijkens artikel 32, eerste lid, onder a, van het Brrm 1997 dient bij de vaststelling van de subsidie te worden uitgegaan van de werkelijk gemaakte subsidiabele restauratiekosten terwijl deze aanvraag op grond van het vierde lid van artikel 31 van het Brrm 1997 geen kosten kan bevatten die niet reeds bij de subsidieverlening als subsidiabele restauratiekosten zijn vastgesteld. Hieruit volgt dat verweerder het subsidiebedrag met juistheid heeft vastgesteld conform het bedrag van de verlening.

13. Voor zover eiser heeft beoogd te betogen dat hij niet op de hoogte is geweest van de overschrijding van de kosten en dat deze pas achteraf zijn gebleken, overweegt de rechtbank dat van eiser verwacht mag worden dat hij gedurende het gehele bouwtraject voldoende toezicht houdt op de daarmee gemoeide kosten en deze afzet tegen de begroting daarvan, dan wel dat hij dit door een ander laat doen. Zoals toegelicht ter zitting heeft eiser de werkzaamheden laten uitvoeren in regie door de architect. Daarnaast is bij het verleningsbesluit de bijlage “Lees dit eerst!” bijgevoegd, waarin is vermeld hoe te handelen indien tijdens de restauratie de verwachting ontstaat dat het subsidiabele bedrag zal worden overschreden. Voorts is tijdens de hoorzitting voor de bezwaarcommissie, waar ook eiser aanwezig is aangeweest, door de architect aangegeven dat men gewoon met de werkzaamheden is doorgegaan en besloten heeft achteraf aan te geven dat de kosten hoger waren dan begroot.

Uit het voorgaande volgt dat eiser geacht mag worden op de hoogte te zijn geweest van de relevante regelgeving. Gelet op zijn daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden kan eisers grief niet slagen. Dat eiser zelf eerst bij de ontvangst van de rekening van de aannemer heeft begrepen dat de begroting was overschreden leidt, wat daar verder ook van zij, niet tot een andere conclusie. Dat, zoals eiser ter zitting heeft aangevoerd, de architect geen restauratie-architect is, kan aan de conclusie evenmin afdoen. Eisers keuze met betrekking tot de door hem voor de directie ingeschakelde deskundigen is voor zijn rekening en risico.

14. Dat de regelgeving onpraktisch kan uitwerken wordt door verweerder wel erkend maar dat maakt het voorgaande, gelet op de daaruit voortvloeiende wettelijke vereisten, niet anders.

15. Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit in rechte stand houden. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.

16. De rechtbank ziet geen aanleiding te komen tot een proceskostenveroordeling.

17. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield, voorzitter, en mrs. J.H.G. van den Broek en

M.T. van Vliet, leden, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van

A.J.H. van der Donk, griffier, op 22 december 2006.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: