Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AZ3524

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-12-2006
Datum publicatie
04-12-2006
Zaaknummer
01/825022-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging voor moeder die haar kind heeft vermoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/825022-06

Uitspraakdatum: 4 december 2006

VERKORT VONNIS

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

(verdachte),

geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum) 1974,

wonende te (woonplaats), (adres),

thans gedetineerd: PIV Breda te Breda.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 november 2006.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 27 maart 2006.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 10 januari 2006 te Dommelen, in de gemeente Valkenswaard,

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk en met

voorbedachten rade (haar dochter) (slachtoffer) (geboren op (geboortedatum) 1999)

van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft verdachte en/of haar

mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde

[slachtoffer] vijf, althans een of meer (slaap/kalmerings)tabletten toegediend en/of

(vervolgens) meermalen, althans eenmaal, de neus van die [slachtoffer] dichtgeknepen

en/of dichtgeknepen gehouden en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal de

mond van die [slachtoffer] dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden, tengevolge

waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(artikel 289 jo 47 van het Wetboek van Strafrecht)

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Bewijsoverweging.

Ten verwere is allereerst aangevoerd dat uit de conclusie van de deskundigen dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde ontoerekeningsvatbaar was alsmede uit de daaraan ten grondslag liggende beschrijving van haar geestelijke toestand ten tijde van het tenlastegelegde, moet worden afgeleid dat verdachte toen aan een zodanig ernstige geestelijke afwijking leed dat zij van elk inzicht in de draagwijdte van haar handelen en de mogelijke gevolgen daarvan was verstoken. Verdachte handelde geheel buiten zichzelf, zo wordt aangevoerd. Op grond hiervan concludeert de verdediging dat het opzet niet bewezen is en dat aldus vrijspraak dient te volgen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de verklaring van verdachte van 12 januari 2006 komt naar voren dat zij tevoren heeft nagedacht over het doden van haar kind, dat zij die dood heeft gepland en bij de uitvoering met overleg te werk is gegaan door [slachtoffer] eerst een aantal slaaptabletten c.q. kalmeringstabletten te geven en haar geruime tijd daarna te doden. Uit die verklaring blijkt dat verdachte de dood van [slachtoffer] wilde.

De hierna nader te bespreken ernstige geestelijke stoornis van verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank niet tot gevolg gehad dat zij handelde in een toestand waarin ieder inzicht in de draagwijdte van haar handelen en de mogelijke gevolgen daarvan ontbrak. Verdachte had weliswaar het zicht op de realiteit verloren in die zin dat zij vanuit haar geestelijke stoornis(sen) geen andere mogelijkheid zag dan haar dochtertje te doden om -in haar beleving- haar te behoeden voor bestaande en/of toekomstige problemen, doch die omstandigheid brengt nog niet mee dat het verdachte ontbrak aan elk inzicht in de draagwijdte en onomkeerbaarheid van haar handelen. Zij wist dat haar dochter door haar handelingen zou komen te overlijden. De omstandigheden dat verdachte onder invloed van haar geestelijke stoornis(sen) tot het feit is gekomen en ontoerekeningsvatbaar was staat dan ook niet in de weg aan bewezenverklaring van het opzet van verdachte op het beëindigen van het leven van haar dochtertje.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

op 10 januari 2006 te Dommelen, in de gemeente Valkenswaard, opzettelijk en met voorbedachten rade haar dochter (slachtoffer) (geboren op (geboortedatum) 1999) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] vijf slaap/kalmeringstabletten toegediend en vervolgens de neus van die [slachtoffer] dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden en de mond van die [slachtoffer] dichtgedrukt en dichtgedrukt gehouden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid van het feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte.

Op 29 juli 2006 heeft GZ-psycholoog drs. H.R. van Tuijl een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De in dit rapport vermelde conclusie luidt onder meer, zakelijk weergegeven:

“Onderzochte heeft een onvoldoende gedifferentieerde persoonlijkheidsstructuur (een psychotische persoonlijkheidsorganisatie). Tijdens het tenlastegelegde was onderzochte psychotisch gedecompenseerd. Er was ten tijde van het tenlastegelegde sprake van een kortdurende psychotische stoornis met duidelijke stresserende factoren. De hierboven beschreven psychotische persoonlijkheidsorganisatie en de daaruit voortkomende psychotische stoornis beïnvloedden haar gedragskeuzen cq. gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde zodanig dat het tenlastegelegde daaruit verklaard kan worden. In haar psychose, ontstaan na het mislukken van een symbiotische relatie met als gevolg identiteitsverlies en ontreddering, was onderzochte er zeker van dat ze het slachtoffer behoedde voor een ongelukkig leven met drugs en prostitutie door haar leven te beëindigen. Onderzochte had een ongecorrigeerde overtuiging, een waan, die haar handelen volledig bepaalde en die maakte dat ze binnen dat kader uit volle overtuiging dat ze het welzijn van het slachtoffer daarmee het best diende, met zorg en weloverwogen het tenlastegelegde kon uitvoeren met het vaste plan daarna een eind aan haar eigen leven te maken. Op grond hiervan kan men adviseren onderzochte ten aanzien van het haar tenlastegelegde volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren.”

Op 7 augustus 2006 hebben hoogleraar forensische psychiatrie prof. dr. H.J.J. van Marle, psychiater A.M. van Hulst en psychiater i.o. S. Dieleman een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De in dit rapport vermelde conclusie luidt onder meer, zakelijk weergegeven:

“Betrokkene heeft een psychotische persoonlijkheidsorganisatie. Uit het onderzoek van betrokkene komt de in de persoonlijkheid verankerde behoefte naar voren tot het aangaan van symbiotische relaties en de daarbij behorende stress wanneer zo'n relatie verbroken wordt.

Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was dit ook het geval, waarbij er door de psychosociale stress op dat moment ook sprake was van nihilistische wanen, passend bij een kortdurende psychotische stoornis.

Deze stoornissen beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastgelegde zodanig dat die daaruit verklaard kan worden. Door de wanen was betrokkene er van overtuigd dat het slachtoffer in zo'n negatieve spiraal terecht was gekomen dat de enige manier voor het slachtoffer en daarmee ook voor betrokkene aan een zeer ongelukkig leven te ontsnappen de dood van zowel het slachtoffer als betrokkene zelf was. De wanen beheersten ten tijde van het delict het denken van betrokkene en mede door het vernauwde bewustzijn was zij niet gevoelig voor beïnvloeding van buitenaf. Dit maakt dat betrokkene ten tijde van het delict ontoerekeningsvatbaar was.”

De officier van justitie heeft ter zitting aangevoerd dat, nu uit de rapportages vast is komen te staan dat wegens de ziekelijke stoornis van de geestesvermogens het tenlastegelegde feit niet aan verdachte kan worden toegerekend, verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De verdediging heeft evenzeer ontslag van alle rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid bepleit.

De rechtbank neemt de conclusies uit de rapporten van GZ-psycholoog drs. H.R. van Tuijl en hoogleraar forensische psychiatrie prof. dr. H.J.J. van Marle, psychiater A.M. van Hulst en psychiater i.o. S. Dieleman, alsmede de gronden waarop zij berusten over en maakt deze tot de hare. De rechtbank is van oordeel dat verdachte niet strafbaar is, nu het tenlastegelegde en bewezen verklaarde feit haar wegens een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens niet kan worden toegerekend. Op grond hiervan zal de rechtbank verdachte ten aanzien van dit feit ontslaan van alle rechtsvervolging.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 37a (oud), 37b, 39 en 289 (oud).

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie. (bewezenverklaring moord)

- terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

De op te leggen maatregel.

Op 29 juli 2006 heeft GZ-psycholoog drs. H.R. van Tuijl – zoals hiervoor reeds aangegeven – een rapport omtrent verdachte uitgebracht. In dit rapport wordt voorts onder meer het navolgende gesteld:

Ten tijde van het ten laste gelegde was onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens: zij was psychotisch gedecompenseerd. Ten tijde van het ten laste gelegde was sprake van een kortdurende psychotische stoornis met duidelijk stresserende factoren. Omdat onderzochte nog steeds vanuit haar (psychotische) persoonlijkheidsorganisatie de behoefte aan een symbiotische relatie blijft houden (en in feite daar ook blijk van gaf tijdens de observatieperiode in de kliniek door zulke relaties aan te gaan), is het bijna onvermijdelijk dat ze op dezelfde wijze relatieproblemen ontwikkelt. Als er dan kinderen zijn of komen is, bij het ontstaan van spanningen, het wederom optreden van een psychose te verwachten met alle risico van recidive. Daarbij moet tevens in ogenschouw worden genomen worden dat onderzochte geen inzicht heeft in eigen motieven en in eigen functioneren, het vreselijk vindt wat er gebeurd is, in ontreddering verkeert en daardoor een nog grotere behoefte aan steun en geborgenheid heeft. De behoefte aan een symbiotische relatie is door het haar tenlastegelegde en de daaruit ontstane ontreddering eerder versterkt dan verzwakt. In die zin versterken de omstandigheden de kwetsbaarheid van de persoonlijkheidsorganisatie.

Gezien de hierboven beschreven factoren en condities verdient het aanbeveling onderzochte verplicht op te nemen in een TBS-instelling, waar een behandeling kan worden gestart gericht op haar psychotische persoonlijkheidsorganisatie. Gezien haar gebrek aan inzicht in eigen functioneren, het grote risico van recidive bij het aangaan van symbiotische relaties met nieuwe psychotische decompensatie, is een ambulante behandeling geen werkelijke optie.

Op 7 augustus 2006 hebben hoogleraar forensische psychiatrie prof. dr. H.J.J. van Marle, psychiater A.M. van Hulst en psychiater i.o. S. Dieleman – zoals hiervoor reeds aangegeven – een rapport omtrent verdachte uitgebracht. In dit rapport wordt voorts onder meer het navolgende gesteld:

Betrokkene heeft een psychotische persoonlijkheidsorganisatie. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was dit ook het geval, waarbij er door de psychosociale stress op dat moment ook sprake was van nihilistische wanen, passend bij een kortdurende psychotische stoornis.

Deze stoornissen beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastgelegde zodanig dat die daaruit verklaard kan worden.

Een nieuwe psychotische stoornis zal de kans op recidief vergroten. Of er opnieuw een psychotische stoornis optreedt zal met name afhankelijk zijn van de psychosociale stress die betrokkene ondervindt. Een belangrijke factor voor het beleven van stress is bij betrokkene haar psychotische persoonlijkheidsorganisatie. Door haar persoonlijkheidsproblematiek is de kans groot dat betrokkene wederom in een symbiotische relatie terechtkomt en dat wanneer deze relatie onder druk komt te staan, betrokkene veel stress zal ondervinden en waarschijnlijk wederom psychotisch zal decompenseren met daarbij de reële mogelijkheid van recidive.

Aanbevolen wordt betrokkene verplicht op te nemen voor behandeling in een gesloten TBS-kliniek, waar gestart kan worden met psychotherapeutische behandeling. Het is van belang dat er een goede controle kan zijn over met wie betrokkene een relatie aangaat, zodat zij de kans krijgt een goede therapeutische relatie met haar behandelaars op te bouwen. Een ambulante behandeling is te weinig intensief om de persoonlijkheidsproblematiek aan te pakken, zodat een klinische is aangewezen.

Bovendien bestaat er weliswaar ziektebesef bij betrokkene, maar geen ziekte-inzicht, waardoor de inzet ten behoeve van een behandeling gering zal zijn. De kans op het wederom aangaan van symbiotische relaties blijft zeer groot zodat het behandelingsmilieu controleerbaar moet zijn.

Reclassering Nederland (rapporteur: mevrouw M.M.H. Beekman) verenigt zich in haar rapport d.d. 28 augustus 2006 voor wat betreft de strafrechtelijke afdoening van onderhavige zaak met het advies van rapporterend psychiater de heer Dieleman en rapporterend psycholoog de heer Van Tuyl om de maatregel ter beschikkingstelling met bevel tot verpleging op de leggen, mits de rechtbank van oordeel is dat het gepleegde delict een dergelijke strafmaat rechtvaardigt.

De verdediging bestrijdt deels de juistheid van de beschouwingen van de deskundigen, waartoe allereerst is betoogd dat de neiging tot het ondergaan van symbiotische relaties niet uit de levensloop van verdachte en de relaties die zij in het verleden heeft gehad blijkt en dat de kans op het aangaan van een dergelijke relatie in de toekomst dus nihil is. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat hoe dan ook de kans op recidive nihil is, omdat de kans dat verdachte nogmaals in een vergelijkbare situatie komt te verkeren heel klein is.

De rechtbank begrijpt de rapporten van de deskundigen aldus dat verdachte op grond van haar persoonlijkheidsstructuur een sterke neiging heeft tot het impulsief aangaan van symbiotische relaties - in die zin dat het gaat om intensieve, grenzeloze en exclusieve relaties - en dat verdachte met name onder stressvolle omstandigheden in een dergelijke relatie zwaar onder druk komt te staan, met een psychotische stoornis (die zijn oorzaak vindt in de bij verdachte bestaande psychotische persoonlijkheidsorganisatie) als gevolg. Onder die omstandigheden kan dan wederom een ernstig geweldsdelict plaatsvinden jegens degene met wie verdachte zo’n symbiotische relatie onderhoudt, aldus de deskundigen.

Uit de deskundigenrapporten en meer in het bijzonder ook de observatie van verdachte blijkt dat zij de neiging heeft zich snel in een hechte relatie te begeven, terwijl zij geïrriteerd raakt wanneer die ander aandacht heeft voor een derde. Dat verdachte zich snel in een hechte relatie begeeft, blijkt onder meer uit de wijze waarop zij (vader slachtoffer) leerde kennen en de snelle ontwikkeling van die relatie. De rechtbank verwijst hieromtrent naar de verklaringen van (vader slachtoffer). Verdachte was veel te betrokken op haar dochtertje [slachtoffer] en zij maakte zich, zonder dat daarvoor enige reële noodzaak bestond, ernstig zorgen om haar welzijn. Eind 2005/ begin 2006 heeft verdachte, mede onder invloed van de stressvolle relatie met (naam relatie) en de beëindiging daarvan, ten aanzien van het welbevinden van [slachtoffer] meer en meer het zicht op de werkelijkheid verloren en uiteindelijk is zij -onder invloed van wanen - tot het zeer ernstige misdrijf is gekomen. Ervan uitgaande - zoals verdachte jegens onder meer jegens de rapporteurs heeft aangegeven - dat juist (naam relatie) degene was die verdachte in hun relatie teveel claimde en niet andersom, dan neemt dat nog niet weg dat - zoals de deskundigenrapporten vermelden - verdachte niet in staat was haar onvrede met die, zeer intensieve, relatie te uiten en daarnaar te handelen. Integendeel: zij deed onder meer een huwelijksaanzoek met Kerstmis 2005, terwijl zij naar eigen zeggen eigenlijk van haar vriendin afwilde (zie de verklaring van verdachte d.d. 10 juli 2006, blz. 259-264 van het procesdossier). Uit de rapporten komt naar voren dat dit aanzienlijke stress opleverde voor verdachte en dat zij op grond van haar persoonlijkheidsstructuur niet in staat was die stress op een normale manier op te vangen.

Nu moge het zo zijn dat in de deskundigenrapporten niet ten aanzien van elke belangrijke relatie van verdachte het symbiotische karakter daarvan is aangetoond, doch dat neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat de deskundigen op een duidelijke en goed gemotiveerde wijze uiteen hebben gezet dat het juist de combinatie is van de persoonlijkheidsstructuur, het gemakkelijk aangaan en onderhouden van intensieve relaties, het niet kunnen omgaan met aanzienlijke psychosociale stress en het verdringen van negatieve- en agressiegevoelens in een dergelijke relatie die tot een psychotische decompensatie kunnen leiden. Dat verdachte tijdens het huwelijk met [vader slachtoffer] ten aanzien van hem niet in een dergelijke situatie is komen te verkeren doet hieraan niet af. De rechtbank wijst er op dat verdachte zich snel juist min of meer exclusief is gaan richten op haar dochtertje [slachtoffer] en dat – zoals zowel verdachte als (vader slachtoffer) hebben verklaard – de echtelieden daarom wat langs elkaar heen leefden.

Hoewel het thans de eerste keer is dat verdachte zich aan een ernstig geweldsdelict schuldig heeft gemaakt, volgt de rechtbank de verdediging niet in het standpunt dat het delict enkel situationeel is bepaald. De persoonlijkheidsstructuur van verdachte brengt mede dat zij snel in uiterst intensieve relaties terecht komt en belangrijke psycho-sociale stress-situaties binnen zo’n relatie moeilijk kan hanteren. De rechtbank begrijpt de rapporten van de deskundigen aldus dat het waarschijnlijk is dat verdachte dan psychotisch zal decompenseren en dat onder die omstandigheden het gevaar voor recidive ernstig moet worden geacht. De rechtbank volgt de deskundigen in dit oordeel.

De verdediging heeft op gronden zoals vermeld in de overgelegde pleitnota aangevoerd dat een TBS met dwangverpleging een uiterst middel is en dat in dit geval de benodigde klinische behandeling van verdachte evenzeer kan worden gerealiseerd middens een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht of een terbeschikkingstelling met voorwaarden ex artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht en dat een van deze modaliteiten de voorkeur geniet boven een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging. De raadsman betreurt het dat de gedragsdeskundigen zich niet over genoemde modaliteiten hebben uitgesproken en verzoekt subsidiair de behandeling van het onderzoek te schorsen teneinde nadere informatie daaromtrent te verkrijgen.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Aan de verdediging kan worden toegegeven dat uit de rapportages van de gedragsdeskundigen niet volstrekt helder blijkt van een afweging tussen de geadviseerde TBS met dwangverpleging tegenover minder vergaande modaliteiten. De rechtbank is echter van oordeel dat een minder vergaand juridisch behandelkader niet in aanmerking komt. De psychiater heeft in zijn rapport aangegeven dat er wel ziektebesef is bij verdachte, maar geen ziekte-inzicht en hij heeft daaruit afgeleid dat de inzet van verdachte ten behoeve van een behandeling gering zal zijn. De rechtbank volgt de psychiater in dit oordeel. Dit maakt -in combinatie met de ernst van de problematiek- de duur van de noodzakelijke behandeling volstrekt onbepaalbaar, zodat niet met enige reële mate van zekerheid kan worden aangenomen dat een behandeling op een afzienbare termijn c.q. binnen de termijn van 4 jaren in het kader van een TBS met voorwaarden kan worden afgerond. Die laatste modaliteit komt daarom niet in aanmerking. De maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis geldt in beginsel voor de termijn van 1 jaar en weliswaar bestaat de mogelijkheid van verlenging op grond van de artikelen 15 en volgende van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, doch die biedt naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende waarborgen voor voortzetting van de gewenste behandeling.

Om voormelde redenen acht de rechtbank evenmin enige noodzaak aanwezig om tot heropening van het onderzoek over te gaan teneinde de gedragsdeskundigen te vragen zich nader uit te laten en/of onderzoek te doen plaatsvinden naar alternatieve behandelingsmogelijkheden.

De rechtbank neemt -voor zover hiervoor niet al uitdrukkelijk besproken- bovengenoemde conclusies en adviezen van de gedragsdeskundigen alsmede de gronden waarop zij berusten over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank overweegt voorts dat het hierna te kwalificeren feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld terwijl de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist en het een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De rechtbank acht het gelet op de psychische toestand waarin verdachte verkeerde, de ontoerekeningsvatbaarheid ten tijde van het delict alsmede de toestand waarin zij zich thans bevindt aangewezen dat de detentie niet veel langer meer voortduurt en dat de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van verdachte bij voorrang ten uitvoer zal worden gelegd.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

moord.

Verklaart verdachte hiervoor niet strafbaar en ontslaat haar van alle rechtsvervolging.

BESLISSING:

- Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging.

- Verstaat dat het aangewezen is dat de detentie niet veel langer meer voortduurt en dat de

terbeschikkingstelling met verpleging bij voorrang ten uitvoer zal worden gelegd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.L.P. Crombeen, voorzitter,

mr. J.A. Bik en mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging, leden,

in tegenwoordigheid van mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, griffier

en is uitgesproken op 4 december 2006.