Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AZ0113

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
13-10-2006
Zaaknummer
136529 - HA ZA 06-63
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

letselschadezaak (whiplash). Medische beperkingen, causaal verband (c.s.q.n.), redelijke toerekening, arbeidskundige gevolgen en omvang schade zijn aan de orde.

Het debat tussen partijen draait vooral om de vraag of de beperkingen van betrokkene het gevolg zijn van het ongeval en of die beperkingen in redelijkheid kunnen worden toegerekend nu het karakter van betrokkene de ernst en de omvang van de klachten in negatieve zin beïnvloed.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 98
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2006/155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 136529 / HA ZA 06-63

Vonnis van 11 oktober 2006

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J.A.T.M. van Zinnicq Bergmann,

tegen

de naamloze vennootschap

SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ ERASMUS N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. J.E. Lenglet.

Partijen zullen hierna [eiser] en Erasmus genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 maart 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 4 mei 2006

- de akte van [eiser]

- de akte van Erasmus.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De beoordeling

2.1. Het gaat in deze zaak om de afwikkeling van de gevolgen van het verkeersongeval dat [eiser] op 20 februari 1998 is overkomen. Hij werd, gezeten in een stilstaande auto, van achteren aangereden door een andere auto. Laatstgenoemd voertuig was ingevolge de WAM verzekerd bij Erasmus. Erasmus heeft de aansprakelijkheid erkend voor de gevolgen van het ongeval voor [eiser]. [eiser] was ten tijde van het ongeval 31 jaar oud.

2.2. [eiser] vordert in deze procedure:

I. veroordeling van Erasmus tot vergoeding van de schade die [eiser] heeft opgelopen bij het ongeval van 20 februari 1998, te becijferen op:

- verlies aan verdienvermogen EUR 789.090,00

- diverse terugkerende materiële kosten t/m 2005 EUR 16.778,00

- diverse materiële kosten t/m 2030 EUR 5.826,73

- immateriële schade EUR 25.000,00

- kosten juridische bijstand EUR 18.873,80

- minus verstrekte voorschotten - EUR 88.648,61

---------------------

Totaal EUR 766.919,92

te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 februari 1998;

II. veroordeling van Erasmus tot vergoeding van de overige door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval van 20 februari 1998, bestaande uit materiële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 februari 1998;

III. alsmede van de eventuele verschuldigde heffingen inkomstenbelasting en volksverzekeringen over voornoemde bedragen;

IV. de veroordeling uit te spreken onder voorbehoud van het blijven voortbestaan van een volledige WAO-uitkering;

V. veroordeling van Erasmus in de proceskosten.

2.3. Erasmus heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van [eiser].

Medische gevolgen

2.4. Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft neuroloog dr. [R] (hierna: [R]) een medische expertise verricht. Zij heeft op 24 februari 2003 haar bevindingen gerapporteerd, waarbij zij op de gestelde vragen als volgt heeft geantwoord:

"1. Welke zijn uw bevindingen bij anamnese, lichamelijk onderzoek en eventueel hulponderzoek? Welke diagnose(n) stelt u op uw vakgebied? Welke behandelingen werden ingesteld en met welk resultaat?

- De bevindingen bij anamnese en lichamelijk onderzoek als ook van het aanvullend onderzoek staan in de geneeskundige rapportage gemeld. Bij betrokkene is er sprake van klachten welke gezien moeten worden als een partiëel post-whiplash syndroom dat voornamelijk het concentratievermogen en de psychische spankracht van betrokkene betreft. Betrokkene heeft weinig pijnklachten. Het voortduren van de klachten worden bepaald door de matige coping stijl van betrokkene welke samenhang heeft met zijn persoonlijkheid en welke niet verder te verbeteren bleek middels uitvoerige revalidatie en reïntegratie en intensieve begeleiding. De hoeveelheid en ernst van zijn klachten hangen hiermee samen en betreffen dus een buiten de neurologie gelegen pathologie.

2. Wilt u op grond van uw onderzoeksbevindingen en de overige beschikbare gegevens zo uitgebreid mogelijk en gemotiveerd aangeven:

a. waaruit de restklachten en/of restverschijnselen bestaan die op medische gronden als ongevalsgevolg moeten worden beschouwd?

- De restklachten van betrokkene welke als direct ongevalsgevolg moeten worden beschouwd bestaan uit concentratiestoornissen en versnelde vermoeidheid. Er zijn geringe nekklachten.

b. welke van de huidige klachten en/of restverschijnselen naar uw mening reeds voor het ongeval d.d. 20 februari 1998 bestonden of op enig moment ook zouden (zijn) ontstaan als het ongeval betrokkene niet was overkomen? Kunt u daarbij een indicatie geven op welke termijn en in welke mate dit dan het geval zou zijn (geweest)?

- Voor het ongeval van februari '98 had betrokkene alleen een lichte beperking bij zware sport uitoefening. De onder 2a genoemde klachten waren niet aanwezig voor het ongeval van 20 februari '98.

3. Wilt u de mate van functiestoornis (= impairment) op uw vakgebied als gevolg van het ongeval uitdrukken in een percentage van de mens ongeacht enig beroep en uitgaande van de toestand van betrokkene voor het ongeval? Wilt u hierbij uitgaan van de richtlijnen van de American Medical Association for Permanent Impairment (AMA, meest recente editie). Wilt u zo nauwkeurig mogelijk omschrijven hoe het totale percentage is opgebouwd en indien van toepassing links en rechts vergelijken?

- De mate van functiestoornis volgens de AMA guides en de richtlijnen van de Nederlandse vereniging van neurologie bedraagt 3% van de hele mens. Er is hier niet het volledige percentage van 5% afgegeven daar de nek pijn niet op de voorgrond staat.

4. a. Welke beperkingen stelt betrokkene te ondervinden bij activiteiten van het dagelijkse leven, in de vrijetijdsbesteding en bij de beroepsuitoefening (inclusief huishoudelijke arbeid)?

- Er zijn geen beperkingen bij activiteiten van het dagelijks leven. In vrijetijdsbesteding heeft betrokkene weinig hobby's hetgeen ook samenhangt met zijn perfectionistische inslag daar betrokkene alleen met iets bezig kan zijn als het nut heeft. Hij blijkt wel in staat te zijn een uur in de week tennis les privé te hebben.

b. Acht u de door betrokkene aangegeven beperkingen aannemelijk op grond van uw onderzoeksresultaten als gevolg van het ongeval?

- De door betrokkene aangegeven beperkingen hangen voor een deel samen met het ongeval anderzijds ook voor een deel met zijn persoonlijkheid.

c. (...)

c. Wilt u de door u bevestigde beperkingen zo uitgebreid mogelijk omschrijven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

- Er is een beperking ten aanzien van zware nek belastende arbeid als ook het werk boven schouderhoogte. Daarnaast is er door het concentratieverlies van betrokkene een beperking ten aanzien van de hoeveelheid externe prikkels waaronder betrokkene kan werken. Hierdoor is hij niet geschikt om een ruimte met anderen te werken. Mogelijk kan hij wel in een geïsoleerde ruimte zonder externe prikkels met een eigen werk tempo en indeling komen tot een arbeid waarbij deze arbeid wel gestructureerd dient te worden aangeleverd.

5. Is er thans sprake van een relatieve of definitieve eindtoestand met betrekking tot de ongevalsgevolgen? Zo neen, verwacht u nog een verbetering dan wel een verslechtering ten opzichte van het huidige toestandsbeeld en op welke termijn kan een eindtoestand wel worden verwacht? In hoeverre zal deze verandering het hierboven genoemde percentage functiestoornis dan wel de door u aangegeven beperkingen nog beïnvloeden? Heeft u nog therapeutische suggesties dan wel andere op- of aanmerkingen die voor de beoordeling van de casus van belang kunnen zijn?

- Gezien de tijd verstreken sedert het ongeval is hier sprake van een blijvende eind toestand. Er is geen verbetering dan wel verslechtering van de situatie te verwachten.

Ten aanzien van eventuele therapeutische suggesties dan wel andere op of aanmerkingen van belang voor de beoordeling van deze casus valt het volgende te melden:

Een persoonlijkheidsstructuur is een gegeven en valt meestal niet te veranderen, maar is wel te begeleiden. Psychotherapie kan hierin aan betrokkene inzicht verschaffen en mogelijk ook een handvat geven hoe hiermee om te gaan. Uiteraard is het alleen zinvol indien betrokkene zelf hiervoor openstaat. Mogelijk kan het afsluiten van de claim betrokkene weer mogelijkheden geven om verder te gaan."

2.5. Erasmus heeft dit rapport voorgelegd aan haar medisch adviseur [B] (hierna: [B]). In een memo van 29 mei 2003, die in afschrift is gestuurd aan [eiser], schrijft [B] onder meer:

"Conclusie: Ik kan mij vinden in de conclusies en het percentage blijvende invaliditeit zoals door de neuroloog is aangegeven. (...) Aan de andere kant vind ik de door de neuroloog aangegeven beperking voor het werken in een ruimte waarin ook anderen verkeren ook wat aan de zware kant. (...) Uit het expertise rapport blijkt eveneens geen onderbouwing voor een werkdag van 4 uur in plaats van 8.

Advies: ik adviseer u om akkoord te gaan met het percentage blijvende invaliditeit van 3%. (...)"

2.6. Partijen twisten erover of de bevindingen in het rapport van [R] als vaststaand tussen hen zijn te beschouwen zoals [eiser] betoogt. Erasmus betwist de inhoud van het rapport en verwijst daartoe naar het advies van haar (nieuwe) medisch adviseur [L] (hierna: [L]). Deze heeft op 10 maart 2005 als volgt geadviseerd:

"CONCLUSIES

1. Het dossier is met name ten aanzien van de voorgeschiedenis nog lang niet compleet en verdient in bovengenoemde zin aanvulling.

2. De ziektegeschiedenis van betrokkene is op basis van de huidige gegevens niet te toetsen aan de eisen van de N.V.v.N.

3. Er zijn noch bij het lichamelijk onderzoek noch bij hulponderzoek of neuropsychologisch onderzoek afwijkingen gevonden die de klachten van betrokkene kunnen verklaren.

4. Psychologisch zijn de klachten wel te verklaren vanuit de persoonskenmerken in combinatie met de werkomstandigheden en de gezinsomstandigheden van betrokkene.

5. De mislukte reïntegratie is niet te verklaren vanuit het ongeval.

6. De mislukte reïntegratie is wel te verklaren vanuit de persoonskenmerken van betrokkene.

ADVIES

Op grond van het bovenstaande meen ik U onverkort te mogen adviseren de causaliteit tussen de klachten van betrokkene en het ons regarderende ongeval als niet aannemelijk gemaakt te beschouwen."

2.7. De rechtbank is met [eiser] van oordeel dat Erasmus thans niet meer in redelijkheid kan terugkomen op haar eerdere instemmende standpunt ten aanzien van het rapport van [R]. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Vaststaat dat partijen vóór het benaderen van [R] overeenstemming hebben bereikt over de persoon van de medisch deskundige, de aan die deskundige te stellen vragen alsmede de voor te leggen medische informatie over het verleden van [eiser]. Na het uitbrengen van de rapportage door [R] heeft de medisch adviseur van Erasmus de kanttekeningen daarbij geplaatst zoals weergegeven onder 2.5. Niet gesteld of gebleken is dat Erasmus, behoudens die memo, andere bezwaren of een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van het rapport van [R]. Desgevraagd ter comparitie heeft Erasmus gesteld dat het advies van [B] in afschrift naar de wederpartij is gestuurd en dat verder niet is gesproken over het rapport van [R]. Vervolgens is afgesproken dat de arbeidsdeskundige [C] op basis van het rapport van [R] een nieuwe reïntegratiepoging zou doen, aldus Erasmus. De rechtbank leidt uit dit samenstel van omstandigheden af, evenals [eiser] kennelijk heeft gedaan en ook mocht doen, dat Erasmus geen overwegende bezwaren had tegen de inhoud van het deskundigenrapport. Op geen enkel moment (vóór het advies van [L]) heeft Erasmus jegens [eiser] kenbaar gemaakt dat zij zich niet kon vinden in de bevindingen van [R], dat zij die bevindingen betwistte dan wel dat zij ten aanzien van die bevindingen een voorbehoud wenste te maken. De opmerkingen die [B] over het rapport heeft gemaakt, raken immers niet de kern ervan en voor het overige heeft Erasmus geen inhoudelijke opmerkingen geplaatst. Daarnaast heeft zij, tezamen en in overleg met [eiser], een volgende stap in het overleg- en onderhandelingstraject genomen door een arbeidsdeskundige in te schakelen. Gelet op deze handelwijze van Erasmus mocht [eiser] er dan ook van uitgaan dat Erasmus instemde met de inhoud van het rapport (behoudens de door [B] gemaakte opmerkingen). Erasmus heeft nog aangevoerd dat [B] in haar memo ook kritiek heeft geuit wat betreft de bevindingen van de verzekeringsarts van het GAK. Erasmus miskent daarmee dat de beperkingen die door de arts van het GAK zijn geconstateerd geen onderbouwing vormen van de vorderingen van [eiser] en ook geen onderdeel zijn geweest van de verdere onderhandelingen tussen partijen. De rechtbank zal dat verweer derhalve passeren.

2.8. Erasmus heeft twee jaar later via het advies van [L] fundamentele bezwaren geuit tegen het rapport van [R]. Naar het oordeel van de rechtbank kon Erasmus gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden op dat moment niet in redelijkheid terugkomen op haar standpunt. Dat is slechts anders indien er bijvoorbeeld sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, dan wel indien daarvoor zwaarwegende redenen bestaan. De door [L] naar voren gebrachte kwesties zijn echter niet te kwalificeren als nieuwe feiten en omstandigheden dan wel als de bedoelde zwaarwegende redenen. De medische voorgeschiedenis van [eiser] was bekend bij partijen, ook voordat [R] werd aangezocht. Bovendien hebben zij overeenstemming bereikt over hetgeen daaromtrent aan de deskundige zou worden voorgelegd. Ter comparitie heeft [eiser] daarover onweersproken gesteld dat [B] vóór het onderzoek door [R] al had aangegeven dat de beschikbare medische informatie voldoende was om te kunnen beoordelen of de klachten en beperkingen voor het ongeval al bestonden. [R] heeft blijkens haar rapport overigens de door [L] aangehaalde relevante gebeurtenissen in het verleden (aangeboren blokwervel, ongeluk in zwembad, auto-ongeval in 1993) wel degelijk betrokken in haar onderzoek. Het door Erasmus thans geuite bezwaar (dat overigens slechts zijdelings door [L] wordt opgebracht) dat het rapport van [R] niet voldoet aan de NVN-richtlijnen, brengt evenmin nieuw licht op de zaak. Zoals gezegd hebben partijen van tevoren overeenstemming bereikt over hetgeen zij aan [R] zouden vragen. Kennelijk hebben zij er toen voor gekozen om niet aan de deskundige te vragen uitdrukkelijk in te gaan op de NVN-richtlijnen. Niet gesteld of gebleken is waarom Erasmus deze kwestie niet heeft opgebracht voordat aan [R] opdracht werd gegeven, zeker nu Erasmus zegt dat een belangrijk punt te vinden. Het staat Erasmus in zo'n situatie dan ook niet vrij om eenzijdig achteraf nieuwe eisen te stellen aan een deskundigenbericht. Ook voor wat betreft de door [L] onder 3 tot en met 6 genoemde punten is niet gesteld of gebleken dat het voor Erasmus redelijkerwijs onmogelijk is geweest om deze kritiek eerder naar voren te brengen. Evenmin is gebleken dat de conclusies van [R] op deze punten niet kunnen worden gedragen door de onderliggende geneeskundige rapportage waarnaar [R] verwijst.

2.9. Erasmus heeft nog gesteld dat gekeken moet worden naar de meest recente rapportages in verband met de keuring voor de WAO. De rechtbank zal dat verweer verwerpen nu partijen noch de rechtbank in een civiele zaak zijn gebonden aan de beslissingen die in het kader van de WAO/WIA worden genomen. De rapporten in dat kader zijn afgestemd op de WAO/WIA-regels die in civiele zaken niet van toepassing zijn.

2.10. Concluderend zal de rechtbank voor wat betreft de medische gevolgen van het ongeval voor [eiser] uitgaan van het rapport van [R] van 24 februari 2003. De door [B] geuite kritiek - voor wat betreft de beperking voor het werken in een ruimte met anderen en een werkdag van 4 uur in plaats van 8 uur - zal de rechtbank uiteindelijk (zoals hierna te overwegen) niet meer relevant achten en dus op dit moment buiten beschouwing laten. In dat rapport heeft [R] de diagnose van een "partieel post-whiplash syndroom" gesteld. [R] heeft expliciet aangegeven dat de daarbij behorende concentratiestoornissen, versnelde vermoeidheid en (geringe) nekklachten als ongevalsgevolg moeten worden beschouwd (antwoord op vraag 2a). Deze klachten waren niet aanwezig vóór het ongeval van 20 februari 1998, aldus [R].

2.11. Dat deze klachten van [eiser] als ongevalsgevolg moeten worden beschouwd, wordt bevestigd door het rapport van klinisch psycholoog [Z] d.d. 21 september 2005, waarin onder meer is te lezen:

"Het neuropsychologisch onderzoek laat een evenwichtige maar enigszins overmatig ordelijke persoonlijkheid zien die wat betreft de cognitieve functies een redelijk intact functioneren aan de dag legt behoudens een sterk deficiënt functioneren van de aandachtsfunctie. (...)

Aangezien betrokkene als leidinggevende goed functioneerde en ook buiten zijn werk een 'druk' leven kende is het niet aannemelijk dat er al voor het ongeval sprake was van problemen met de aandachtsregulatie.

Aangezien de problemen met het cognitieve functioneren vrijwel direct na het ongeval de kop op staken en het een veelvoorkomende klacht is van mensen die chronische whiplashklachten vertonen is er veel aanleiding te veronderstellen dat een en ander zijn oorsprong heeft in het bewuste ongeval.

(...)

Een deficiëntie regulatie van de volgehouden aandacht heeft een sterk deteriorerend effect op het dagelijks functioneren en leidt meestal tot klachten van vermoeidheid. Wanneer er sprake is van problemen met de regulatie van de volgehouden aandacht wordt compensatoir meer energie gegenereerd voor het verrichten van een taak. Dit is een min of meer onbewust proces en leidt daarom vaak tot, voor de leek c.q. betrokkene zelf, onverklaarbare vermoeidheidsklachten. Een en ander betekent dat betrokkene beperkt belastbaar is met name wat betreft cognitieve taken waarbij de volgehouden aandacht een rol speelt. Helaas voor betrokkene is dit een cognitieve functie die bij veel taken noodzakelijk is."

2.12. Erasmus heeft erop gewezen dat dit onderzoek eenzijdig door [eiser] is geïnitieerd en dat [Z] niet als een "onafhankelijke" deskundige is te beschouwen omdat hij verbonden is aan het Whiplash Instituut Nederland. Erasmus heeft aan dat verweer echter geen consequenties verbonden, bijvoorbeeld dat het rapport daarom buiten beschouwing moet worden gelaten. Belangrijker nog: zij heeft het rapport van [Z] niet inhoudelijk betwist en heeft zelfs bevindingen uit de rapportage aangehaald ter onderbouwing van haar eigen stellingen. De rechtbank zal dan ook aan het verweer van Erasmus aangaande dit rapport voorbijgaan.

2.13. Het verweer van Erasmus dat er geen causaal verband bestaat tussen de klachten van [eiser] en het ongeval, moet dan ook worden verworpen. Nogmaals: [R] constateert in haar rapport onomwonden dat de klachten en beperkingen het gevolg zijn van het ongeval en vóór het ongeval niet bestonden. Daarmee is het vereiste condicio sine qua non-verband gegeven.

2.14. Erasmus heeft voorts gesteld dat de beperkingen niet zijn toe te rekenen aan het ongeval gelet op de persoonskenmerken, werk- en gezinsomstandigheden van [eiser]. De rechtbank leest in het rapport van [R] dat het voortduren van de klachten wordt bepaald door de matige coping stijl van betrokkene welke samenhang heeft met zijn persoonlijkheid en dat de hoeveelheid en de ernst van zijn klachten daarmee samenhangen. Dit betekent echter niet dat daarmee de causaliteit is verbroken. De omstandigheid, dat bepaalde verschijnselen en / of beperkingen worden versterkt of blijven voortduren door al bestaande klachten of de persoonlijkheid van de benadeelde, wil niet zeggen dat die verschijnselen en / of beperkingen niet volledig aan de onrechtmatige daad toegerekend mogen worden. Bij overtreding van veiligheidsnormen zoals de verkeersregels kan volgens vaste jurisprudentie worden uitgegaan van ruime toerekening: de aansprakelijke partij dient het slachtoffer te nemen zoals hij is, dus inclusief predispositie en preëxistente klachten. Die zijn alleen maar van belang voor de reconstructie van de situatie zoals die zonder ongeval zou zijn ontstaan. De schade in dit soort zaken wordt immers vastgesteld door de situaties zonder en met ongeval te vergelijken en een financiële schadebegroting op grond van het verschil te maken. Het is dan ook niet zozeer de vraag of en zo ja in welke mate de persoonlijkheid van [eiser] heeft bijgedragen aan de (omvang en duur van de) geconstateerde beperkingen, maar of hij ook zonder ongeval beperkingen zou hebben gehad die zouden hebben geleid tot de schade zoals door hem opgevoerd.

2.15. De rechtbank gaat er van uit dat [eiser] de onderhavige schade zonder ongeval niet had geleden. Erasmus heeft gesteld dat [eiser], gelet op zijn persoonlijkheid, waarschijnlijk ook zonder het ongeval dergelijke klachten zou hebben ontwikkeld, bijvoorbeeld na een life-event. Daarbij wijst Erasmus erop dat het thans uitblijven van een positieve ontwikkeling (dit in tegenstelling tot de twee eerdere ongevallen die hem zijn overkomen) mogelijk samenhangt met het feit dat [eiser] zich er van bewust is dat een derde partij aansprakelijk is. De rechtbank verwerpt dit verweer. Erasmus heeft onvoldoende onderbouwd waarom aannemelijk zou zijn dat [eiser] deze klachten hoe dan ook zou hebben ontwikkeld. Gelet op het (nagenoeg) volledig herstel van [eiser] van de eerdere twee ongevallen, acht de rechtbank juist niet aannemelijk dat hij zonder het ongeval in 1998 ook deze klachten zou hebben ervaren. Bovendien ondergraaft Erasmus haar eigen stelling: bij een life-event is immers geen aansprakelijke partij aan te wijzen, zodat in de visie van Erasmus een volledig herstel dan juist in de rede zou liggen.

2.16. Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat de door [R] gerapporteerde beperkingen (door haar benoemd als partieel post whiplash syndroom) als ongevalsgevolg zijn te beschouwen.

Arbeidskundige gevolgen

2.17. Dan moet worden vastgesteld wat de arbeidskundige gevolgen zijn van de geconstateerde beperkingen. In het algemeen is het aangewezen om een arbeidsdeskundige te benoemen teneinde die gevolgen in beeld te brengen. De rechtbank acht zo'n benoeming in dit geval echter overbodig nu uit de door partijen overgelegde stukken genoegzaam is af te leiden dat er geen perspectief bestaat op reïntegratie naar duurzame arbeid. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.18. Ten tijde van het ongeval in 1998 werkte [eiser] als senior consultant Organisatie- en ICT-vraagstukken bij ENCI. Na het ongeval heeft [eiser] zich enkele weken ziek gemeld. Tot december 1998 heeft hij zijn functie parttime uitgevoerd en daarna is in het kader van de reïntegratie geprobeerd een nieuwe passende functie voor [eiser] binnen ENCI te creëren. In dat kader heeft [eiser] enige tijd de functie van medewerker bibliotheek vervuld. Per 24 februari 1999 is hij volledig arbeidsongeschikt verklaard en ontvangt hij een uitkering ingevolge de WAO en per 1 mei 2000 is de arbeidsovereenkomst met ENCI ontbonden. Daarna zijn nog diverse reïntegratiepogingen gedaan, onder andere via revalidatiecentrum Tolbrug en het Reïntegratie AdviesCentrum (RAC), maar die hebben niet geleid tot duurzame participatie in het arbeidsproces.

2.19. Na het verschijnen van het rapport van [R] hebben partijen in onderling overleg Juricon benaderd voor het opstellen van een arbeidsintegratieplan. In verband met het onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden van [eiser] heeft Juricon de psycholoog [D] (hierna: [D]) ingeschakeld. [D] schrijft in maart 2004:

"In een 'piekvermogen' kan de heer [eiser] op universitair niveau functioneren. Zijn intelligentie ligt hoog. Toch heb ik er met nadruk op gewezen dat hij beslist niet duurzaam op dat hoge niveau kan functioneren. Er zijn grote beperkingen, zo bleek ook bij de afrondende tests en in het nagesprek. Zijn belastbaarheid - ook qua uren - is behoorlijk beperkt.

(...)

Nogmaals: mijn voorstel c.q. advies is om op een lager niveau in te stappen - eventueel mede vanuit een soort therapeutisch oogmerk - met het perspectief om daarna door te groeien. Dat doorgroeiperspectief zou - zo was mijn gedachte - mogelijk enige uitdaging kunnen bieden. Aldus stelde ik in het nagesprek voor om in een (lagere) administratieve functie in te stromen binnen een organisatie die hem aanspreekt. Echter hij liet weten dat een lage instroom in het verleden geen goede optie bleek. Daarbij ziet hij gebeuren dat in de praktijk toch op dat hoge niveau zal gaan functioneren, hetgeen vervolgens te belastend is.

Het kiezen voor een instap op een hoog niveau is mijns inziens ook geen bestendige optie. In een piek kan hij dat hoge niveau aan, maar in duurzaamheid niet.

Aldus is er een spanningsveld of zelfs een probleem betreffende het niveau waarop een functie moet worden gezocht. Laat ik dit punt afsluiten met mijn volgende uitgangsstelling: Als er een mogelijkheid op de arbeidsmarkt is, dan zie ik deze qua niveau in een lage instap."

2.20. [C] (hierna: [C]), arbeidsdeskundige in dienst van Juricon, heeft op 29 april 2004 zijn rapportage uitgebracht waarin onder meer is te lezen:

"In casu is sprake van een langdurige ongeschiktheid tot functioneren ten gevolge van aandoeningen welke verband houden met een doorgemaakt whiplash laesie.

Naar mijn inschatting worden de onvermogens mede in stand gehouden door de persoonlijkheid, het karakter van [eiser] en diens hoge streefniveau.

(...)

Gezien de onderzoeksbevindingen is op dit moment niet aan te geven of een reïntegratietraject daadwerkelijk tot werkhervatting kan leiden. Veel zal naar mijn inschatting afhangen van de mate waarin betrokkene enerzijds in staat kan zijn om zijn eigen hoge streefniveau te laten varen en zijn beperkingen in met name cognitief opzicht te accepteren, anderzijds moet betrokkene leren meer uit te gaan van zijn mogelijkheden en voorbij te gaan aan zijn onmogelijkheden."

In de begeleidende brief van 29 april 2004 aan partijen bij het rapport, schrijft [C] onder andere:

"Zo blijkt dat reïntegratie niet eenvoudig zal worden en dat, wil reïntegratie überhaupt een kans van slagen hebben, het niet gewenst is dat dhr. [eiser] op zijn hoge - universitaire niveau - insteekt.

Problemen lijken zich voor te doen doordat de visie van dhr. [eiser] (dat enkel werk op zijn eigen universitair niveau hem zal kunnen boeien) strijdig is met de constatering van de psycholoog dat dhr. [eiser] gelet op cognitieve aspecten niet duurzaam op dit hoge niveau zal kunnen functioneren.

Oorzaken liggen opgesloten in de persoonlijkheid van dhr. [eiser], in het psychologisch rapport uitvoerig omschreven, en kunnen mijns inziens zeker niet worden toegeschreven aan zaken als gebrekkige motivatie van dhr. [eiser], geen wil om mee te werken of iets dergelijks.

Gezien de bevindingen van de psycholoog en afgaande op mijn eigen kennis en ervaringen biedt deze uitgangspositie geen perspectief om een reïntegratie naar duurzame arbeid te starten, (...)

Om tot een doorbreken van de ontstane impasse te kunnen komen zie ik enkel als oplossing dat dhr. [eiser] bewogen of gemotiveerd wordt om alsnog het nut in te zien van een insteek op een lager niveau, het is echter gezien de geconstateerde (rigide) persoonlijkheidstrekken dubieus te achten in hoeverre hij daadwerkelijk vanuit een innerlijke overtuiging te bewegen is tot een dergelijke insteek: een rigide persoonlijkheid is lastig te transformeren."

Na kennisneming van het (ongedateerde) eindverslag van het RAC en de reactie daarop van [D], schrijft [C] op 21 juni 2004 aan partijen:

"Nu door deskundigen aangeven is dat het naar alle waarschijnlijkheid niet mogelijk zal zijn om de persoonlijkheid van dhr. [eiser] te "transformeren" acht ik het niet zinvol om hier alsnog energie in te steken. Consequentie zal dan zijn dat een reïntegratie op de arbeidsmarkt niet tot de mogelijkheden behoort."

2.21. Uit de bevindingen van Juricon en het RAC gecombineerd met het rapport van [R] en [Z] blijkt dat het ongeval van februari 1998 heeft geleid tot beperkingen bij [eiser], die vervolgens in combinatie met zijn persoonlijkheid ertoe leiden dat een duurzame reïntegratie keer op keer is mislukt en er thans geen reëel perspectief op zo'n duurzame reïntegratie meer bestaat. De rechtbank zal op grond daarvan aannemen dat [eiser] niet in staat is tot het verrichten van loonvormende arbeid. [eiser] heeft zijn vorderingen mede gebaseerd op deze rapporten en Erasmus heeft ter comparitie desgevraagd gesteld dat zij niet zozeer het beeld betwist dat uit de arbeidskundige rapporten naar voren komt, maar wel dat er beperkingen voortvloeien uit het ongeval. Dat laatste verweer heeft de rechtbank hiervoor al besproken. Uit deze stellingname van Erasmus leidt de rechtbank af dat zij voornoemde arbeidskundige conclusies deelt althans niet (voldoende gemotiveerd) betwist.

2.22. Voor wat betreft de arbeidskundige gevolgen heeft Erasmus de volgende stellingen ingenomen. Erasmus is van mening dat moet worden uitgegaan van het inkomen dat [eiser] (met de geconstateerde beperkingen) zou kunnen verdienen indien zijn persoonlijkheid daarbij niet in de weg zou staan. Erasmus heeft daartoe aangevoerd dat de beperkingen van [eiser] niet zodanig zijn dat hij tot zijn pensioenleeftijd in het geheel niet meer in staat zal zijn om loonvormende arbeid te verrichten. Voorts betwist Erasmus het causaal verband tussen de klachten en de door [eiser] gestelde arbeidskundige beperkingen. Dat [eiser] vanwege zijn persoonlijkheid niet op een lager arbeidsniveau kan functioneren, terwijl daarvoor in medisch opzicht geen belemmeringen zijn, vindt Erasmus niet aan haar toe te rekenen. Tenslotte heeft [eiser] niet voldaan aan zijn schadebeperkingplicht door zich onvoldoende open te stellen voor andere mogelijkheden op de arbeidsmarkt.

2.23. De rechtbank verwerpt dat verweer. Zoals onder 2.14 overwogen, is uitgangspunt bij een onrechtmatige daad die bestaat uit het toebrengen van letsel dat de gevolgen van een door de persoonlijke presdispositie bepaalde reactie op die daad in het algemeen als een gevolg van de onrechtmatige daad aan de dader moet worden toegerekend, ook al zijn die gevolgen ernstiger en/of langer van duur dan in de normale lijn der verwachtingen ligt. Uit de niet betwiste arbeidskundige rapportages blijkt dat het hoge streefniveau, dat zit 'ingebakken' in de persoonlijkheid van [eiser], niet meer haalbaar is vanwege de beperkingen ten gevolge van het ongeval. Zijn persoonlijkheid verhindert vervolgens dat hij duurzaam werkzaam kan zijn op een lager streefniveau, dat wel reëel is gezien die beperkingen. Daarbij merkt de rechtbank op dat, zoals [C] ook uitdrukkelijk heeft gesteld en overigens niet (wezenlijk) door Erasmus is betwist, er geen sprake is van een gebrekkige motivatie van [eiser] of het ontbreken van wil om mee te werken. Uit de stukken blijkt dat [eiser] in het reïntegratietraject meermalen heeft getracht om de eisen die hij aan zichzelf stelt, bij te stellen opdat hij weer zou kunnen deelnemen aan het arbeidsproces, hetgeen echter niet is gelukt. De arbeidskundige gevolgen kunnen dan ook in redelijkheid worden toegerekend aan het ongeval en een schadebeperkingsplicht is niet aan de orde.

Schade

2.24. [eiser] heeft de door hem gevorderde bedragen gebaseerd op een actuariële berekening van Bureau Pals van 20 september 2005. Erasmus heeft verweer gevoerd ten aanzien van de daaraan ten grondslag gelegde uitgangspunten en de gevorderde bedragen. De rechtbank zal een en ander in het navolgende bespreken.

Verlies arbeidsvermogen

2.25. [eiser] maakt aanspraak op vergoeding van het salaris dat hij zonder ongeval zou hebben genoten. Hij is op 1 september 1997 in dienst getreden bij ENCI en was ten tijde van het ongeval werkzaam als senior consultant Organisatie- en ICT-vraagstukken. Zijn salaris bevond zich in functiegroep 15. In de berekening is aangenomen dat [eiser] per 1 juli 2001 de functie van Hoofd Applicaties zou zijn gaan vervullen met een bijbehorend salaris in functiegroep 17. Erasmus heeft betwist dat als uitgangspunt kan worden genomen dat [eiser] per 1 juli 2001 een dergelijke promotie zou hebben gemaakt. Zij wijst er daarbij op dat [eiser] ten tijde van het ongeval nog maar vijf maanden in dienst was bij ENCI, dat er geen functionerings- of beoordelingsrapporten zijn overgelegd en dat zijn persoonlijkheid een promotie mogelijk in de weg zou staan.

2.26. [eiser] heeft ter onderbouwing van voornoemd uitgangspunt een aantal brieven van ENCI overgelegd. In de brief van 17 juli 2000 schrijft ENCI aan [eiser]:

"Hiermee wil ik nogmaals bevestigen, dat indien u niet blijvend arbeidsongeschikt zou zijn geworden de mogelijkheid door te groeien naar een hoger geclassificeerde functie voor de hand had gelegen op basis van uw toenmalige functioneren en de plaats in de organisatie die wij voor u voor ogen hadden.

Deze functie, zou ingedeeld zijn in de op dat moment geldende salarisgroep 16. Het maximum van deze salarisgroep bedraagt momenteel Hfl. 11.105,-- exclusief vakantietoeslag, eindejaarsuitkering, tantième etc."

In de brief van ENCI van 24 februari 2003 is het volgende te lezen:

"Nadat de heer [eiser] arbeidsongeschikt is geworden heeft er bij ENCI een reorganisatie plaats gevonden. De functie in de nieuwe organisatie die het dichtst ligt bij de functie van de heer [eiser], Hoofd Applicaties, wordt momenteel gewaardeerd in functiegroep 25, dit is het equivalent van de oude functiegroep 17. Of de heer [eiser] deze functie gekregen zou hebben is een hypothetische zaak. Wel kan gesteld worden, dat hij een zeer serieuze kandidaat was en dat de door hem op het moment van het begin van de arbeidsongeschiktheid beklede functie in die lijn lag."

Tenslotte schrijft ENCI op 30 juni 2006 het volgende:

"De heer [eiser] heeft in de korte periode dat hij volledig actief was binnen ENCI een goede indruk achtergelaten. Gelet op de organisatieaanpassingen die zijn opgetreden is het aannemelijk dat hij in aanmerking zou zijn gekomen voor de functie Hoofd IT Applicaties. Deze functie is immers uiteindelijk ingevuld door een andere medewerker die pas later dan de heer [eiser] benoemd werd tot Senior Consultant Applicaties. Deze functie werd na herwaardering ingeschaald in de inmiddels gewijzigde functiegroep 25, die arbeidsvoorwaardelijk goed vergelijkbaar is met de historische functiegroep 17.

Voor de inschatting van het daarbij bereikbare salarisniveau kan ter benadering uitgegaan worden van het maximum van schaal 17 met een beoordelingstoeslag van 3%. Dit maandinkomen bedraagt momenteel € 6.620,32 op basis van 38 uur (incl. 5 ATV-toeslag). Op jaarbasis betekent dit, inclusief vakantiegeld en 13e maand een vast bruto bedrag van € 92.419,62."

2.27. Ter comparitie heeft [eiser] verklaard dat hij in zijn functie van Senior Consultant ICT leiding gaf aan vijf medewerkers van de afdeling die zich met software bezig hield. Het was de bedoeling dat die afdeling eind 1998 zou worden uitgebreid. Daarnaast werd er over gesproken om ook 6 à 10 medewerkers die op andere locaties werkzaam waren, in het kader van centralisatie onder zijn leiding te brengen. Dat zou dan de functie Hoofd Applicaties worden, aldus [eiser]. Bij eerdere werkgevers heeft [eiser] niet hiërarchisch leiding gegeven, maar wel functioneel omdat hij projectleider was, zo verklaarde hij verder ter zitting.

2.28. Bij het begroten van schade als de onderhavige moet rekening worden gehouden met een redelijke verwachting over toekomstige ontwikkelingen, daarbij rekening houdend met goede en kwade kansen. ENCI heeft meermalen schriftelijk naar voren gebracht dat zij tevreden was over het functioneren van [eiser], dat hij een zeer serieuze kandidaat was voor de functie van Hoofd Applicaties en dat aan te nemen is dat hij voor die functie in aanmerking was gekomen. Aangevuld met de inlichtingen van [eiser] zelf ter zitting, brengt een redelijke verwachting mee dat als uitgangspunt voor de schadeberekening heeft te gelden dat hij per 1 juli 2001 de functie van Hoofd Applicaties zou hebben vervuld. Daarbij dient dan uitgegaan te worden van inschaling in de (voormalige) functiegroep 17, functiejaar 1 per 1 juli 2001 met een maximum als genoemd in de brief van ENCI van 30 juni 2006. Met het overleggen van bovengenoemde brieven van ENCI zijn de bezwaren van Erasmus naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate weggenomen. De stelling van Erasmus dat niet aannemelijk is dat [eiser] per 1 juli 2001 promotie zou hebben gemaakt, wordt verworpen. Zoals hiervoor overwogen heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat hij promotie zou hebben gemaakt. Mede gelet op de onweersproken omstandigheid dat hij in zijn functie van Senior Consultant ICT al leiding gaf aan de vijf medewerkers van zijn afdeling en dat die afdeling eind 1998 zou worden uitgebreid, brengt een redelijke verwachting met zich mee dat hij per 1 juli 2001 de stap had gemaakt naar de functie van Hoofd Applicaties. Bovendien heeft ENCI in de bij dagvaarding overgelegde brief van 28 november 2003 geschreven dat als [eiser] in aanmerking was gekomen voor de functie van Hoofd IT Applicaties, een overgang met ingang van 1 juli 2001 aannemelijk was geweest. De rechtbank zal voorbijgaan aan het argument van Erasmus dat een aantal eigenschappen van [eiser] hem bij uitstek ongeschikt maken voor een leidinggevende functie en aldus een promotie in de weg zouden staan. Erasmus heeft daarbij geciteerd uit het advies van [L]. Nog daargelaten dat ENCI dergelijke bezwaren niet heeft geuit ten aanzien van het carrièreperspectief van [eiser], is niet gesteld of gebleken dat de medicus [L] enige kennis bezit van de functie die [eiser] ten tijde van het ongeval vervulde, van de vaardigheden die voor de functie Hoofd Applicaties nodig zijn dan wel dat [L] specifiek expertise heeft als psycholoog dan wel arbeidsdeskundige op grond waarvan hij dergelijke conclusies kan trekken zonder de betrokkene zelf te hebben onderzocht.

Kosten van kinderopvang

2.29. In de schadeberekening terzake van verlies arbeidsvermogen is een bedrag opgenomen van EUR 4.356,00 in verband met kosten kinderopvang. Dit bedrag houdt verband met het wegvallen van de bijdrage in kinderopvang van de werkgever van [eiser] en de werkgever van zijn echtgenote voor de periode van januari 2005 tot november 2006 voor de zoon van [eiser]. Erasmus heeft betwist dat er een noodzaak bestaat voor kinderopvang buitenshuis nu [eiser] gedurende de dag thuis is en dus zelf de kinderen kan opvangen. Voorts is het Erasmus niet duidelijk waarom de voor het ongeval van de werkgever van zijn echtgenote ontvangen vergoeding voor kinderopvang is weggevallen. [eiser] stelt dat hij de kinderen niet de hele dag om zich heen kan hebben, omdat dat veel te druk is. Voorts heeft [eiser] de kinderopvangregeling van de Taxi-CAO overgelegd, op grond waarvan het recht op vergoeding van kinderopvang van zijn echtgenote is bepaald. Daaruit blijkt dat zijn echtgenote geen recht meer heeft op vergoeding nu hij niet meer werkt, aldus [eiser].

2.30. [R] heeft in haar rapportage geconcludeerd dat er tengevolge van het ongeval geen beperkingen zijn bij activiteiten van het dagelijkse leven. Er is wel een beperking ten aanzien van zware nek belastende arbeid als ook het werk boven schouderhoogte, aldus [R]. Deze beperkingen leveren naar het oordeel van de rechtbank echter redelijkerwijs geen belemmering op voor wat betreft de mogelijkheid voor [eiser] om zijn zoon op te vangen. Daarnaast is er volgens [R] door het concentratieverlies van betrokkene een beperking ten aanzien van de hoeveelheid externe prikkels waaronder betrokkene kan werken. Gelet op die gevoeligheid voor externe prikkels kan de rechtbank zich voorstellen dat [eiser] vermoeid raakt van de aanwezigheid van zijn kinderen, maar zij ziet onvoldoende grond voor toewijzing van de vordering. De rechtbank wijst er allereerst op dat de echtgenote van [eiser] niet fulltime, maar 15 uur per week werkt. Dit betekent dat [eiser] voor 3 uur per werkdag de opvang van zijn zoon moet verzorgen. Daarbij komt dat de overgevoeligheid voor externe prikkels zich bij het opvangen van een kind minder sterk zal doen gelden dan bij het uitvoeren van betaalde werkzaamheden, waar het in de persoonlijkheid van [eiser] ingebakken perfectionisme een veel grotere rol speelt. Gelet op de bij [eiser] geconstateerde beperkingen in samenhang met de relatief beperkte uren dat hij zijn zoon per week moet opvangen, moet [eiser] redelijkerwijs in staat worden geacht om die opvang op zich te nemen. Bij de hernieuwde schadeberekening dienen de extra kosten van kinderopvang dan ook buiten beschouwing te worden gelaten.

Pensioenleeftijd

2.31. [eiser] heeft in de schadeberekening als uitgangspunt genomen dat hij tot 65-jarige leeftijd zou hebben doorgewerkt bij ENCI. Erasmus heeft dit uitgangspunt betwist en gesteld dat inmiddels vele ontslagen zijn gevallen en nog zullen vallen bij ENCI. De rechtbank verwerpt het verweer met betrekking tot de ontslagen bij ENCI. Erasmus heeft niet concreet gesteld of onderbouwd dat [eiser] zou zijn getroffen door ontslag. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat hij in dat geval niet meer aan de slag zou komen in een vergelijkbare baan.

2.32. Verder wijst Erasmus op statistische gegevens die aantonen dat de meerderheid van de Nederlandse beroepsbevolking vervroegd uittreedt uit het werkzame leven. Naar aanleiding van het verzoek van de rechtbank ter comparitie om nadere informatie te overleggen over de redelijkerwijs te verwachten pensioenleeftijd (mede met het oog op de onlangs ingevoerde levensloopregeling), heeft [eiser] een brief overgelegd van ENCI d.d. 30 juni 2006. Daaruit blijkt dat de pensioenregeling bij ENCI, ten tijde van de uitdiensttreding van [eiser] op 1 mei 2000, recht geeft op een Tijdelijk Ouderdomspensioen tussen 62 en 65 jaar en dat tot dusverre vrijwel iedere werknemer gebruik maakte van het vroegpensioen vanaf 62 jaar. Bij de vanaf 1 januari 2006 geldende pensioenregeling binnen ENCI is afgesproken om het pensioen dermate extra te verhogen dat deelnemers, geboren in of na 1965 (zoals [eiser]), desgewenst op een leeftijd van 62 jaar en 9 maanden naar verwachting eenzelfde niveau aan pensioen kunnen realiseren als voorheen het geval was. Men kan echter ook kiezen voor pensionering op 65-jarige leeftijd met een hoger pensioen, aldus de brief van ENCI.

2.33. De rechtbank overweegt dat het ook hier gaat om de redelijke verwachtingen voor de toekomst. De rechtbank pleegt er vanuit te gaan dat slachtoffers zonder ongeval gebruik zouden hebben gemaakt van de bij hun werkgever bestaande rechten terzake VUT- of vervroegd pensioen op het moment dat het daaraan verbonden inkomen minimaal 70% van het laatst verdiende loon zou bedragen, tenzij de persoonlijke omstandigheden van het slachtoffer reden geven om van een andere leeftijd uit te gaan. Dat is een redelijke verwachting voor de toekomst, omdat een zeer grote meerderheid van de Nederlandse beroepsbevolking kiest voor vervroegd pensioen zodra dat financieel verantwoord is. De rechtbank leidt uit de door [eiser] overgelegde nadere informatie van ENCI af dat hij, toen hij werkzaam was bij ENCI, rechten opbouwde voor vroegpensioen vanaf 62 jaar (75% van het laatst verdiende salaris). Dit zou het geval zijn geweest vanaf zijn indiensttreding op 1 september 1997 tot 1 januari 2006, toen de levensloopregeling werd ingevoerd. Voorts zijn bij ENCI vanaf 1 januari 2006 voorzieningen getroffen in de pensioenregeling die het werknemers mogelijk maakt om op een leeftijd van 62 jaar en 9 maanden een zelfde niveau van pensioen te realiseren als voorheen. Gelet op deze informatie brengt een redelijke verwachting mee dat [eiser] zou hebben doorgewerkt totdat hij de leeftijd van 62 jaar en 9 maanden had bereikt. [eiser] heeft erop gewezen dat hij de keuze zou hebben gehad: stoppen met 62 jaar en 9 maanden of doorwerken tot 65 jaar en dan van een hoger pensioen genieten. Hij heeft echter niet concreet aangegeven waarom aannemelijk is dat hij voor het laatste zou hebben gekozen, anders dan het wijzen op algemene tendensen van vergrijzing en langer doorwerken. Dat is echter onvoldoende om aan te nemen dat [eiser] er niet voor zou hebben gekozen om te stoppen met werken wanneer hij de leeftijd van 62 jaar en 9 maanden had bereikt. Concluderend heeft bij de nieuwe schadeberekening als uitgangspunt te gelden dat [eiser] met pensioen zou zijn gegaan op de leeftijd van 62 jaar en 9 maanden.

2.34. In verband met het te berekenen verlies aan verdienvermogen heeft Erasmus [eiser] verzocht om loonstroken vanaf 1995 over te leggen. Erasmus heeft niet onderbouwd waarom die loonstroken nodig zijn voor de berekening van het verlies aan verdienvermogen. Bij de stukken bevinden zich de loongegevens uit 1999 waaruit kan worden afgeleid wat het salaris van [eiser] was ten tijde van het ongeval. De rechtbank zal dan ook aan dat verzoek voorbijgaan.

2.35. [eiser] heeft de door hem gevorderde bedragen gebaseerd op een actuariële berekening van Bureau Pals van 20 september 2005. Zoals hiervoor overwogen, hebben de daaraan ten grondslag gelegde uitgangspunten enige correcties ondergaan, zodat een nieuwe berekening noodzakelijk is. Met inachtneming van de hiervoor uiteengezette uitgangspunten zal de rechtbank een deskundige benoemen teneinde een hernieuwde schadeberekening te maken. Nu de overige uitgangspunten van de schadeberekening van Bureau Pals niet zijn betwist, zal de deskundige daarvan dienen uit te gaan. Ter comparitie heeft de rechtbank overleg gevoerd met partijen over de te benoemen deskundige. Tegen het voorstel van [eiser] om zo'n hernieuwde calculatie door Bureau Pals te laten verrichten, heeft Erasmus gemotiveerd bezwaar gemaakt. Nu [eiser] de berekening waarop hij zijn vordering grondt, eenzijdig heeft laten opstellen door Bureau Pals, zal de rechtbank dat bezwaar honoreren en conform het voorstel van Erasmus een deskundige van het Nederland Rekencentrum voor Letselschade benoemen om de nieuwe schadeberekening te maken. [eiser] heeft daartegen slechts ingebracht dat de inschakeling van een nieuwe deskundige hogere kosten met zich meebrengt. De rechtbank zal dat argument echter passeren, nu Erasmus als aansprakelijke partij de kosten van de deskundige voor haar rekening zal moeten nemen. Aan de deskundige van het NRL zullen de in het dictum gestelde vragen worden voorgelegd.

2.36. Om redenen van proceseconomie zal de rechtbank reeds nu ingaan op de andere schadeposten.

Materiële kosten

2.37. [eiser] heeft diverse materiële kosten gevorderd, tot en met 2005 berekend op EUR 16.778,00 en tot en met 2030 op een bedrag van EUR 5.826,73 en voor het overige schadevergoeding, op te maken bij staat. De rechtbank zal in het navolgende de verschillende posten bespreken.

Autokosten en GSM-toestel

2.38. [eiser] heeft vergoeding van de kosten van zijn autovelgen gevorderd alsmede van de reparatie van de Scheelstoel in zijn auto. Deze accessoires had hij privé aangeschaft, aldus [eiser]. Erasmus heeft de verschuldigdheid van die kosten betwist. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat de benadeelde komt te verkeren in de situatie waarin hij zou verkeren als het ongeval niet had plaatsgevonden. Erasmus heeft niet betwist dat [eiser] ten tijde van het ongeval beschikte over lichtmetalen velgen en een Scheelstoel waarvan hij de aanschaf zelf had gefinancierd. Evenmin is weersproken dat de Scheelstoel beschadigd was door het ongeval en dat de velgen onherstelbaar beschadigd waren. Naar het oordeel van de rechtbank dient Erasmus dan ook de waarde te vergoeden die de velgen ten tijde van het ongeval vertegenwoordigden alsmede de kosten van reparatie van de Scheelstoel. Erasmus heeft de opgevoerde bedragen (EUR 681,00 en EUR 113,00) betwist. Ter comparitie heeft [eiser] gesteld dat van nagenoeg alle materiële kosten bonnen beschikbaar zijn. [eiser] zal dan ook in de gelegenheid worden gesteld om die kosten te onderbouwen. Om proceseconomische redenen zal die gelegenheid worden geboden in de conclusie na het deskundigenbericht.

2.39. [eiser] heeft gesteld dat hij in privé gebruik mocht maken van de door ENCI ter beschikking gestelde GSM, hetgeen niet is weersproken door Erasmus. Nu hij niet meer werkt bij ENCI, beschikt hij niet langer over die telefoon. De rechtbank begrijpt dat [eiser] met het gevorderde bedrag van EUR 68,00 vergoeding wenst van het toestel dat hij privé heeft aangeschaft. Het causaal verband van deze kosten met het ongeval is blijkens deze stellingen gegeven, zodat het bedrag toewijsbaar is. Nu Erasmus heeft betwist dat de kosten (tot deze hoogte) zijn gemaakt, zal [eiser] ook voor wat betreft deze post in de gelegenheid worden gesteld om bescheiden in het geding te brengen waaruit de kosten van het toestel blijken.

Backstretcher, vering fiets, inruil fiets, waterbed, bureaustoel, fysiosport-contributie, reiskosten voor fysiosport, fysiotherapie, rechtsbijstand en reïntegratie

2.40. Erasmus heeft deze kosten en het causaal verband ervan met het ongeval betwist. [eiser] zal op deze punten eveneens in de gelegenheid worden gesteld om (na het deskundigenbericht) zijn vordering nader te onderbouwen. De rechtbank wil graag van [eiser] vernemen wat de reden was voor de aanschaf van de genoemde artikelen en of er een medische indicatie bestond voor de aanschaf. Voor wat betreft de fysiosport-contributie dient [eiser] aan te geven welke baat hij ondervindt van de fysiosport. Voorts dient in het achterhoofd te worden gehouden dat [eiser] mogelijk vóór het ongeval één of meerdere sporten beoefende die hij op dit moment niet meer beoefent (squash, mountainbiken, survivaltochten zijn sporten die in de stukken worden genoemd), hetgeen een besparing zou opleveren. Indien de fysiosport daarvoor in de plaats is gekomen, is de contributie niet als schade te beschouwen. Ook daarop dient [eiser] in te gaan. Voorts dient [eiser] aan te geven of de kosten door zijn ziektekostenverzekeraar zijn dan wel konden worden vergoed. Ook de reiskosten dienen nader onderbouwd te worden en dienen te worden vergeleken met de reiskosten die [eiser] zou hebben gemaakt indien het ongeval hem niet was overkomen. Tenslotte dient hij de bescheiden over te leggen waaruit blijkt dat de kosten (tot de gevorderde hoogte) zijn gemaakt.

Contributie Nederlandse Stichting Whiplash Patiënten

2.41. [eiser] heeft de jaarlijkse contributie gevorderd vanaf 1998 tot en met 2005 en voor de toekomst een gekapitaliseerd bedrag. De rechtbank acht het causaal verband tussen deze kosten en het ongeval aanwezig: [eiser] zou zich immers niet bij deze stichting hebben aangesloten indien hem het ongeval niet was overkomen. De contributie is naar het oordeel van de rechtbank ook in redelijkheid toe te rekenen aan het ongeval en is dan ook toewijsbaar. Nu Erasmus de hoogte ervan heeft betwist, zal [eiser] in de gelegenheid worden gesteld deze kosten met stukken te onderbouwen.

Kleding

2.42. [eiser] vordert EUR 1.000,- in verband met de vrijetijdskleding die hij nu koopt in plaats van de kostuums die overbodig in de kast hangen. Deze vordering zal worden afgewezen. Het moge zo zijn dat [eiser] aanvankelijk, toen hij niet meer werkte, wat meer vrijetijdskleding heeft moeten kopen terwijl de kostuums die hij normaal droeg, ongebruikt in de kast hingen. Daar staat echter tegenover dat hij thans geen kostuums meer hoeft aan te schaffen terwijl die in het algemeen duurder zijn dan vrijetijdskleding. Hij heeft dan ook onvoldoende gesteld om aan te nemen dat hij in dit verband schade heeft geleden.

Tijdschriftabonnementen

2.43. [eiser] vordert terzake van deze post EUR 1.300,-. Ook hier heeft Erasmus de kosten en de causaliteit betwist. De rechtbank zal de vordering tot betaling van deze kosten bij eindvonnis afwijzen. Op zich is aan te nemen dat [eiser], nu hij geen betaalde werkzaamheden meer verricht en een groot deel van de dag thuis is, kosten maakt om op andere wijze de tijd door te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank moet echter aangenomen worden dat de (eveneens gevorderde) schadevergoeding voor immateriële schade dient ter dekking van dergelijke uitgaven.

Privé tennisles

2.44. Zoals hiervoor overwogen, neemt de rechtbank op grond van het rapport van [R] aan dat [eiser] geen beperkingen heeft in de besteding van zijn vrije tijd (behoudens de genoemde beperkingen ten aanzien van zware nek belastende arbeid en het werk boven schouderhoogte). Gelet op die medische beperkingen kunnen de kosten van het volgen van privé tennisles in plaats van groepsles niet als schade tengevolge van het ongeval worden beschouwd. Die vordering zal dan ook bij eindvonnis worden afgewezen.

Motor

2.45. [eiser] heeft een bedrag van EUR 1.750,- gevorderd in verband met "minder opbrengst als gevolg van gedwongen verkoop & -commissie". Nu Erasmus ook op dit punt de hoogte en causaliteit heeft betwist, zal [eiser] nader moeten onderbouwen waaruit deze kostenpost bestaat en dat de kosten in redelijkheid aan het ongeval zijn toe te rekenen. Daarbij dient hij aan te geven waarom hij redelijkerwijs genoodzaakt was de motor te verkopen, mede gelet op de eerder aangegeven conclusies van [R].

Overig schade, op te maken bij staat

2.46. [eiser] wenst vergoeding van geleden en nog te lijden schade welke zich moeilijk laat concretiseren: kosten die hij niet of in mindere mate zou hebben gemaakt indien hij nog een arbeidzaam leven had gehad. Als voorbeeld noemt [eiser]: groter verbruik van gas, water en elektra, het thuis nuttigen van koffie en koek, het niet kunnen verrichten van (alle) werkzaamheden in en rond het huis. Voorts heeft [eiser] in verband met zijn gezondheid zijn huis moeten verbouwen om ruimtes te creëren waar hij zich kan terugtrekken. Erasmus heeft betwist dat [eiser] in dit verband schade heeft geleden en dat die schade in causaal verband staat met het ongeval.

2.47. De rechtbank stelt voorop, zoals hiervoor al overwogen, dat [R] in haar rapportage heeft geconcludeerd dat er geen beperkingen zijn bij activiteiten van het dagelijks leven. Er is een beperking ten aanzien van zware nek belastende arbeid als ook het werk boven schouderhoogte. Daarnaast is er door het concentratieverlies van betrokkene een beperking ten aanzien van de hoeveelheid externe prikkels waaronder betrokkene kan werken, aldus [R]. Gelet op deze constateringen kan alleen een vergoeding van kosten op zijn plaats zijn voor zover het werkzaamheden in en rond het huis betreft die de nek zwaar belasten dan wel boven schouderhoogte zijn. De beperking wat betreft externe prikkels zal zich voor deze werkzaamheden niet of nauwelijks doen gelden. [eiser] heeft niet concreet gesteld welke werkzaamheden in en om het huis hij vóór het ongeval verrichtte die hij thans - vanwege voornoemde beperkingen - niet meer kan uitvoeren. Voorts heeft hij geen concrete kosten opgevoerd in verband met zulke werkzaamheden. Het ongeval heeft al in 1998 plaatsgehad, zodat de rechtbank van oordeel is dat [eiser] in de schadeberekening op zijn minst concreet had kunnen aangeven welke werkzaamheden hij niet meer kan uitvoeren en welke kosten daarmee tot op heden zijn gemoeid. Nu hij dit heeft nagelaten is de stelling dat hij schade heeft geleden en zal lijden terzake van werkzaamheden in en rond het huis, onvoldoende onderbouwd. Dientengevolge zal de vordering tot vergoeding van die schade, op te maken bij staat, worden afgewezen.

2.48. Nu [eiser] geen betaalde werkzaamheden meer heeft, zal hij het grootste deel van zijn tijd thuis doorbrengen. Aan te nemen is dat hij daardoor meer gas, water en elektra verbruikt dan in de situatie dat hem geen ongeval was overkomen. Daarmee staat voldoende vast dat hij op dit punt schade heeft geleden en nog zal lijden. De rechtbank ziet echter onvoldoende aanleiding om, zoals gevorderd, te verwijzen naar de schadestaatprocedure. [eiser] moet redelijkerwijs in staat worden geacht om nader te onderbouwen hoe groot die schade (bij benadering) is. Daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank geen bewijslevering nodig, nu het hier gaat om de begroting van schade. [eiser] zal dan ook in de gelegenheid worden gesteld (na het deskundigenbericht) om een begroting te maken van de schade die hij heeft geleden en naar verwachting nog zal lijden terzake van extra verbruik van gas, water en elektra. Daarbij moet de situatie mét ongeval worden afgezet tegen de hypothetische situatie zónder ongeval (met daarin meegenomen de aanwezigheid in huis van zijn gezinsleden).

2.49. De vordering tot vergoeding van de extra koffie en koek die [eiser] thuis gebruikt, zal worden afgewezen. Het moge zo zijn dat [eiser] meer koffie, e.d. gebruikt wanneer hij de hele dag thuis is. Daar staat echter tegenover dat hij andere kosten niet hoeft te maken, die hij wel zou hebben gemaakt indien hij nog had geparticipeerd in het arbeidsproces. De rechtbank noemt als voorbeeld lunchen op het werk, activiteiten met collega's, bedrijfsuitjes, en dergelijke. Er is dan ook onvoldoende gebleken dat [eiser] op dit punt schade heeft geleden.

Verbouwing, thuiswerkplek inrichting, PC, internet

2.50. Wat betreft de gestelde schade in verband met verbouwingen van het huis en inrichten van een thuiswerkplek overweegt de rechtbank het volgende. [eiser] heeft toegelicht dat het huis op de begane grond is uitgebouwd teneinde voor hem een rustige en aangepaste werkplek te creëren. Daarnaast is de zolder verbouwd zodat hij zich daar kan terugtrekken indien het gezinsleven te druk is. De rechtbank gaat er van uit dat [eiser] ook zonder het ongeval deze aanpassingen in zijn huis zou hebben doorgevoerd. In een gezin als dat van [eiser], met twee opgroeiende kinderen, is immers te verwachten dat er behoefte bestaat aan een tafel c.q. bureau in de woonkamer met computer voor gebruik van het hele gezin (school, spelletjes, werk, administratie). Daarnaast brengt een redelijke verwachting mee dat de zolder ook zonder het ongeval zou zijn verbouwd, bijvoorbeeld om er een werkkamer van te maken. Bij de functie Hoofd Applicaties, waarvan de rechtbank heeft aangenomen dat [eiser] die zou zijn gaan vervullen, zal thuiswerken (in de avonduren of weekend) er in meerdere of mindere mate bij horen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat er in een gezin met twee opgroeiende kinderen en een kostwinner met een uitdagende baan, behoefte zou bestaan aan een aparte werkkamer waar [eiser] rustig zou kunnen werken. De rechtbank vindt dan ook dat deze kosten onvoldoende causaliteit hebben met het ongeval. Bij eindvonnis zal de vordering tot vergoeding van schade, op te maken bij staat, in zoverre worden afgewezen.

2.51. Ten aanzien van de gevorderde kosten voor een nieuwe computer en een internetverbinding, begrijpt de rechtbank uit de stellingen van [eiser] dat hij geen computer had die ENCI hem ter beschikking had gesteld. Uit dien hoofde was het dan ook niet noodzakelijk om een nieuwe computer af te schaffen. Hij heeft voor het overige niet onderbouwd waarom hij tengevolge van het ongeval een nieuwe computer en een nieuwe internetverbinding heeft moeten aanschaffen. Ter comparitie heeft [eiser] verklaard dat hij een internetverbinding via de telefoonaansluiting had en dat hij dan met de computer gewoon aan de huiskamertafel zat. De rechtbank kan zich goed voorstellen dat [eiser] behoefte heeft aan een aparte werkplek met een computer en snelle internetverbinding, zeker nu hij de hele dag thuis is. De vraag is echter of die kosten in redelijkheid zijn toe te rekenen aan het ongeval. Een feit van algemene bekendheid is immers dat in de afgelopen jaren veel meer zaken gedigitaliseerd zijn en via internet geregeld kunnen worden en bovendien dat computers regelmatig dienen te worden vervangen. Voorts verwijst de rechtbank naar hetgeen in de vorige rechtsoverweging is opgenomen: ook zonder ongeval zou in een gezin met twee werkende ouders en twee opgroeiende kinderen behoefte hebben bestaan aan een aparte hoek met (snelle) computer en (snelle) internetverbinding. Deze kosten zijn dan ook niet aan te merken als schade tengevolge van het ongeval.

2.52. [eiser] zal, zoals gezegd, in de conclusie na het deskundigenbericht in de gelegenheid zijn om zich op de hiervoor genoemde punten uit te laten, waarna Erasmus daarop kan reageren.

Immateriële schade

2.53. De rechtbank zal de beslissing over de immateriële schade tot het eindvonnis aanhouden.

Kosten juridische bijstand

2.54. Gelet op de akten van beide partijen staat vast dat Erasmus tot nu toe een bedrag van EUR 26.351,85 heeft betaald voor kosten van juridische bijstand (daaronder begrepen kosten van Stichting Rechtsbijstand, van de raadsman en van twee actuariële berekeningen). [eiser] vermindert zijn vordering tot vergoeding van de kosten van juridische bijstand tot een bedrag van EUR 6.902,21, zijnde de kosten die hij heeft gemaakt in de periode 9 juni 2004 tot en met 6 juli 2005. Erasmus heeft niet betwist dat zij de in redelijkheid gemaakte buitengerechtelijke kosten van juridische bijstand aan [eiser] is verschuldigd. Zij heeft in haar akte slechts gewezen op de omstandigheid dat [eiser] in de dagvaarding en in zijn akte na comparitie zelf heeft gesteld dat de totale buitengerechtelijke kosten

EUR 18.873,80 bedragen, zodat met de betaling van EUR 26.351,85 deze ruimschoots zijn voldaan. Deze stelling berust naar het oordeel van de rechtbank echter op een onjuiste lezing van de akte. [eiser] heeft immers in de akte erkend dat de vordering zoals ingesteld en toegelicht bij dagvaarding niet juist was en heeft zijn vordering gematigd in de zin zoals hiervoor omschreven. De herhaling van de bij dagvaarding ingenomen stelling dat de totale buitengerechtelijke kosten EUR 18.873,80 bedroegen, is niet anders te interpreteren dan als een onderdeel van de samenvatting van eerdere stellingen van partijen. Immers in punt 14 van de akte geeft [eiser] zijn eerdere stellingen op dit punt weer, waarna in punt 15 de stelling van Erasmus volgt en in punt 16 (en verder) het herziene standpunt van [eiser]. Dit verweer van Erasmus wordt dan ook verworpen. Erasmus heeft bij conclusie van antwoord inhoudelijk verweer gevoerd. Het verweer tegen de kosten voor de schadeberekening van bureau Pals wordt verworpen. [eiser] vordert thans, na vermindering van zijn vordering, immers geen kosten van bureau Pals. Erasmus heeft gesteld dat in de specificatie niet wordt vermeld tegen welk uurtarief de werkzaamheden van mr. Roeders zijn verricht. In de akte na comparitie heeft [eiser] gesteld dat het gehanteerde uurtarief over 2004 EUR 200,00 en over 2005 EUR 205,00 (beiden excl. BTW) bedraagt. Voor zover Erasmus heeft willen betogen dat dit uurtarief niet redelijk is te noemen (in de antwoordakte na comparitie staat niets over dit standpunt), wordt dit verweer verworpen. Genoemd tarief is immers zeker niet ongebruikelijk voor advocaten. Het eerder opgeworpen verweer dat de kosten voor het opstellen van de dagvaarding ten onrechte worden gevorderd, is niet meer relevant. [eiser] heeft de vordering tot vergoeding van die kosten (gemaakt vanaf 6 juli 2005) immers ingetrokken. Nu Erasmus geen ander verweer heeft gevoerd en [eiser] zijn vordering op dit punt voldoende heeft onderbouwd, zal deze bij eindvonnis worden toegewezen tot het bedrag van EUR 6.902,21.

Overige punten

2.55. De rechtbank overweegt reeds nu dat de vordering van [eiser] tot het maken van het voorbehoud van het blijven voortbestaan van de WAO-uitkering, bij eindvonnis zal worden afgewezen. [eiser] heeft vergoeding van zijn schade aan verlies aan arbeidsvermogen voor de toekomst gevraagd uit te betalen in een bedrag ineens. In die in één bedrag te vergoeden toekomstige schade zijn de goede en de kwade kansen verdisconteerd. Daarbij past het niet een voorbehoud te maken met betrekking tot een voor de benadeelde mogelijke kwade kans. Als [eiser] dergelijke kwade kansen had willen uitsluiten, had hij schadevergoeding in de vorm van betaling in periodiek uit te keren bedragen moeten vorderen. Op grond van het bepaalde in artikel 6:105 lid 2 Burgerlijk Wetboek kan deze vorm van uitbetaling bij veranderende omstandigheden worden gewijzigd.

2.56. [eiser] heeft gevorderd dat Erasmus de (eventueel) verschuldigde heffingen inkomstenbelasting en volksverzekeringen over de bedragen zal vergoeden. Nu Erasmus daartegen geen verweer heeft gevoerd kan die vordering bij eindvonnis worden toegewezen voor zover het de bedragen betreft waarover mogelijk dergelijke heffingen worden opgelegd.

2.57. De rechtbank zal nu het aangekondigde deskundigenbericht bevelen. In verband met de omstandigheden van dit geding zal het voorschot op de kosten van de deskundige door Erasmus moeten worden gedeponeerd.

2.58. De rechtbank geeft partijen nog in overweging om te trachten vóór de benoeming van de deskundige het geschil in der minne te regelen gelet op de kosten van een herberekening van de schade en gelet op de omstandigheid dat de rechtbank in dit vonnis een eindbeslissing heeft gegeven over het overgrote deel van de vorderingen. Indien partijen dat wensen, kunnen zij de rechtbank verzoeken de zaak naar de parkeerrol te verwijzen in verband met het minnelijke overleg.

2.59. Om redenen van proceseconomische aard zal de rechtbank tussentijds hoger beroep van dit tussenvonnis toestaan, behoudens voor zover de Wet hoger beroep tegen onderdelen van dit vonnis zonder meer uitsluit.

2.60. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. beveelt een deskundigenbericht,

3.2. benoemt tot deskundige:

[H]

Nederlands Rekencentrum Letselschade

Postbus 70

5490 AB Sint Oedenrode

0413-478883

3.3. draagt de deskundige op om aan de rechtbank schriftelijk een met redenen omkleed bericht uit te brengen omtrent de volgende vragen:

1. Op welk bedrag berekent u de door [eiser] geleden en nog te lijden schade wegens verlies aan arbeidsvermogen, rekening houdend met de door de rechtbank vastgestelde uitgangspunten?

2. Geven de standpunten van partijen, de stukken van het geding en/of uw bevindingen in het algemeen nog aanleiding tot opmerkingen die van belang zouden kunnen zijn voor het nemen van de beslissingen in deze zaak?

3.4. bepaalt dat Erasmus een bedrag van EUR 4.000,-- als voorschot op de kosten van de deskundige dient over te maken op rekeningnummer 192325787 ten name van arrondissement 536 's-Hertogenbosch onder vermelding van "voorschot deskundigenbericht inzake zaaknummer 136529 / HA ZA 06-63" en wel binnen vier weken na deze uitspraak,

3.5. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op tijd en plaats als door de deskundige in overleg met partijen nader te bepalen, met dien verstande dat daartoe niet behoeft te worden overgegaan dan nadat de griffier schriftelijk heeft bericht omtrent de ontvangst van de voorschotten,

3.6. wijst de deskundige er op dat:

- de deskundige na aanvaarding van de benoeming verplicht is de opdracht onpartijdig en naar beste kunnen te volbrengen,

- de deskundige bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat uit het schriftelijk bericht moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan,

- van de inhoud van de opmerkingen en verzoeken in het schriftelijk bericht melding moet worden gemaakt,

- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover opmerkingen te maken, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,

3.7. wijst partijen er op dat, indien zij schriftelijk opmerkingen aan de deskundige doen toekomen, zij daarvan terstond een afschrift aan de wederpartij dienen te verstrekken,

3.8. bepaalt dat de deskundige het schriftelijk en ondertekend deskundigenbericht uiterlijk binnen drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot in drievoud ter griffie van de rechtbank moet inleveren,

3.9. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 8 november 2006 voor controle door de griffier van ontvangst van het voorschot aan de hand van door Erasmus ter rolle te overleggen betalingsbewijs,

3.10. bepaalt dat, zodra de griffier is gebleken dat het voorschot is ontvangen, de zaak wordt verwezen naar de "parkeerrol" totdat het deskundigenbericht ter griffie is ontvangen dan wel één van partijen verzoekt de zaak voor een volgende proceshandeling op de rol te plaatsen,

3.11. bepaalt dat, na ontvangst van het deskundigenbericht ter griffie, de zaak weer op de rol zal komen voor uitlating door partijen of zij aanstonds vonnis wensen, de zaak willen bepleiten, een nadere conclusie of akte willen nemen dan wel doorhaling wensen;

3.12. indien, desgevraagd, gelegenheid gegeven wordt voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht, zal [eiser] daartoe als eerste in de gelegenheid worden gesteld,

partijen zullen dan tevens in de gelegenheid zijn om zich uit te laten over hetgeen in r.o. 2.38, 2.39, 2.40, 2.41, 2.45 en 2.48 is overwogen;

3.13. bepaalt dat de griffier een afschrift van dit vonnis aan de deskundige zal doen toekomen,

3.14. bepaalt dat partijen hun procesdossiers in afschrift aan de deskundige dienen te doen toekomen,

3.15. bepaalt dat van dit tussenvonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen, behoudens voor zover de Wet hoger beroep tegen onderdelen van dit vonnis zonder meer uitsluit,

3.16. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2006.