Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AZ2007

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-11-2006
Datum publicatie
13-11-2006
Zaaknummer
839196-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 8 jaar en terbeschikkingstelling terzake medeplegen van moord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/839196-05

Uitspraakdatum: 13 november 2006

VERKORT VONNIS

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

wonende te [woonplaats], [adres].

thans verblijvende in penitentiaire inrichting "Vosseveld 2 Regulier" te Vught.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 oktober 2006.

De zaak is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de strafzaken tegen [medeverdachte 1] (01/835229-05) en [medeverdachte 2] (01/839197-05).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 januari 2006.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 november 2005 te Bergeijk tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade

[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers

heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet

en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een

(zogenaamde) spijkertrekker, althans met een hard en/of zwaar en/of puntig

en/of scherp voorwerp meermalen heeft geslagen en/of gestoken, tengevolge

waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden

(artikel 289 jo 47 van het Wetboek van Strafrecht);

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 november 2005 te Bergeijk tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het

leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van)

zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] met een (zogenaamde)

spijkertrekker, althans met een hard en/of zwaar en/of puntig en/of scherp

voorwerp meermalen heeft geslagen en/of gestoken, tengevolge waarvan

voornoemde [slachtoffer] is overleden

(artikel 287 jo 47 van het Wetboek van Strafrecht).

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat:

hij op 24 november 2005 te Bergeijk tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een (zogenaamde) spijkertrekker meermalen geslagen tengevolge waarvan

voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 37a, 37b, 47, 289.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert terzake het primair tenlastegelegde een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van voorarrest en terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

De op te leggen straf en maatregel.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- het gewelddadig karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit, waarbij verdachte er niet voor is teruggeschrokken om na een periode van voorbereiding en overeenkomstig een samen met zijn mededaders welbewust opgesteld plan [slachtoffer], vader van zijn mededader, om het leven te brengen en zich om de gevolgen (voor de nabestaanden) volstrekt niet te bekommeren;

- verdachte heeft zich naar eigen zeggen bij zijn strafbare handelen laten leiden door pure geldzucht;

- het door verdachte gepleegde strafbare feit heeft grote onrust veroorzaakt in de (plaatselijke) gemeenschap.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Op 7 mei 2006 heeft drs. D.M.L. Versteijnen, klinisch psycholoog/psychotherapeut, een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De in dit rapport vermelde conclusie en het daarin vermelde advies luiden, zakelijk weergegeven:

Er is bij betrokkene sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO met afhankelijke en antisociale trekken. Dit was ook zo ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. De geconstateerde problematiek van was invloed op de gedragskeuzen c.q. de gedragingen van betrokkene ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde.

Betrokkene is vanuit zijn afhankelijke trekken en gebrek aan eigen identiteit kwetsbaar en beïnvloedbaar door anderen. Vanuit zijn impulsiviteit en zijn anti-sociale trekken is hij verminderd in staat zichzelf grenzen te stellen en komt hij makkelijker tot delinquent gedrag. De invloed van deze problematiek is zodanig dat deze in de strafrechtelijke beoordeling van belang geacht kan worden. Er kan gesproken worden van verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Wanneer de problematiek van betrokkene onbehandeld blijft, wordt een recidief zeker mogelijk geacht, zij het gebonden aan specifieke omstandigheden. De verwachting is dat de kans op een recidief zal samenhangen met specifieke relationele omstandigheden, zoals die zich in de huidige situatie hebben voorgedaan. De risicotaxatie schetst zowel op het gebied van historische als de klinische factoren en de toekomstige situatieve factoren een negatief beeld.

Om de kans op recidief te verminderen is het van belang om aandacht te hebben voor de beïnvloedbaarheid en kwetsbaarheid van betrokkene. Dit zit vooral in zijn afhankelijke trekken; zijn gebrek aan identiteit en zijn behoefte om zijn identiteit te ontlenen aan de relatie met een ander.

De veranderbaarheid van deze karakterkenmerken is beperkt. Er moet daarom eerder gedacht worden aan een langdurig resocialisatietraject dan aan een behandeling met een psychotherapeutisch karakter.

De uitspraak van betrokkene dat hij gemotiveerd zou zijn voor behandeling staat in contrast tot eerdere uitspraken waarin hij aangaf niets in hulpverlening te zien. Uit eerdere hulpverleningstrajecten van betrokkene blijkt ook dat hij uiteindelijk afhaakt, ook wanneer er in eerste instantie wel een positief resultaat behaald bleek. Dit maakt het noodzakelijk om een dwangbehandeling toe te passen. Alleen daarmee kan een langdurige behandeling, die nodig is om de problematiek te kunnen beïnvloeden, gegarandeerd worden. Daarom wordt gezien de ernst van het delict en de kans op recidive geadviseerd deze behandeling op te leggen in het kader van een TBS. Een TBS met voorwaarden wordt niet haalbaar geacht gezien de tekortschietende behandelmotivatie van betrokkene. Om een voldoende langdurig behandelkader te garanderen, lijkt de TBS met dwangverpleging de enig haalbare optie.

Op 10 mei 2006 heeft drs. I.M. Brugman, psychiater, een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De in dit rapport vermelde conclusie en het daarin vermelde advies luiden, zakelijk weergegeven:

Betrokkene is een jongeman met een aandacht tekort stoornis met hyperactiviteit, recidiverende angst-

en remmingstoornissen, ADHD-kenmerken, terugkerende problemen in de psychosociale sfeer en een gestoorde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale en afhankelijke trekken.

Ten tijde van het tenlastegelegde was er sprake van o.a. de persoonlijkheidsstoornis.

Deze stoornis beïnvloedde de gedragskeuzen c.q. gedragingen van betrokkene ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. Het handelen van betrokkene wordt in aanzienlijke mate beïnvloed door zijn beperkingen. Geadviseerd wordt betrokkene voor het hem tenlastegelegde, indien bewezen, als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De onrijpe, afhankelijke persoonlijkheid, zijn onvermogen om sturing te geven aan zijn eigen leven en de antisociale trekken zijn belangrijke risicofactoren die tot herhaling van delictgedrag kunnen leiden.

In het kader van het voorkomen van recidieven en het beschermen van de maatschappij wordt het van belang geacht dat betrokkene behandeld wordt. Gezien de behandelvoorgeschiedenis van betrokkene is een dwingend kader gewenst. Er dient in de behandeling aandacht besteed te worden aan de ADHD-kenmerken, de angsten en terugkerende depressiviteit en aan de persoonlijkheidsstoornis.

Deze kan het beste geboden worden in het juridisch kader van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Overwogen wordt dat een TBS met voorwaarden te weinig garanties biedt dat de noodzakelijke behandeling ook uitgevoerd wordt.

De rechtbank neemt deze conclusies en de gronden waarop zij berusten over en maakt deze tot de hare in die zin dat de rechtbank verdachte aanmerkt als verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank is van oordeel dat ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde en hiervoor bewezenverklaarde feit bij verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en dat sprake is van een reële kans op herhaling van dergelijke delicten.

De rechtbank neemt voorts de adviezen, ertoe strekkende dat de verdachte verplicht zal worden behandeld, over.

De rechtbank overweegt dat het hierna te kwalificeren feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en het een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging eist.

DE UITSPRAAK

Verklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

primair:

medeplegen van moord

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

T.a.v. primair:

gevangenisstraf voor de duur van acht jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A. van Biesbergen, voorzitter,

mr. M.E. Bartels en mr. M.J. Smit, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier

en is uitgesproken op 13 november 2006.

Mr. M.C. Smit is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.