Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AY8695

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-09-2006
Datum publicatie
22-09-2006
Zaaknummer
01/835110-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ISD-maatregel opgelegd terzake woninginbraak en poging daartoe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/835110-06

Uitspraakdatum: 22 september 2006

VERKORT VONNIS

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

thans verblijvende: PI Vught, Vosseveld 2 HvB Regulier te Vught.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 september 2006.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 augustus 2006.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 3 juni 2006 te Vlierden, gemeente Deurne, met het oogmerk

van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning, gelegen aan de [pleegplaats] heeft weggenomen een of meer sieraden en/of een of meer horloge('s) en/of een geldbedrag van 200 euro of daaromtrent en/of een trommel

en/of servies, in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft

verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming te weten het verbreken/inslaan van een ruit van die woning en/of het vervolgens door die

woning in te klimmen door die ruit;

[artikel 311 Wetboek van strafrecht];

2.

hij op of omstreeks 22 december 2005 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [pleegplaats] weg

te nemen geld en/of (een) goed(eren) van zijn, verdachte's, gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen

en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met voormeld oogmerk een poort, welke toegang geeft tot perceel [pleegplaats], heeft geforceerd en/of (vervolgens) doende is geweest de achterdeur van die woning te forceren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

[artikel 311 jo 45 Wetboek van strafrecht];

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

* Overweging t.a.v. feit 1:

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de raadsvrouwe van de verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 8 september 2006 het verweer gevoerd dat de officier van justitie in de vervolging van feit 1 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de verdachte door de politie stelselmatig zou zijn geobserveerd in de zin van de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden, zonder dat aan de wettelijke vereisten voor een dergelijke observatie was voldaan. De verdediging stelt dat door het gericht waarnemen van de verdachte, zelfs als dit niet als stelselmatige observatie zou worden aangemerkt, een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte, beschermd door artikel 8 EVRM, is gemaakt.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de processtukken is gebleken dat verbalisant Leenders de verdachte gedurende een korte tijd, te weten ongeveer een half uur [p. 23 en 24], is gevolgd en dat dit volgen in het openbaar heeft plaatsgevonden, te weten de openbare weg te Asten, Ommel en Vlierden. Voorts komt uit het relaas van verbalisant Leenders, die zich buiten diensttijd in zijn personenauto op de parkeerplaats van de Albert Heijn aan de Prins Bernardstraat te Asten bevond, naar voren dat deze de verdachte spontaan ging volgen, omdat hij vond dat de verdachte, die hij daar zag fietsen en die hem ambtshalve bekend was, zich verdacht gedroeg door bij een aantal woningen stil te staan en bij één van deze woningen op de ramen te tikken en vervolgens weer door te fietsen.

Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 126 van het Wetboek van Strafvordering moet bij stelselmatige observatie gedacht worden aan vormen van observatie die tot resultaat kunnen hebben dat een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven wordt verkregen. Om te bepalen of daarvan sprake is, dient onder meer naar de duur, de plaats en de intensiteit van de observatie gekeken te worden.

Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de observatie van de verdachte, die in het openbaar plaatsvond en slechts van korte duur was, niet tot doel had een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het leven van verdachte te verkrijgen, doch slechts tot doel had te weten te komen of de verdachte voornemens had om op dat moment ergens in te breken. De rechtbank concludeert dat het volgen van de verdachte op de hiervoor beschreven wijze derhalve niet als stelselmatige observatie in de zin van de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden dient te worden aangemerkt.

Evenmin zijn de rechtbank feiten of omstandigheden gebleken die tot de conclusie nopen dat door de observatie van de verdachte een inbreuk is gemaakt op diens persoonlijke levenssfeer.

Nu de niet-stelselmatige observatie, waarbij geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt gemaakt, geen uitdrukkelijke bevoegdheid behoeft, dient de observatie van verdachte in het onderhavige geval als rechtmatig te worden aangemerkt en kan deze niet aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn overigens geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De bewijsbeslissing.

* Bewijsoverweging t.a.v. feit 1:

Ter terechtzitting is namens de verdachte aangevoerd dat voor de bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde inbraak onvoldoende wettig bewijs voorhanden is, omdat de bevindingen van de verbalisanten Leenders, Urlus en Meeuwsen het tenlastegelegde in de visie van de verdediging niet ondersteunen.

De rechtbank overweegt hierover het navolgende.

Uit de aangifte van [slachtoffer] [p. 27], bewoonster van het [pleegplaats]] blijkt dat op 3 juni 2006 tussen 17.50 uur en 18.30 uur in haar woning is ingebroken, waarbij diverse goederen zijn ontvreemd. Verbalisant Leenders, die de verdachte op 3 juni 2006 vanaf 17.55 uur is gevolgd, heeft waargenomen [p. 23 en 34] dat de verdachte bij verschillende woningen en bij een garage naar binnen keek. Voorts heeft verbalisant Leenders waargenomen dat de verdachte geen tas bij zich droeg, ook niet op het moment dat deze zich naar de achterkant van het pand [pleegplaats] begaf en dat de verdachte wel een tas bij zich droeg, toen hij korte tijd later vanaf de oprit naast of bij de woning [pleegplaats] kwam gefietst. Uit de bevindingen van de verbalisanten Urlus en Meeuwsen [p. 14], die de verdachte op 3 juni 2006 om 18.34 uur, onmiddellijk nadat hij vanaf de oprit van het pand [pleegplaats] kwam gefietst, hebben aangehouden, blijkt dat de verdachte een plastic zak met daarin een blik met geld en sieraden bij zich droeg. De bij de verdachte aangetroffen goederen zijn later door de aangeefster als zijnde haar eigendommen herkend.

De rechtbank is van oordeel dat deze bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, voldoende bewijs opleveren om tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde te komen. Het verweer wordt derhalve verworpen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1. op 3 juni 2006 te Vlierden, gemeente Deurne, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning, gelegen aan de [pleegplaats] heeft weggenomen sieraden en horloges en een geldbedrag van 200 euro of daaromtrent en een trommel en serviesgoed toebehorende aan [slachtoffer], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming, te weten het inslaan van een ruit van die woning en vervolgens die woning in te klimmen door die ruit;

2. op 22 december 2005 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [pleegplaats] weg te nemen geld en/of goederen van zijn, verdachte's, gading, toebehorende aan [slachtoffer], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, met voormeld oogmerk een poort, welke toegang geeft tot perceel [pleegplaats], heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 38m, 38n, 38s, 45, 310, 311

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

* onder bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar, zonder aftrek van voorarrest, met een tussentijdse toets na negen maanden

* teruggave van de inbeslaggenomen sieraden en het bedrag van EUR 198,54 contant geld aan de rechthebbende, de benadeelde partij [slachtoffer] en de inbeslaggenomen pet, fiets en sportschoenen aan de verdachte

* verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen schroevendraaier

* mits de inbeslaggenomen goederen, die aan de benadeelde partij in eigendom toebehoren aan deze worden teruggegeven: afwijzing van de vordering van de benadeelde partij, aangezien de glasschade blijkens de toelichting van de vordering reeds door de verzekering is vergoed en de vordering voor het overige de teruggave van de inbeslaggenomen goederen behelst

De rechtbank is van oordeel dat de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders dient te worden opgelegd. Daartoe wordt het navolgende overwogen.

1. Ten aanzien van het bewezenverklaarde misdrijf geldt dat het een feit betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

2. Verdachte is blijkens het uittreksel uit het documentatieregister en het onderzoek ter terechtzitting in de vijf jaar voorafgaand aan het bewezenverklaarde ten minste drie maal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld en het bewezenverklaarde is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en voorts moet er, mede gelet op het hierna te noemen rapport, ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

3. De veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van de maatregel, waartoe wordt verwezen naar het feit dat verdachte telkenmale nieuwe strafbare feiten pleegt en de oplegging van vrijheidsstraffen hem daarvan kennelijk niet weerhoudt. Blijkens het rapport van Novadic Kentron, netwerk voor verslavingszorg d.d. 5 september 2006 is het niet mogelijk gebleken omtrent de verdachte een adviesrapport uit te brengen. De rapporteurs vermelden dat de verdachte geen medewerking wilde verlenen aan de totstandkoming van een voorlichtingsrapportage en het bijbehorende RISc-onderzoek omdat hij zegt geen verslavingsproblemen en daarnaast ook geen andere problemen te hebben. Ook nadat de rapporteurs aan de verdachte hadden uitgelegd dat een ISD-maatregel niet alleen voor verslaafden bedoeld is, bleef de verdachte weigeren. De rapporteurs merken op dat de verdachte op de vraag, hoe het dan kan dat hij steeds opnieuw met justitie in aanraking komt, geen antwoord wilde geven.

De rechtbank is van oordeel dat de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders van groot belang is, zowel voor de maatschappij als voor verdachte zelf, nu de maatregel er mede toe strekt een bijdrage te leveren aan de oplossing van de problematiek die de verdachte ondervindt. De rechtbank is niet gebleken van redenen waarom deze maatregel niet zou moeten worden opgelegd.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

De rechtbank acht het noodzakelijk dat 9 maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel zal plaatsvinden en zal aldus beslissen.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan de rechthebbenden, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

De rechtbank zal de vordering afwijzen. Blijkens de toelichting van de vordering zijn de kosten voor de levering en plaatsing van glas reeds door de verzekering vergoed. De vordering behelst voor het overige de goederen welke uit de woning van de benadeelde partij ontvreemd zijn. Door de teruggave van deze goederen aan de benadeelde partij, heeft de benadeelde partij geen schade geleden.

De rechtbank zal de kosten van de partijen aldus compenseren, dat elke partij de eigen kosten draagt.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft door middel van braak en inklimming

T.a.v. feit 2:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van

het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

T.a.v. feit 1, feit 2:

Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar

Beslist tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Bepaalt dat het Openbaar Ministerie de rechtbank uiterlijk negen maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel op de voet van artikel 38s lid 1, laatste zin, van het Wetboek van Strafrecht, aan de rechtbank bericht over de noodzaak van de voortzetting van deze tenuitvoerlegging.

T.a.v. feit 1:

Afwijzing van de civiele vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

T.a.v. feit 1:

Teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten:

- EUR 198,54 contant geld;

- een horloge, kleur goud, Monte Walvo 12-9-55;

- een horloge, kleur goud, merk Pontiac;

- een halsketting, kleur goud, met gouden tientje hanger;

- een halsketting, kleur goud, met fantasie hanger;

- een driedelige ivoren halsketting, kleur beige;

- een speld van het Rode Kruis;

- een damesring met geslepen donker grijze steen in doos;

- een zegelring, kleur goud;

- een transparante hanger in de vorm van een druppel;

- een porseleinen schaal, kleur wit, in de vorm van een schelp;

- een koektrommel, kleur goud, met drie middeleeuwse figuren, met inhoud

aan de rechthebbende, [slachtoffer], wonende V[pleegplaats].

T.a.v. feit 2:

Teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten:

- een schroevendraaier, merk Gamma, kleur blauw;

- twee sportschoenen, merk Umbro, kleur blauw;

- een fiets;

- een pet

aan de rechthebbende, [verdachte].

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S. van Lokven, voorzitter,

mr. E.C.M. de Klerk en mr. E.C.P.M. Valckx, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F. Tadic, griffier

en is uitgesproken op 22 september 2006.

mr. S. van Lokven is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Parketnummer: 01/835110-06 pag. 8

[verdachte]