Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AZ3934

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-12-2006
Datum publicatie
07-12-2006
Zaaknummer
01/089070-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Apotheker veroordeeld tot hoge geldboete en deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor het bedrijven van internetfarmacie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/089070-04

Uitspraakdatum: 7 december 2006

VERKORT VONNIS

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1942,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13, 16, 17, 21 en 23 november 2006.

De zaak wordt gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de strafzaken tegen de medeverdachten:

[medeverdachte 1] (089071-04), [medeverdachte 2] (885056/05), [medeverdachte 3] (885057-05), [medeverdachte 4] (885058-05), [medeverdachte 5] (885059-05), [medeverdachte 6] (885060-05) en [medeverdachte 7] (885061-05).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 oktober 2006.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

Europharmacy B.V. (tevens handelend of gehandeld hebbende onder de na(a)m(en) Customer Service Organisation en/of Europharmacy en/of Europharmacy V.O.F.), en/of Lexomeer B.V. (tevens handelend onder de naam Customer Service Organisation), en/of Gezond en Fit B.V. en/of De Amert Apotheek B.V. (tevens handelend onder de naam Amert Customer Services) en/of De Amert Apotheek V.O.F. en/of De Amert Holding B.V, en/of een of meer andere rechtsperso(o)n(en) en/of andere perso(o)n(en), in of omstreeks de periode van 01 februari 2003 tot en met 28 oktober 2004 te Veghel en/of elders in Nederland, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende Codeïne (Paracod/Paracetamol met Codeïne) en/of van een materiaal bevattende Dextropropoxyfeen (Depronal), zijnde Codeïne en Dextropropoxyfeen telkens (een) middel(en) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, door toen daar telkens opzettelijk geneesmiddelen, die Codeïne en/of Dextropropoxyfeen bevatten, met als bestemming het buitenland, te weten de Verenigde Staten van Amerika en/of elders buiten het grondgebied van Nederland, te vervoeren en/of ten vervoer (aan een beroepsvervoerder) aan te bieden en/of af te leveren, hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht gegeven tot en/of feitelijk leiding gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

2.

Europharmacy B.V. (tevens handelend of gehandeld hebbende onder de na(a)m(en) Customer Service Organisation en/of Europharmacy en/of Europharmacy V.O.F.), en/of Lexomeer B.V. (tevens handelend onder de naam Customer Service Organisation), en/of Gezond en Fit B.V. en/of De Amert Holding B.V.,en/of een of meer andere rechtsperso(o)n(en) en/of andere perso(o)n(en), in of omstreeks de periode van 01 februari 2003 tot en met 28 oktober 2004 te Veghel en/of elders in Nederland, telkens opzettelijk heeft/hebben verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in ieder geval aanwezig heeft/hebben gehad (ten behoeve van een of meer particulieren), hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende Codeïne (Paracod/Paracetamol met Codeïne) en/of van een materiaal bevattende Dextropropoxyfeen (Depronal), zijnde Codeïne en/of Dextropropoxyfeen telkens (een) middel(en) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van de Opiumwet, hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht gegeven tot en/of feitelijk leiding gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

3.

Europharmacy B.V. (tevens handelend of gehandeld hebbende onder de na(a)m(en) Customer Service Organisation en/of Europharmacy en/of Europharmacy V.O.F.), en/of Lexomeer B.V. (tevens handelend onder de naam Customer Service Organisation), en/of Gezond en Fit B.V. en/of De Amert Apotheek B.V. (tevens handelend onder de naam Amert Customer Services) en/of De Amert Apotheek V.O.F. en/of De Amert Holding B.V. en/of een of meer andere rechtsperso(o)n(en) en/of perso(o)n(en), in of omstreeks de periode van 01 februari 2003 tot en met 28 oktober 2004 te Veghel en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk nader te noemen ongeregistreerde farmaceutische specialités en/of farmaceutische preparaten, dan wel geregistreerde farmaceutische specialités en/of farmaceutische preparaten, waarvan de inschrijving is geschorst, heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of ingevoerd en/of verhandeld, en/of ongeregistreerde farmaceutische specialités en/of farmaceutische preparaten ter aflevering in voorraad heeft/hebben gehad, welke vorenbedoelde specialités/preparaten bestonden uit een hoeveelheid of hoeveelheden Carisoma en/of Valium (in verpakking van "Hoffmann-La Roche AG") en/of Xanax (in verpakking van "Pharmacia GmbH") en/of Rivotril (in verpakking van Hoffman-La Roche AG") en/of Androderm en/of Depo-Progevera, hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht gegeven tot en/of feitelijk leiding gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

Europharmacy B.V. (tevens handelend of gehandeld hebbende onder de na(a)m(en) Customer Service Organisation en/of Europharmacy en/of Europharmacy V.O.F.), en/of Lexomeer B.V. (tevens handelend onder de naam Customer Service Organisation), en/of Gezond en Fit B.V. en/of De Amert Apotheek B.V. (tevens handelend onder de naam Amert Customer Services) en/of De Amert Apotheek V.O.F. en/of De Amert Holding B.V en/of een of meer andere rechtsperso(o)n(en) en/of andere perso(o)n(en), in of omstreeks de periode van 01 februari 2003 tot en met 28 oktober 2004 te Veghel en/of elders in Nederland, (telkens)

a) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende Alprazolam (aanwezig in "Xanax") en/of van een materiaal bevattende Clonazepam (aanwezig in "Rivotril") en/of van een materiaal bevattende Diazepam (aanwezig in "Valium"), zijnde Alprazolam en/of Clonazepam en/of Diazepam telkens een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

b) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende Alprazolam (aanwezig in "Xanax") en/of van een materiaal bevattende Clonazepam (aanwezig in "Rivotril") en/of van een materiaal bevattende Diazepam (aanwezig in "Valium"), zijnde Alprazolam en/of Clonazepam en/of Diazepam telkens een middel of middelen als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, door toen daar (telkens) opzettelijk geneesmiddelen, die Alprazolam en/of Clonazepam en/of Diazepam bevatten, met als bestemming het buitenland, te weten de Verenigde Staten van Amerika en/of elders buiten het grondgebied van Nederland, te vervoeren en/of ten vervoer (aan een beroepsvervoerder) aan te bieden en/of af te leveren, hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opdracht gegeven tot of feitelijk leiding gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

4.

Europharmacy B.V. (tevens handelend of gehandeld hebbende onder de na(a)m(en) Customer Service Organisation en/of Europharmacy en/of Europharmacy V.O.F.), en/of Lexomeer B.V. (tevens handelend onder de naam Customer Service Organisation), en/of Gezond en Fit B.V. en/of De Amert Holding B.V, en/of een of meer andere rechtsperso(o)n(en) en/of andere perso(o)n(en),in of omstreeks de periode van 1 februari 2003 tot en met 28 oktober 2004 te Veghel en/of elders in Nederland,(telkens) opzettelijk meerdere, althans een, factu(u)r(en), zijnde die factu(u)r(en) (telkens)(een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft/hebben opgemaakt, althans heeft/hebben vervalst, hebbende een of meer perso(o)n(en) handelende voor of namens voormelde rechtsperso(o)n(en) toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid,

- een factuur van C.S.O. bestemd voor [betrokkene 1] besteldatum 5 augustus 2004 en ordernummer 446 (opgenomen in het dossier B-0095A) en/of

- een factuur van C.S.O. bestemd voor [betrokkene 2], besteldatum 17 juli 2004 en ordernummer 325 (opgenomen in het dossier B-0429) en/of

- een factuur van C.S.O. bestemd voor [betrokkene 3], besteldatum 23 juli 2004 en ordernummer 358 (opgenomen in het dossier G-08-01) en/of

- een of meer andere soortgelijke facturen van C.S.O. met besteldata gelegen in de periode van 15 april 2004 tot en met 20 september 2004 voorzien van factuurdatum 24 september 2004 met het oogmerk om voormeld(e) factu(u)r(en) (telkens) als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken, hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht gegeven tot en/of feitelijk leiding gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

5.

Europharmacy B.V. (tevens handelend of gehandeld hebbende onder de namen Customer Service Organisation en/of Europharmacy en/of Europharmacy V.O.F.), en/of Lexomeer B.V. (tevens handelend onder de naam Customer Service Organisation), en/of Gezond en Fit B.V. en/of De Amert Holding B.V en/of een of meer andere rechtsperso(o)n(en) of perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 01 april 2004 tot en met 27 oktober 2004 te Veghel, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk als orgaan voor gezondheidszorg als bedoeld in de Wet tarieven gezondheidszorg,

- te weten een met een instelling voor gezondheidszorg gelijkgestelde voorziening of instelling, als bedoeld in artikel 4 van die wet, aangewezen ingevolge artikel 1 aanhef en onder A nummer 33 en/of artikel 2 en/of 4 van het Besluit werkingssfeer WTG 1992,- voor een of meer prestaties, te weten de onder voornoemde wet vallende farmaceutische hulp verleend door apothekers, namenlijk het afleveren van geneesmiddelen ten behoeve van ziekenfonds en niet-ziekenfondsverzekerden, voor welke prestatie(s) overeenkomstig voornoemde wet door het College tarieven gezondheidszorg (telkens) een maximumtarief was goedgekeurd en/of vastgesteld, (telkens) een hoger tarief dan het maximumtarief in rekening heeft/hebben gebracht dan ingevolge de tariefbeschikking nummer 5200-1900-04-2 door het College tarieven gezondheidszorg daarvoor is vastgesteld, te weten door voor geleverde geneesmiddelen onder meer

- in factuur met ordernummer 204 (opgenomen in het dossier onder B-0126), besteldatum 21 juni 2004 voor 20 tabletten Dormicum 15 mg. in totaal 34,78 euro in rekening te brengen in plaats van dat daarvoor toegestane maximumtarief van 20,32 euro en/of

- in factuur met ordernummer 439 (opgenomen in het dossier onder B-0127), besteldatum 9 augustus 2004 voor 200 doses Flixonase 50 mcg en 12 tabletten Viagra 100 mg. in totaal 218,79 euro in rekening te brengen in plaats van dat daarvoor toegestane maximumtarief van 146,48 euro en/of

- in factuur met ordernummer 446 (opgenomen in het dossier onder B-0095), besteldatum 5 augustus 2004 voor 20 tabletten Dormicum 7,5 mg. in totaal 32,64 euro in rekening te brengen in plaats van dat daarvoor toegestane maximumtarief van 18,79 euro en/of

- in factuur met ordernummer 358 (opgenomen in het dossier onder B-0428), besteldatum 23 juli 2004 voor 20 tabletten Dormicum 15 mg.(2x) in totaal 40,17 euro in rekening te brengen in plaats van dat daarvoor toegestane maximumtarief van 24,18 euro en/of

- in factuur met ordernummer 325 (opgenomen in het dossier onder B-0429), besteldatum 15 juli 2004 voor 4 tableten Levitra 20 mg.(15x), 4 tabletten Cialis 20 mg.(10x),12 tabletten Viagra 100 mg.en 30 tabletten Zantac 300 mg. (2x) in totaal 1416,55 euro in rekening te brengen in plaats van dat daarvoor toegestane maximumtarief van 1081,43 euro en/of

- in factuur met ordernummer 803 (opgenomen in het dossier onder B-0424), besteldatum 15 oktober 2004 voor 30 tabletten Temazepam 20 mg. in totaal 35,57 euro in rekening te brengen in plaats van dat daarvoor toegestane maximumtarief van 20,87 euro en/of

- in factuur met ordernummer 690 (opgenomen in het dossier onder B-0425), besteldatum 22 september 2004 voor 12 tabletten Levitra 10 mg. en 30 capsulus Depronal 150 mg. (3x) in totaal 196,11 euro in rekening te brengen in plaats van dat daarvoor toegestane maximumtarief van 144,92 euro en/of

- in factuur met ordernummer 114 (opgenomen in het dossier onder B-0426), besteldatum 7 juni 2004 voor 4 tabletten Viagra 50 mg.(4x) in totaal 167,33 euro in rekening te brengen in plaats van dat daarvoor toegestane maximumtarief van 134,53 euro, hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht gegeven tot of feitelijk leiding gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2003 tot en met 28 oktober 2004 te Veghel, in ieder geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en/of een of meer natuurlijke perso(o)n(en), te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of een of meer andere perso(o)n(en) en/of een of meer rechtsperso(o)n(en), te weten Europharmacy B.V. (tevens handelend of gehandeld hebbende onder de na(a)m(en) Customer Service Organisation en/of Europharmacy en/of Europharmacy V.O.F.) en/of De Amert Apotheek B.V. (tevens handelend onder de naam Amert Customer Services) en/of De Amert Apotheek V.O.F.en/of Lexomeer B.V. (tevens handelend of gehandeld hebbende onder de naam Customer Service Organisation) en/of Gezond en Fit B.V. en/of de Amert Holding B.V. en/of een of meer andere rechtsperso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk verkopen, afleveren, invoeren, verhandelen en/of ter aflevering in voorraad hebben van niet in Nederland geregistreerde farmaceutische preparaten en/of farmaceutische specialités (artikel 3, lid 4 onder a en/of b van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening), en/of

- het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of II, als mede het opzettelijk verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of aanwezig hebben van die middelen (artikelen 2 onder A en/of 2 onder B en/of 2 onder C en/of artikelen 3 onder A en/of 3 onder B en/of 3 onder C van de Opiumwet), en/of

- het opzettelijk in rekening brengen van hogere tarieven, dan wettelijk vastgestelde en/of goedgekeurde maximumtarieven terzake van de aflevering van geneesmiddelen (artikel 17b, lid 2 van de Wet tarieven gezondheidszorg - oud), zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van voormelde organisatie was.

Tengevolge van kennelijke schrijffouten in de tenlastelegging begaan staat in feit 5: "een geldbedrag van 24,18 euro" in plaats van 24,19 euro; "een geldbedrag van 144,92 euro" in plaats van 145,01 euro en "een geldbedrag van 134,53 euro" in plaats van 134,55 euro.

Voorts staat in de 11e regel van feit 5 "artikel 4 van die wet" in plaats van artikel 1, lid 2 van die wet.

De rechtbank herstelt deze schrijffouten en leest telkens het laatste in plaats van het eerste. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Voorzover in de tenlastelegging voor het overige taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat -zakelijk weergegeven- het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging, omdat de beslissing om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen in strijd komt met het verbod van willekeur. Daartoe is aangevoerd dat omstreeks september/oktober 2004 het strafrechtelijk onderzoek dat tegen verdachte is gestart, in eerste instantie enkel gericht was op overtreding van artikel 3, lid 4 van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening, terwijl het openbaar ministerie omstreeks hetzelfde tijdstip heeft besloten de zaak DocMorris, waarin het om hetzelfde verwijt handelde, te seponeren.

De rechtbank overweegt dat het strafrechtelijk onderzoek jegens verdachte is gestart naar aanleiding van het aantreffen van niet in Nederland geregistreerde geneesmiddelen in een aantal postpakketten, waarop als afzender "Europharmacy" was vermeld. De rechtbank is van oordeel dat op dat moment naar aanleiding van de ontstane verdenking geen enkele juridische belemmering bestond voor strafrechtelijk onderzoek. Gaandeweg het onderzoek zijn vervolgens andere strafrechtelijke aspecten aan de orde gekomen, op grond waarvan onder meer de vervolging terzake de verdenking van handelen in strijd met de Opiumwet en deelneming aan een criminele organisatie is ingesteld.

De rechtbank is van oordeel dat de door de verdediging genoemde zaak DocMorris slechts overeenkomst heeft met de onderhavige zaak waar het betreft het afleveren aan particulieren van niet geregistreerde geneesmiddelen.

Naar het oordeel van de rechtbank is ook overigens op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat het openbaar ministerie met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte te werk is gegaan.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook voor het overige geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De bewijsbeslissing.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 4 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Met name acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte het oogmerk had om de in de tenlastelegging genoemde facturen ter misleiding te gebruiken.

Overweging met betrekking tot het bewijs (feit 5).

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat naar het oordeel van de verdediging Europharmacy B.V. niet kan worden aangemerkt als een orgaan voor gezondheidszorg. De raadsman heeft daartoe verwezen naar het Besluit werkingssfeer Wet tarieven gezondheidszorg, artikel 2 en 3; het Besluit werkingssfeer maximumtarieven en de daarbij horende tariefbeschikking.

Uit die tariefbeschikking volgt volgens de raadsman dat Europharmacy B.V. niet valt onder het Besluit werkingssfeer maximumtarieven nu de tariefbeschikking slechts geldt voor bepaalde organen. Europharmacy B.V. zou niet een dergelijk orgaan zijn omdat in de beschikking artikel 4 van het Besluit werkingssfeer maximumtarieven niet is genoemd. Dit impliceert naar het oordeel van de raadsman dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem telastegelegde.

De rechtbank is van oordeel dat de tariefbeschikking nummer 5200-1900-04-2 zich ook richt tot Europharmacy B.V..

De toelichting bij deze tariefbeschikking stelt letterlijk: "....3. Deze tariefbeschikking is tevens van toepassing op personen of instellingen zoals bedoeld in artikel 4 van het Besluit werkingssfeer WTG 1992 (Stb. 1991, 732), dat laatstelijk is gewijzigd bij Besluit van 25 oktober 2002 (Stb. 2002, 527) en bij Besluit van 5 november 2002 (Stb. 2002, 549)." Naar het oordeel van de rechtbank maakt deze toelichting een onlosmakelijk deel uit van de tariefbeschikking.

Nu Europharmacy B.V. valt onder artikel 4 van het Besluit werkingssfeer WTG 1992 (Stb. 1991, 732), hetgeen niet wordt bestreden, richt de tariefbeschikking zich ook tot Europharmacy B.V..

Derhalve wordt het verweer verworpen.

In zoverre de raadsman betoogt dat artikel 17b van de Wet tarieven gezondheidszorg reeds vervallen was in de tenlastegelegde periode is dit feitelijk onjuist. Artikel 17b van de Wet tarieven gezondheidszorg is vervallen met ingang van 1 februari 2005 (Stb. 2005, 24).

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat:

1.

Europharmacy B.V. (tevens handelend of gehandeld hebbende onder de na(a)m(en) Customer Service Organisation en/of Europharmacy en/of Europharmacy V.O.F.), in de periode van 01 februari 2003 tot en met 28 oktober 2004 te Veghel

telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) een hoeveelheid van een materiaal bevattende Codeïne (Paracod/Paracetamol met Codeïne) en/of van een materiaal bevattende

Dextropropoxyfeen (Depronal), zijnde Codeïne en Dextropropoxyfeen middelen als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I,

door toen daar telkens opzettelijk geneesmiddelen, die Codeïne en Dextropropoxyfeen bevatten, met als bestemming het buitenland, te weten de Verenigde Staten van Amerika en/of elders buiten het grondgebied van Nederland, ten vervoer (aan een beroepsvervoerder) aan te bieden en af te leveren, hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander opdracht gegeven tot en feitelijk leiding gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

2.

Europharmacy B.V. (tevens handelend of gehandeld hebbende onder de na(a)m(en) Customer Service Organisation en/of Europharmacy en/of Europharmacy V.O.F.), in de periode van 01 februari 2003 tot en met 28 oktober 2004 te Veghel

telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad ten behoeve van een of meer particulieren, een hoeveelheid van een materiaal bevattende Codeïne (Paracod/Paracetamol met Codeïne) en/of van een materiaal bevattende Dextropropoxyfeen (Depronal), zijnde Codeïne en Dextropropoxyfeen middelen als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander opdracht gegeven tot en feitelijk leiding gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

3 primair:

Europharmacy B.V. (tevens handelend of gehandeld hebbende onder de na(a)m(en) Customer Service Organisation

en/of Europharmacy en/of Europharmacy V.O.F.), in de periode van 01 februari 2003 tot en met 28 oktober 2004 te Veghel

telkens opzettelijk nader te noemen ongeregistreerde farmaceutische specialités en/of farmaceutische preparaten, heeft verkocht en/of afgeleverd en/of ingevoerd, en/of ongeregistreerde farmaceutische specialités en/of farmaceutische preparaten ter aflevering in voorraad heeft gehad, welke vorenbedoelde specialités/preparaten bestonden uit een hoeveelheid of hoeveelheden Carisoma en/of Valium (in verpakking van "Hoffmann-La Roche AG") en/of Xanax (in verpakking van "Pharmacia GmbH") en/of Rivotril (in verpakking van Hoffman-La Roche AG") en/of Androderm en/of Depo-Provera, hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander opdracht gegeven tot enfeitelijk leiding gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

3 subsidiair, nu het vorenstaande niet tot een veroordeling kan leiden:

Europharmacy B.V. (tevens handelend of gehandeld hebbende onder de na(a)m(en) Customer Service Organisation en/of Europharmacy en/of Europharmacy V.O.F.), in de periode van 01 februari 2003 tot en met 28 oktober 2004 te Veghel telkens

a) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) een hoeveelheid van een materiaal bevattende Alprazolam (aanwezig in "Xanax") en/of van een materiaal bevattende Clonazepam (aanwezig in "Rivotril") en/of van een materiaal bevattende Diazepam (aanwezig in "Valium"), zijnde Alprazolam en Clonazepam en Diazepam middelen als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II,

b) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) een hoeveelheid van een materiaal bevattende Alprazolam (aanwezig in "Xanax") en/of van een materiaal bevattende Clonazepam (aanwezig in "Rivotril") en/of van een materiaal bevattende Diazepam (aanwezig in "Valium"), zijnde Alprazolam en Clonazepam en Diazepam middelen als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, door toen daar telkens opzettelijk geneesmiddelen, die Alprazolam en/of Clonazepam en/of Diazepam bevatten, met als bestemming het buitenland, te weten de Verenigde Staten van Amerika en/of elders buiten het grondgebied van Nederland, ten vervoer (aan een beroepsvervoerder) aan te bieden en af te leveren, hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander opdracht gegeven tot en feitelijk leiding gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

5.

Europharmacy B.V. (tevens handelend of gehandeld hebbende onder de namen Customer Service Organisation en/of Europharmacy en/of Europharmacy V.O.F.), in de periode van 01 april 2004 tot en met 27 oktober 2004 te Veghel telkens opzettelijk als orgaan voor gezondheidszorg als bedoeld in de Wet tarieven gezondheidszorg, - te weten een met een instelling voor gezondheidszorg gelijkgestelde voorziening of instelling, als bedoeld in artikel 1, lid 2 van die wet, aangewezen ingevolge artikel 4 van het Besluit werkingssfeer WTG 1992,- voor een of meer prestaties, te weten de onder voornoemde wet vallende farmaceutische hulp verleend door apothekers, namelijk het afleveren van geneesmiddelen ten behoeve van ziekenfonds en niet-ziekenfondsverzekerden, voor welke prestatie(s) overeenkomstig voornoemde wet door het College tarieven gezondheidszorg telkens een maximumtarief was goedgekeurd en/of vastgesteld, telkens een hoger tarief dan het maximumtarief in rekening heeft gebracht dan ingevolge de tariefbeschikking nummer 5200-1900-04-2 door het College tarieven gezondheidszorg daarvoor is vastgesteld, te weten door voor geleverde geneesmiddelen

- in factuur met ordernummer 204 (opgenomen in het dossier onder B-0126), besteldatum 21 juni 2004 voor 20 tabletten Dormicum 15 mg. in totaal 34,78 euro in rekening te brengen in plaats van dat daarvoor toegestane maximumtarief van 20,32 euro en

- in factuur met ordernummer 439 (opgenomen in het dossier onder B-0127), besteldatum 9 augustus 2004 voor 200 doses Flixonase 50 mcg en 12 tabletten Viagra 100 mg. in totaal 218,79 euro in rekening te brengen in plaats van dat daarvoor toegestane maximumtarief van 146,48 euro en

- in factuur met ordernummer 446 (opgenomen in het dossier onder B-0095),

besteldatum 5 augustus 2004 voor 20 tabletten Dormicum 7,5 mg. in totaal 32,64 euro in rekening te brengen in plaats van dat daarvoor toegestane maximumtarief van 18,79 euro en

- in factuur met ordernummer 358 (opgenomen in het dossier onder B-0428), besteldatum 23 juli 2004 voor 20 tabletten Dormicum 15 mg.(2x) in totaal 40,17 euro in rekening te brengen in plaats van dat daarvoor toegestane maximumtarief van 24,19 euro en

- in factuur met ordernummer 325 (opgenomen in het dossier onder B-0429),

besteldatum 15 juli 2004 voor 4 tableten Levitra 20 mg.(15x), 4 tabletten Cialis 20 mg.(10x),12 tabletten Viagra 100 mg.en 30 tabletten Zantac 300 mg.

(2x) in totaal 1416,55 euro in rekening te brengen in plaats van dat daarvoor toegestane maximumtarief van 1081,43 euro en

- in factuur met ordernummer 803 (opgenomen in het dossier onder B-0424), besteldatum 15 oktober 2004 voor 30 tabletten Temazepam 20 mg. in totaal 35,57 euro in rekening te brengen in plaats van dat daarvoor toegestane maximumtarief van 20,87 euro en

- in factuur met ordernummer 690 (opgenomen in het dossier onder B-0425), besteldatum 22 september 2004 voor 12 tabletten Levitra 10 mg. en 30 capsulus Depronal 150 mg. (3x) in totaal 196,11 euro in rekening te brengen in plaats van dat daarvoor toegestane maximumtarief van 145,01 euro en

- in factuur met ordernummer 114 (opgenomen in het dossier onder B-0426), besteldatum 7 juni 2004 voor 4 tabletten Viagra 50 mg.(4x) in totaal 167,33 euro in rekening te brengen in plaats van dat daarvoor toegestane maximumtarief van 134,55 euro,

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander opdracht gegeven tot en feitelijk leiding gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

6.

hij in de periode van 1 februari 2003 tot en met 28 oktober 2004 te Veghel, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en een natuurlijke persoon, te weten [medeverdachte 1] en meer rechtspersonen, te weten Europharmacy B.V. (tevens handelend of gehandeld hebbende onder de na(a)m(en) Customer Service Organisation en/of Europharmacy en Europharmacy V.O.F.) en De Amert Apotheek B.V. (tevens handelend onder de naam Amert Customer Services) en De Amert Apotheek V.O.F. en Lexomeer B.V. (tevens handelend of gehandeld hebbende onder de naam Customer Service Organisation)

en Gezond en Fit B.V. en de Amert Holding B.V.,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en II,

- het opzettelijk in rekening brengen van hogere tarieven, dan wettelijk vastgestelde en/of goedgekeurde maximumtarieven terzake van de aflevering van geneesmiddelen, zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en leider en bestuurder van voormelde organisatie was.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 3 subsidiair, 5 en 6 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

a. De strafbaarheid terzake feit 1.

De raadsman heeft betoogd dat Europharmacy B.V. -en daarmee verdachte- niet strafbaar is omdat Europharmacy B.V. beschikte over een Opiumwetverlof.

De rechtbank overweegt als volgt. Onder de oude Opiumwet (van 1 juni 1996 tot 16 maart 2003) was krachtens artikel 5 van die wet verlof mogelijk voor het brengen binnen of buiten het grondgebied van Nederland van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Indien een verlof is afgegeven voor 17 maart 2003 dient de beoordeling van de strafbaarheid van het handelen van Europharmacy B.V. beoordeeld te worden aan de hand van de oude Opiumwet. Dit ingevolge artikel III van Stb. 2002, 520 (Wet van 13 juli 2002 tot wijziging van de Opiumwet) dat bepaalt dat: "Ten aanzien van de verloven die zijn afgegeven voor het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, geldt de Opiumwet zoals deze luidde voor dat tijdstip. De verloven vervallen na afloop van het vierde kalenderjaar na het kalenderjaar waarin artikel I, onderdeel G, in werking is getreden.".

Aan Europharmacy B.V. is een verlof verstrekt op 6 november 2002. Het verlof vermeldt dat Europharmacy B.V. de in het verlof genoemde stoffen aanwezig mag hebben, vervoeren, verkopen, afleveren en verstrekken. Bovendien is vermeld dat het verlof van toepassing is voor het binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van diezelfde middelen.

Met het laatste lijkt hier sprake van een verlof ex artikel 5 van de Opiumwet. Dat is echter naar het oordeel van de rechtbank niet het geval, gelet op de aanhef van het verlof, te weten:

" Opiumverlof in het belang van de Volksgezondheid.

Gelezen de aanvraag van Europharmacy te Stein, ontvangen op 17 september 2002;

Gelet op de artikelen 6, eerste lid, en 7, eerste lid, onder b, tweede en derde lid, van de Opiumwet;" waarin wordt verwezen naar de aanvraag en naar de artikelen 6 en 7 van de Opiumwet.

Europharmacy B.V. mocht er dan ook niet op vertrouwen dat dit verlof inderdaad strekte tot bevoegde in- en export. Zulks blijkt niet alleen uit de aanvraag van de vergunning maar ook uit de later gevoerde correspondentie. De rechtbank is van oordeel dat Europharmacy B.V. niet beschikte over een verlof ex artikel 5 van de Opiumwet en er ook niet in redelijkheid op mocht vertrouwen dat het wel afgegeven verlof wel die strekking had.

Nu Europharmacy B.V. niet over een verlof ex artikel 5 van de Opiumwet beschikte, dient de bewezenverklaring te worden beoordeeld aan de hand van de huidige Opiumwet. Onder de huidige Opiumwet is geen vergunning verleend aan Europharmacy B.V.. Derhalve is Europharmacy B.V. strafbaar voor hetgeen onder 1 is tenlastegelegd.

b. De strafbaarheid terzake feit 2.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat artikel 2 onder A van de Opiumwet (deels) onverbindend is vanwege strijd met de artikelen 28, 29 en 30 van het EG-Verdrag, op grond waarvan verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De raadsman stelt dat de verboden van de Opiumwet (deels) een beperkende werking hebben op de in- en uitvoer van Opiumwetgeneesmiddelen naar andere EG-lidstaten en deze verboden derhalve een kwantitatieve uitvoerbeperking vormen, hetgeen onder artikel 28 en 29 van het EG-Verdrag verboden is.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gesteld dat de bepaling van artikel 2 onder A van de Opiumwet een maatregel van gelijke werking vormt als een ingevolge artikel 28 en 29 van het EG-Verdrag verboden in- of uitvoerbeperking, mede in aanmerking genomen de aard, het doel en de strekking van de Opiumwet en gelet op het feit dat alle EG-lidstaten partij zijn bij het Psychotrope Stoffen Verdrag (21 februari 1971 te Wenen, Trbl. 1987, 90).

De rechtbank verwerpt het verweer.

De raadsman heeft voorts het verweer gevoerd dat verdachte als apotheker ingevolge artikel 5, lid 1 sub a van de Opiumwet bevoegd is om Opiumwetmiddelen aanwezig te hebben in het kader van zijn beroepsuitoefening. De raadsman stelt dat verdachte derhalve is vrijgesteld van het verbod van artikel 2 onder C van de Opiumwet en ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

De rechtbank is van oordeel dat Europharmacy B.V. weliswaar beschikte over een Opiumwetverlofmaar dat Europharmacy B.V. krachtens de daarbij geldende voorschriften niet bevoegd was Opiumwetmiddelen aan particulieren te leveren. Dit heeft zij wel gedaan.

De rechtbank verwerpt het verweer.

c. De strafbaarheid terzake feit 3 primair.

Ten laste is gelegd overtreding van art. 3 lid 4 van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening (WOG). De raadsman betoogt dat overtreding van art. 3 lid 4 van de WOG, gelezen in samenhang met art. 21 van het Besluit Registratie geneesmiddelen (BRG) geen strafbaar feit oplevert met als gevolg dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. Subsidiair betoogt de raadsman dat art. 3 lid 4 van de WOG conform het EG-verdrag geïnterpreteerd dient te worden, welke interpretatie eveneens tot gevolg zou hebben dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

De rechtbank bespreekt beide weren tezamen.

In 1975 is de WOG ingrijpend gewijzigd. Zoals blijkt uit het opschrift van de Wet van 29 augustus 1975 (Stb. 1975, 519) vond die wijziging plaats met het oog op de aanpassing van de WOG aan het toenmalige EEG-verdrag (hierna EG-verdrag) en het verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie. Bij deze wijziging is onder meer art. 3, lid 8, WOG (bij wet van 16 december 1993, in werking getreden 1 januari 1994, vernummerd tot lid 7) ingevoerd, dat bepaalt dat ter uitvoering van een krachtens het EG-verdrag tot stand gekomen bindende regeling inzake het in de handel brengen van geneesmiddelen bij Algemene Maatregel van Bestuur regels kunnen worden gesteld die afwijken van het bepaalde in de voorgaande bepalingen van art. 3 WOG. Krachtens deze bepaling is tot stand gekomen het Besluit registratie geneesmiddelen (BRG) van 8 september 1977, Stb. 1977, 537. Het thans aan de orde zijnde art. 21, lid 2, BRG kent zijn huidige redactie sedert 1 januari 1994 (Stbl. 1993, 541; bij Besluit van 3 oktober 1995, Stb. 1995, 552, in werking getreden op 8 november 1995, is het toenmalige derde lid van art. 21 vernummerd tot lid 2).

Art. 3, lid 4, WOG luidt als volgt:

Het is verboden:

a. ongeregistreerde farmaceutische specialités en farmaceutische preparaten, dan wel geregistreerde farmaceutische specialités en farmaceutische preparaten, waarvan de inschrijving is geschorst, te bereiden, te verkopen, af te leveren, in te voeren of te verhandelen;

b. ongeregistreerde farmaceutische specialités en farmaceutische preparaten ter aflevering in voorraad te hebben.

Art. 21, lid 2, BRG bepaalt:

Artikel 3 lid 4 van de wet is voor wat betreft het bereiden en invoeren (...) niet van toepassing ten aanzien van farmaceutische producten welke uitsluitend in het buitenland in de handel zullen worden gebracht.

Gelet op de uitdrukkelijke aanpassingen van art. 3 van de WOG aan het EG-recht en de totstandkoming van het BRG heeft de wetgever uitdrukkelijk beoogd een stelsel van regels tot stand te brengen dat voldoet aan de door het EG-recht gestelde eisen. Tegen deze achtergrond rijst de vraag hoe het verbod van art. 3, lid 4, WOG met inachtneming van art. 21, lid 2, BRG moet worden geïnterpreteerd.

Naar het oordeel van de rechtbank verzet de van toepassing zijnde secundaire EG-regelgeving betreffende de toelating van medicijnen op de gemeenschappelijke markt, in het bijzonder gelet op art. 6 van richtlijn 2001/83, zich niet tegen een nationaal verbod op het in het verkeer brengen van niet geregistreerde medicijnen. In dit opzicht is de tekst van art. 3, lid 4, WOG in overeenstemming met het EG-recht. De tekst van art. 3, lid 4, WOG roept echter wel vragen op in het licht van art. 29 EG-verdrag. De rechtbank is van oordeel dat de letterlijke tekst van het verbod van art. 3, lid 4, WOG, gelezen in samenhang met art. 21, lid 2, BRG - derhalve het verbod om niet in Nederland geregistreerde medicijnen te verkopen, af te leveren, te verhandelen of in voorraad te hebben - feitelijk een uitvoerbelemmering vormt in die zin dat het ten gevolge van dit verbod voor in Nederland werkzame ondernemingen niet mogelijk is om medicijnen op de interne markt te brengen die in andere landen wel geregistreerd en derhalve daar wel legaal zijn. Aldus maken de verboden van art. 3, lid 4, WOG het voor in Nederland gevestigde ondernemingen onmogelijk om volgens het gemeenschapsrecht of het recht van de betreffende lidstaat legale activiteiten op de interne markt uit te oefenen. De verboden zijn daarmee discriminerend in die zin dat zij een onderscheid maken tussen medicijnen bestemd voor de Nederlandse markt en de interne markt terwijl het in beide gevallen medicijnen zijn die zijn geregistreerd in het register van het bestemmingsland. Aldus vormt de (letterlijke) tekst van art. 3, lid 4, WOG naar het oordeel van de rechtbank een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking als verboden in art. 29 EG-verdrag. Gelet op het feit dat de geneesmiddelenwetgeving binnen de landen van de Europese Gemeenschap ten gevolge van de Europese richtlijnen ter bescherming van de volksgezondheid in sterke mate is geharmoniseerd, kan het gemaakte onderscheid niet worden gerechtvaardigd met een beroep op de volksgezondheid van Nederland (of andere lidstaten). Een rechtvaardiging als bedoeld in art. 30 EG-verdrag voor het gemaakte onderscheid ontbreekt derhalve.

De bestaande spanning tussen art. 3, lid 4, WOG enerzijds en art. 29 EG-verdrag anderszijds kan naar het oordeel van de rechtbank worden weggenomen door het verbod te verkopen, af te leveren, te verhandelen en in voorraad te hebben dusdanig te interpreteren dat deze verboden slechts gelden voor geneesmiddelen die in Nederland aan Nederlandse eindgebruikers worden afgeleverd. De rechtbank leest art. 3, lid 4, WOG waar het betreft verkopen, afleveren, verhandelen en in voorraad hebben van niet geregistreerde medicijnen als volgt:

Het is verboden:

a. ongeregistreerde farmaceutische specialités en farmaceutische preparaten, dan wel geregistreerde farmaceutische specialités en farmaceutische preparaten, waarvan de inschrijving is geschorst, ... te verkopen, af te leveren, ... of te verhandelen;

b. ongeregistreerde farmaceutische specialités en farmaceutische preparaten ter aflevering in voorraad te hebben

voor zover deze specialités en preparaten bestemd zijn voor verstrekking in Nederland aan eindverbruikers.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat Europharmacy niet in Nederland geregistreerde geneesmiddelen heeft verkocht, afgeleverd, ingevoerd en in voorraad heeft gehad.

Naar het oordeel van de rechtbank betrof dit medicijnen die bestemd waren voor het buitenland.

Voor zover bewezen is verklaard dat Europharmacy heeft ingevoerd, is Europharmacy daarvoor niet strafbaar gelet op de uitzonderingsbepaling van art. 21, lid 2 BRG, dat de reikwijdte van art. 3, lid 4 WOG beperkt. Voor zover bewezen is verklaard dat Europharmacy heeft verkocht, afgeleverd en in voorraad heeft gehad is dit handelen van Europharmacy BV niet strafbaar gelet op de EG-recht conforme interpretatie van art. 3 lid 4, WOG.

Nu Europharmacy BV niet strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten dient de feitelijke opdracht- en leidinggever ontslagen te worden van alle rechtsvervolging.

d. de strafbaarheid van feit 3 subsidiair.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat artikel 3 onder A van de Opiumwet (deels) onverbindend is vanwege strijd met de artikelen 28, 29 en 30 van het EG-Verdrag, op grond waarvan verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De raadsman stelt dat de verboden van de Opiumwet (deels) een beperkende werking hebben op de in-

en uitvoer van Opiumwetgeneesmiddelen naar andere EG-lidstaten en deze verboden derhalve een kwantitatieve uitvoerbeperking vormen, hetgeen onder artikel 28 en 29 van het EG-Verdrag verboden is.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gesteld dat de bepaling van artikel 3 onder A van de Opiumwet een maatregel van gelijke werking vormt als een ingevolge artikel 28 en 29 van het

EG-Verdrag verboden in- of uitvoerbeperking, mede in aanmerking genomen de aard, het doel en de strekking van de Opiumwet en gelet op het feit dat alle EG-lidstaten partij zijn bij het Psychotrope Stoffen Verdrag (21 februari 1971 te Wenen, Trbl. 1987, 90).

De rechtbank verwerpt het verweer.

e. de strafbaarheid van de feiten en van verdachte voor het overige.

Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 27, 28, 36b, 36c, 47, 51, 57, 140;

Opiumwet art. 10, 11;

Wet op de Geneesmiddelenvoorziening art. 3 (oud);

Wet op de economische delicten art. 1 (oud), 2, 6, 7;

Wet tarieven gezondheidszorg art. 17b (oud).

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert terzake de feiten 1, 2, 3 primair, 4, 5 en 6 een geldboete van € 200.000,00 subsidiair een jaar hechtenis, gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 65 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis en ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van apotheker voor de duur van drie jaren.

Voorts vordert de officier van justitie de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen facturen, de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen geneesmiddelen en de teruggave van de inbeslaggenomen administratieve bescheiden aan verdachte.

De op te leggen straf(fen) en/of maatregel(en).

Bij de beslissing over de (bijkomende) straffen en maatregelen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder de draagkracht.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank enerzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten zoals bewezen verklaard onder 1, 2, en 6, in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- verdachte heeft feitelijk leiding gegeven aan het bedrijven van internetfarmacie met betrekking tot stoffen die onder de Opiumwet vallen en heeft daarbij niet slechts de grenzen van de wet opgezocht maar ook welbewust van toepassing zijnde regelgeving overtreden;

- verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat artsen in hem stelden;

- verdachte heeft de door hem gepleegde strafbare feiten gepleegd in georganiseerd verband en heeft willens en wetens zijn rol in die organisatie vervuld;

- bij het plegen van de strafbare feiten vervulde verdachte een leidinggevende rol;

- verdachte heeft bij het plegen van de feiten onmiskenbaar ook gehandeld uit winstbejag;

- verdachte heeft door zijn strafbare handelen het imago van de beroepsgroepen van apothekers en artsen schade berokkend.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden die tot matiging van de straf hebben geleid:

- verdachte is in zijn privéleven getroffen door de gevolgen van de door hem gepleegde strafbare feiten;

- verdachte werd terzake strafbare feiten soortgelijk aan de door hem gepleegde strafbare feiten niet eerder veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken.

De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De rechtbank is van oordeel dat ook de bijkomende straf van ontzetting van het recht tot het uitoefenen van het beroep van apotheker dient te worden opgelegd. De Wet op de economische delicten maakt dit mogelijk (art. 7, sub a) nu verdachte een economisch delict heeft begaan en deze straf is ook passend nu de strafbare handelingen van verdachte zijn begaan binnen de werkingssfeer van zijn beroep en onderneming. De rechtbank zal echter, gelet op het verhandelde ter terechtzitting, de door de officier van justitie gevorderde duur van de ontzetting (drie jaar) beperken tot twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De omstandigheid dat verdachte thans niet meer werkzaam is als apotheker, zoals door hem ter terechtzitting verklaard, laat onverlet dat dit in de nabije toekomst anders zou kunnen zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - met betrekking tot deze voorwerpen de feiten zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 4 is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 primair en subsidiair, 5 en 6 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 3 primair tenlastegelegde feit, begaan door de rechtspersoon, niet strafbaar en ontslaat verdachte terzake van alle rechtsvervolging.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven en feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging

(artikel 10, lid 5 Opiumwet en artikel 51, lid 2 sub 2( Wetboek van Strafrecht);

T.a.v. feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod,

meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven en feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging

(artikel 10, lid 3 Opiumwet en artikel 51, lid 2 sub 2( Wetboek van Strafrecht);

T.a.v. feit 3 subsidiair:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven en feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging

(artikel 11, lid 4 Opiumwet en artikel 51, lid 2 sub 2( Wetboek van Strafrecht);

T.a.v. feit 5:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 17b, tweede lid van de Wet tarieven geneesmiddelen (oud) gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 6, lid 1 onder 2(

van de Wet op de economische delicten (oud), meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven en feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging

(artikel 1 onder 1( en 2, lid 1 van de Wet op de economische delicten en artikel artikel 51, lid 2 sub 2( Wetboek van Strafrecht);

T.a.v. feit 6:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij oprichter, leider en bestuurder was van voormelde organisatie.

(artikel 140, lid 1 en lid 3 Wetboek van Strafrecht).

Verklaart verdachte strafbaar voor de feiten 1, 2, 3 subsidiair, 5 en 6.

BESLISSING:

T.a.v. feit 1, 2, 3 subsidiair, 5 en 6:

gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 65 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

geldboete van € 200.000,00 subsidiair een jaar hechtenis;

ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van apotheker voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen geneesmiddelen.

T.a.v. feit 4:

vrijspraak.

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen schriftelijke bescheiden aan de rechthebbende.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis, welk bevel op 27 juli 2005 is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.W.H. Renneberg, voorzitter,

mr. N.M. Spelt en mr. M.L.W.M. Viering, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier

en is uitgesproken op 7 december 2006.