Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AY6516

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-07-2006
Datum publicatie
18-08-2006
Zaaknummer
120078 / FA RK 04-4998
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Alimentatie. Behoefte. Draagkracht directeur grootaandeelhouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Zaaknummer: 120078 / FA RK 04-4998

Uitspraak: 04 juli 2006

Beschikking betreffende echtscheiding in de zaak van

[verzoeker]

wonende te [woonplaats],

procureur mr. B. du Fossé,

tegen:

[verweerster]

wonende te [woonplaats],

procureur (voorheen mr. G.M. de Winther-Meijers), thans mr. J.C. Lang,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de man en de vrouw.

Deze beschikking is een vervolg op de beschikkingen van deze rechtbank van 26 juli 2005 en 24 februari 2006, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelezen moet worden beschouwd.

De verdere procedure

Bij beschikking van 26 juli 2005 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken, het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen bij de vrouw bepaald en een voorlopige omgangsregeling vastgesteld, alsmede een deskundige benoemd.

Bij beschikking van 24 februari 2006 heeft de rechtbank een definitieve omgangsregeling tussen de man en de minderjarige kinderen van partijen vastgesteld. De definitieve beslissingen inzake de onderhoudsbijdragen, het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zijn aangehouden, in afwachting van het deskundigenbericht.

De rechtbank heeft nadien kennisgenomen van:

- het deskundigenbericht, gedateerd 10 februari 2006;

- een brief met bijlagen van de procureur van de vrouw, gedateerd 4 april 2006;

- een brief met bijlagen van de procureur van de man, gedateerd 15 mei 2006;

- een brief met bijlagen van de procureur van de man, gedateerd 16 mei 2006;

- een brief met bijlagen van de procureur van de man, gedateerd 30 mei 2006.

De zaak is wederom behandeld ter zitting van 17 mei 2006. Verschenen zijn partijen en de procureurs. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

De verdere beoordeling

Voortgezet gebruik echtelijke woning

De vrouw verzoekt te bepalen dat zij gerechtigd is tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan [adres] te [plaats ], gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

De man voert verweer. De samenwoning is al twee jaar verbroken en de vrouw heeft volgens de man nog geen stappen ondernomen om andere woonruimte te vinden. Indien de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijst, verzoekt de man de rechtbank een gebruikersvergoeding vast te stellen van € 369,56 per maand.

De rechtbank overweegt als volgt. Het onderhavige verzoek is op verzoek van partijen aangehouden vanwege samenhang met de aangehouden nevenvoorzieningen wat betreft de alimentatie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Het voortgezet gebruik van de voormalige echtelijke woning door één van de echtgenoten gedurende maximaal zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking heeft het karakter van tijdelijke voorziening met het oog op de moeilijkheden die een echtscheidingsprocedure met zich mee kan brengen in verband met de huisvesting. De rechtbank heeft de echtscheiding tussen partijen op 26 juli 2005 uitgesproken. Ter zitting van 06 februari 2006 is namens de man verklaard dat de echtscheiding "vorig jaar" is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Hoewel de exacte datum van inschrijving de rechtbank niet bekend is, maakt de rechtbank uit deze verklaring op dat de inschrijving in ieder geval voor 1 januari 2006 heeft plaatsgehad. Artikel 1:165 Burgerlijk Wetboek lid 1 laat geen andere uitleg toe dan dat het voortgezet gebruik kan worden toegewezen gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Deze termijn is inmiddels verstreken, zodat de vrouw geen belang meer heeft bij toewijzing. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat partijen reeds drie jaren gescheiden wonen en de vrouw al die tijd alleen gebruik heeft gemaakt van de echtelijke woning, zodat de vrouw inmiddels ruimschoots de mogelijkheid heeft gehad om eventuele moeilijkheden in verband met de huisvesting, waarvoor het voortgezet gebruik is bedoeld, op te lossen. Het verzoek van de vrouw wordt afgewezen. De rechtbank komt niet toe aan het verzoek van de man voor het voortgezet gebruik een vergoeding vast te stellen.

Onderhoudsbijdragen

De man heeft zijn aanvankelijke verzoek, te bepalen dat hij een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen zal voldoen van € 550,-- per kind per maand, gewijzigd in die zin, dat hij zich in staat acht tot een bijdrage van

€ 277,-- per kind per maand.

De vrouw verzoekt een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 575,-- per kind per maand. Hoewel de behoefte van de kinderen volgens de vrouw hoger ligt, stelt zij dat tussen haar en de man de afspraak is gemaakt dat de man € 575,-- per maand per kind zou gaan betalen. Voorts verzoekt de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud van € 3.500,-- per maand.

De man betwist niet dat de vrouw behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage, doch is van mening dat zij daarin gedeeltelijk zelf kan voorzien.

De rechtbank overweegt als volgt. Ter zitting is namens de man verklaard dat de behoefte van de kinderen op € 1.150,-- per maand totaal kan worden gesteld, conform het bedrag dat de vrouw vordert. De vrouw heeft zulks ter zitting niet langer betwist.

Voor wat betreft de behoefte van de vrouw - waarover partijen een verschil van mening hebben - is de rechtbank van oordeel dat het gezinsinkomen van partijen kort voor de verbreking van de samenwoning bepalend is. Partijen wonen sedert 2003 gescheiden. Tussen partijen is niet in geschil dat het bruto inkomen van de man in dat jaar € 92.571,-- bedroeg. Op grond van dit bedrag en rekening houdend met fiscaliteiten becijfert de rechtbank een netto inkomen van de man van

€ 6.213,-- per maand. De vrouw stelt weliswaar dat via opnames uit de rekening courant van het bedrijf van de man huishoudelijke kosten werden betaald, doch door haar is niet gespecificeerd welke kosten dat zijn en welke bedragen daarmee gemoeid zijn. Gelet op de betwisting van de man, zal de rechtbank geen rekening houden met opnames middels de rekening courant.

Tussen partijen is eveneens niet in geschil dat het netto inkomen van de vrouw € 1.430,79 bedroeg. Het totale netto gezinsinkomen bedroeg derhalve in 2003 € 7.644,-- afgerond.

Gelet hierop en rekening houdend met de kosten van de kinderen van € 1.150,-- is de rechtbank van oordeel dat de vrouw behoefte heeft aan de door haar verzochte onderhoudsbijdrage van € 3.500,--.

De rechtbank dient te beoordelen of de vrouw in staat moet worden geacht om zelf gedeeltelijk in die behoefte te voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank is door de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt, dat zij gelet op haar opleiding en werkervaring niet een inkomen zal kunnen verwerven op het niveau zoals zij dat verdiende, toen zij nog bij de onderneming van de man in dienst was. Voorts neemt de rechtbank nog in aanmerking dat de vrouw een kind van jonge leeftijd verzorgt en zij zich pas volledig kan gaan richten op de arbeidsmarkt zodra dat kind de leeftijd van vijf jaar heeft bereikt. Tenslotte neemt de rechtbank in aanmerking dat de vrouw thans medische beperkingen heeft, doch dat niet danwel onvoldoende is aangetoond dat de vrouw daardoor in de toekomst geen werkzaamheden kan verrichten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vrouw thans niet in haar behoefte kan voorzien, al kan en mag van de vrouw verwacht worden dat zij in de nabije toekomst door werkzaamheden gedeeltelijk in haar behoefte zal gaan voorzien. Gezien het netto besteedbare gezinsinkomen zal zij echter een aanvullende behoefte aan alimentatie blijven houden.

Draagkracht van de man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de navolgende financiële gegevens. Voor zover die gegevens tussen partijen niet vaststaan zal de rechtbank hierop gemotiveerd ingaan.

Inkomen

Partijen verschillen van mening omtrent de hoogte van het inkomen dat de man redelijkerwijs kan verwerven als directeur grootaandeelhouder van de besloten vennootschap [naam onderneming ]. De man stelt dat zijn inkomen beperkt moet blijven tot € 78.000,-- terwijl de vrouw het standpunt inneemt dat de man een inkomen van € 92.571,-- kan verwerven. Inzicht in hetgeen de man redelijkerwijs de afgelopen jaren had kunnen verwerven is van belang om de draagkracht te kunnen bepalen.

De rechtbank heeft bij beschikking van 26 juli 2005 [naam deskundige ] RA benoemd tot deskundige en verzocht om bericht uit te brengen omtrent de navolgende vragen:

1. wat zijn, met name gelet op de omzetten, de (gecorrigeerde) exploitatiewinsten over de jaren 2002 tot en met 2004 en over het eerste halfjaar 2005 van [naam onderneming ]

2. welke gedeelten van die onderscheiden winsten komen, naar normen die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd, voor onttrekking aan de onderneming als salaris voor de directeur groot aandeelhouder in aanmerking?

3. zijn er nog meer van belang zijnde opmerkingen te maken?

De rechtbank heeft kennis genomen van de rapportage van [naam deskundige ] RA, gedateerd 10 februari 2006. Kort samengevat concludeert de deskundige naar aanleiding van de door de rechtbank gestelde vragen:

1 De genormaliseerde resultaten bedragen:

2002: € 52.269,--

2003: € 1.611,--

2004: € 25.416,-- (negatief)

1e helft 2005: € 18.315,-- (negatief).

2 de genormaliseerde resultaten leiden niet tot winst. Het jaar 2002 is een uitzonderlijk goed jaar geweest. In 2003 wordt nog een bescheiden resultaat behaald, doch in 2004 en het 1e halfjaar van 2005 wordt verlies geleden. De oorzaak daarvan is de dalende marge op brandstoffen, terwijl de exploitatiekosten niet afnemen of stijgen. De druk in deze regio op de marge van brandstoffen is ontstaan doordat [naam tankstation ], een onbemand tankstation zich heeft gevestigd. Echter naar de mening van de deskundige staan ook landelijk de resultaten van tankstations onder druk. De druk op de brandstofmarge is voor de regio blijvend van aard en het is onwaarschijnlijk dat de marge teruggaat naar het niveau van 2002. Naar de mening van de deskundige is er vanuit de huidige exploitatieresultaten geen ruimte om extra uitkeringen aan de directeur groot aandeelhouder te doen.

3 Het tankstation ligt midden in een woonomgeving. Dit betekent dat het LPG verkooppunt op termijn niet meer wordt toegestaan Hierover loopt al een discussie met de lokale overheden. De marge op LPG bedraagt thans ongeveer

€ 40.000,-- tot € 45.000,-- op jaarbasis. Indien het verkooppunt wordt gesloten, betekent dit een lagere jaarwinst voor genoemde bedragen.

Door de vrouw zijn opmerkingen en vraagtekens geplaatst bij de manier waarop de deskundige zijn onderzoek heeft uitgevoerd. De rechtbank is van oordeel dat gelet op haar vraagstelling het deskundigenbericht voldoet aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld. Partijen zijn voldoende in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen en opmerkingen te maken. De rechtbank acht zich thans voldoende geïnformeerd om tot een oordeel te komen over de draagkracht van de man. De opmerkingen van partijen zullen - voorzover noodzakelijk en relevant - hierna in de overwegingen worden betrokken.

De rechtbank overweegt als volgt. Door de deskundige is een overzicht gegeven van de correcties die naar zijn mening op de onderscheiden resultaten van 2002, 2003, 2004 en het eerste halfjaar van 2005 moeten worden gemaakt. De rechtbank zal deze correcties puntsgewijs bespreken.

Extra pensioendotatie

Reeds ten tijde van de voorlopige voorzieningen waren partijen het er over eens dat de winst over 2002 met dit bedrag gecorrigeerd diende te worden, zodat de rechtbank deze correctie thans ook in aanmerking neemt.

Ontslagvergoeding

Vast staat dat de aan de vrouw toegekende ontslagvergoeding eenmalig is geweest en alleen in 2004 op de winst drukt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de winst over 2004 met dit bedrag moet worden gecorrigeerd.

Correctie wegens omzetderving 2003

Reeds ten tijde van de voorlopige voorzieningen waren partijen het er over eens dat de winst over 2003 dient te worden gecorrigeerd met een bedrag van € 22.000,-- omdat het tankstation in dat jaar tijdelijk niet bereikbaar is geweest wegen werkzaamheden, zodat de rechtbank thans ook rekening zal houden met deze correctie.

Boekverlies en minder autokosten [automerk ]

In het kader van voorlopige voorzieningen is door de rechtbank overwogen dat de bedrijfseconomische noodzaak voor de aanschaf van de [automerk ] niet aannemelijk is gemaakt. In deze procedure zijn door partijen geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die dat oordeel thans anders maken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de winst over 2003 dient te worden gecorrigeerd met de autokosten [automerk ] van € 20.996,-- en de winst over 2004 met het boekverlies van € 5.237,--.

Normalisatie afschrijvingen

In geschil is of een afschrijvingstermijn van 15 jaar of een afschrijvingstermijn van 10 jaar moet worden gehanteerd op de tankinstallaties. De deskundige is van mening dat bedrijfseconomisch gezien een kortere afschrijvingstermijn dan 15 jaar gerechtvaardigd is. De deskundige komt tot die conclusie omdat het ondenkbaar is dat gedurende 15 jaar niets aan het tankstation hoeft te gebeuren en omdat in het verleden gedane investeringen na een kortere termijn weer teniet zijn gedaan. De man heeft geen bezwaren naar voren gebracht tegen deze conclusie van de deskundige. Naar de mening van de vrouw heeft de deskundige zijn conclusie onvoldoende onderbouwd en is door hem onvoldoende onderzoek gedaan naar de noodzaak van een korte afschrijvingstermijn.

De rechtbank overweegt als volgt. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken staat vast dat in 2000 de laatste grote investering is gedaan in het tankstation van € 391.000,-- tengevolge van een algehele renovatie. Uit het onderzoek van de deskundige komt naar voren dat een bedrag van totaal € 205.000,-- direct betrekking heeft op de installaties en een bedrag van € 186.000,-- betrekking heeft op indirect daarmee samenhangende kosten, zoals herbestrating, kosten van de keuring en het in stand houden van een noodopstelling tijdens de (ver)bouw.

Daargelaten de vraag of voornoemd bedrag van € 186.000,-- in 2000 in zijn geheel ten lasten van de winst had kunnen worden gebracht door dit bedrag als een kostenpost te beschouwen, zoals door de vrouw is gesteld, is de rechtbank van oordeel dat gesteld noch gebleken is dat binnen enkele jaren wederom een renovatie van soortgelijke omvang als in 2000 zal moeten plaatsvinden. De enkele stelling dat mogelijk de LPG-installatie moet worden verwijderd of gewijzigd is daartoe onvoldoende. Dit is niet meer dan een toekomstverwachting en door de man zijn ook geen concrete stukken overgelegd waaruit zulks blijkt.

Zelfs indien binnen afzienbare tijd aanmerkelijke kosten moeten worden gemaakt, merkt de rechtbank op dat bij een langere afschrijvingstermijn nog steeds substantiële bedragen per jaar worden afgeschreven, zodat een herinvestering kan plaatsvinden. Tenslotte overweegt de rechtbank dat het aannemelijk is dat over een termijn van 15 jaar veranderingen aan het tankstation zullen plaatsvinden. Echter naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat dit niet kan worden opgevangen met de jaarlijkse afschrijvingen bij een afschrijvingstermijn van 15 jaar. Bovendien worden ook jaarlijks onderhoudskosten ten laste van de winst gebracht.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de winst dient te worden genormaliseerd met € 17.000,--. De rechtbank merkt daarbij op dat de hoogte van de correctie door partijen niet is betwist.

Accountantskosten

Door de deskundige is een correctie becijferd op de accountantskosten over de jaren 2003, 2004 en het eerste halfjaar 2005. Noch door de man, noch door de vrouw zijn bezwaren tegen deze correctie naar voren gebracht. De rechtbank is van oordeel dat de door de deskundige berekende correcties redelijk zijn te achten. Voldoende aannemelijk is dat de in mindering gebrachte kosten samenhangen met extra werkzaamheden in verband met de echtscheidingsprocedure en in de toekomst niet meer zullen voorkomen.

Rekening courantschuld

Door de man is binnen de onderneming een rekening courantschuld opgebouwd van € 132.640,-- per 30 juni 2005. Andere gegevens zijn door partijen niet overgelegd. Met de deskundige is de rechtbank van oordeel dat deze rekening courantschuld op eenvoudige wijze kan worden afgelost middels een dividend uitkering. Rekening houdend met dividendbelasting zou dit een uitkering van € 176.853,-- ten laste van de reserve met zich meebrengen. De rechtbank merkt daarbij op dat de reserve na dividenduitkering nog € 53.754,-- zal bedragen. De rechtbank zal derhalve hierna, zoals ook de man, er van uit gaan dat de rekening courantschuld geheel zal worden afgelost.

Pensioenlasten directie

Niet in geschil is dat voor de man pensioen wordt opgebouwd in eigen beheer. Uit de overgelegde jaarstukken blijkt dat over de jaren 2004 en 2005 geen pensioenreservering heeft plaatsgehad. De deskundige heeft een bedrag van € 12.000,-- op jaarbasis becijfert noodzakelijk voor een redelijke pensioenopbouw van de man. De man is het eens met dat bedrag. De vrouw is van mening dat het voldoen aan de onderhoudsplicht zwaarder weegt dat het opbouwen van pensioen.

De rechtbank overweegt als volgt. In het algemeen wordt het redelijk geacht dat gedurende de jaren dat arbeid wordt verricht pensioen wordt opgebouwd. Slechts indien de pensioenlasten zodanig hoog zijn dat zij niet meer in verhouding staan tot het inkomen dat iemand verdient, dient een correctie plaats te vinden. Weliswaar is de afgelopen jaren niets meer toegevoegd aan de pensioenreservering, doch dit neemt niet weg dat de man zich een redelijk pensioen mag opbouwen. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat onbetwist is gesteld dat het opgebouwde pensioen zal moeten worden verevend. De man heeft een overzicht van de accountant in het geding gebracht van wat de pensioenopbouw per jaar zou moeten zijn tot 31 december 2005 en vanaf 1 januari 2006. Dit overzicht is door de vrouw niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat met deze pensioenreservering eerst rekening kan worden gehouden per 1 januari 2006, nu gesteld noch gebleken is dat de man over 2005 reeds een reservering heeft gedaan.

Rentelast pensioen/stamrecht [naam persoon ].

Vast staat dat ten behoeve van [naam persoon ] een pensioenvoorziening in eigen beheer is opgebouwd. Deze voorziening bedraagt per 30 juni 2005 € 169.222,--. Jaarlijks wordt een bedrag van € 16.675,-- uitgekeerd aan [naam persoon ]. Voorts bestaat een lijfrenteverplichting voor [naam persoon ]., groot € 187.884,-- per 30 juni 2005.

Naar de mening van de deskundige is het redelijk dat rekening wordt gehouden met een jaarlijkse rentelast van € 7.000,--. De vrouw is van mening dat (de hoogte van) deze last niet is onderbouwd.

De rechtbank overweegt als volgt. Door de man is gesteld dat [naam persoon ]. heeft aangedrongen op afstorting van de opgebouwde pensioengelden en het lijfrentekapitaal. Door de man zijn echter geen stukken in het geding gebracht waaruit zulks blijkt. Indien echter de gelden zouden worden ondergebracht bij een verzekeringsmaatschappij, acht de rechtbank het aannemelijk, dat de man hiervoor een lening zal moeten afsluiten. Het totale bedrag bestemd voor [naam persoon ]. bedraagt

€ 348.669,-- per 30 juni 2005. Gelet op voornoemde dividenduitkering ter aflossing van de rekening courant schuld en de resterende reserve zal een aanvullende lening noodzakelijk zijn van € 176.853,--. Een aan de financieringsmaatschappij te betalen rente van € 7.000,-- zou overeenkomen met een rente van 4% over € 176.853,-- en kan daarmee redelijk worden geacht.

Nu naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken is, dat de man verplicht wordt om het pensioen en de lijfrente af te storten, zal de rechtbank met afstorting geen rekening houden. Omdat deze gelden binnen de onderneming blijven in plaats van afgestort te worden, acht de rechtbank het redelijk om met een rentelast van € 7.000,-- per jaar rekening te houden.

Omzetmarge

Tenslotte dient de rechtbank een oordeel te geven over de door de man te realiseren omzetmarge. De rechtbank stelt voorop dat voldoende aannemelijk is geworden dat de brandstofprijzen in de omgeving van het tankstation van de man onder druk staan. De man is weliswaar vrij zijn eigen verkoopprijs te bepalen, doch wil hij het zelfde aantal liters of meer liters omzetten, dan zal hij zich daarbij moeten richten op de verkoopprijs zoals die door andere tankstations in zijn omgeving wordt gehanteerd. Onbetwist is dat de man geen merkbrandstof verkoopt, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank zijn concurrentiepositie ten opzichte van de merkstations in de omgeving extra onder druk zet. Uit de overgelegde jaarstukken blijkt dat de omzet van brandstoffen stijgt. Indien rekening wordt gehouden met de tijdelijke onbereikbaarheid van het tankstation in 2003 is sprake van een stijging van het aantal verkochte liters per jaar vanaf 2002. De kostprijs van de omzet is echter niet gerelateerd aan de in de omgeving gehanteerde verkoopprijs, hetgeen een lagere marge tot gevolg heeft.

In dit verband zijn door de vrouw een aantal opmerkingen gemaakt. De vrouw merkt op dat voorheen kortingen werden gegeven op de pompprijs en thans op de landelijke adviesprijs. Voorts stelt de vrouw vraagtekens bij een hogere omzet en een lagere marge.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

De marge wordt bepaald door de inkoopprijs van de brandstof en de verkoopprijs van de brandstof. Dat de man de korting op de brandstof relateert aan de landelijke adviesprijs is naar het oordeel van de rechtbank begrijpelijk. Op die manier wordt voor de consument duidelijk bij welk tankstation het voordeligst kan worden getankt, hetgeen de omzet zal beïnvloeden. Consumenten hebben over het algemeen een goed inzicht in de landelijke adviesprijs, maar niet in de individuele pompprijs.

Uit de omzetcijfers blijkt dat de man succes heeft in zijn aanpak, doordat hij meer liters is gaan verkopen. Daar staat echter tegenover dat de inkoopprijs van brandstof hoger is geworden, hetgeen een feit van algemene bekendheid is. Door de man is voldoende aannemelijk gemaakt dat daarmee de marge op brandstof niet evenredig stijgt. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank ook aannemelijk dat de man zoekt naar andere leveranciers, teneinde zo goedkoop mogelijk in te kopen. De stelling van de vrouw dat de man de brandstof goedkoper inkoopt dan uit de boekhouding blijkt, is door haar niet onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.

Voorts zijn door de vrouw vraagtekens gesteld bij de omzet van de shop. Uit de jaarstukken blijkt dat de omzet van de shop ten opzichte van 2002 weliswaar daalt, doch nadien nagenoeg gelijk blijft. De man geeft als verklaring voor de daling, dat de omzet van de shop in grote mate wordt bepaald door de verkoop van rookwaren. Door de verhoging van de accijnzen op rookwaren daalt de marge. Voorts is de opbrengst van de wasserette gedaald, door concurrentie van andere wasserettes en het wegblijven van cliënten wegens de onbereikbaarheid van het tankstation in 2003. Door de vrouw is deze verklaring van de man niet danwel onvoldoende gemotiveerd weerlegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de verklaring van de man te twijfelen.

Tenslotte merkt de rechtbank op dat met een verdere omzetdaling door het wegvallen van de LPG-installatie - zoals door de man gesteld - thans geen rekening wordt gehouden, omdat daaromtrent alleen maar toekomstverwachting zijn geuit en geen onderbouwende stukken zijn overgelegd.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gerealiseerde omzetten geen correctie behoeven van een hogere winst.

Samenvattend komt de rechtbank tot het navolgende resultaat uit onderneming over de jaren 2002, 2003, 2004 en 2005:

2002

Resultaat voor correctie € 11.455,--

Correctie pensioendonatie € 45.644,--

Correctie afschrijvingen € 17.000,--

Resultaat na correctie € 74.099,--

2003

Resultaat voor correctie: - € 43.336,--

Correctie winstderving € 22.000,--

Correctie afschrijving € 17.000,--

Correctie autokosten € 20.996,--

Correctie accountantskosten € 4.484,--

Resultaat na correctie € 21.144,--

2004

Resultaat voor correctie: - € 31.586,--

Correctie ontslagvergoeding € 19.605,--

Correctie afschrijvingen € 17.000,--

Correctie boekverlies auto € 5.237,--

Correctie accountantskosten € 3.635,--

Correctie pensioenlast directie - € 6.909,--

Resultaat na correctie € 6.982,--

2005

Resultaat voor correctie: - € 6.750,--

Correctie afschrijvingen € 8.500,--

Correctie accountantskosten -€ 290,--

Correctie rentelast [naam persoon ] -€ 3.500,--

Resultaat na correctie - € 2.040,-- 1e halfjaar 2005.

Bij gelijkblijvende trend zal het verlies over 2005 € 4.080,-- bedragen.

Op grond van het voorgaande becijfert de rechtbank een gemiddeld gecorrigeerd resultaat van € 23.868,--. Daarbij heeft de rechtbank het gemiddelde van vier jaren genomen, omdat de cijfers 2005 betrekking hebben over een half jaar en geen inzage is verschaft in de cijfers over geheel 2005 noch over het eerste half jaar 2006.

De rechtbank komt thans toe aan de beoordeling van het inkomen van de man dat hij zich als directeur groot aandeelhouder in redelijkheid kan verwerven. De rechtbank neemt bij die beoordeling in aanmerking dat de rekening courant geheel wordt afgelost en dat het gemiddelde gecorrigeerde resultaat van de onderneming gemiddeld € 23.868,-- per jaar bedroeg over de afgelopen jaren. Nu over de afgelopen jaren een gecorrigeerde winst kan worden aangenomen, is de rechtbank van oordeel dat de noodzaak van de verlaging van het inkomen van de man naar € 78.000,-- per jaar niet is komen vast te staan.

De rechtbank zal echter tevens moeten beoordelen of handhaving van het oude inkomen van de man gevolgen heeft voor de onderneming, zoals door de man gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft handhaving van het oude salaris van de man geen gevolgen voor de continuïteit van de onderneming. Indien verder geen wijzigingen in de bedrijfsvoering plaats hebben zal de onderneming in staat zijn om alle schulden op korte termijn te kunnen voldoen. Ook na aflossing van de rekening courant blijft de onderneming in staat aan de schulden op korte termijn te voldoen. Dit wordt slechts anders indien het pensioen- en lijfrentekapitaal van de [naam persoon ]. wordt afgestort bij een verzekeringsmaatschappij. De rechtbank herhaalt hier dat van een noodzaak daartoe niet is gebleken. Overigens kan, zelfs indien er een afstorting zou plaatsvinden, naar het oordeel van de rechtbank dit (gedeeltelijk) worden gefinancierd. Gesteld noch gebleken is dat financiering niet zou kunnen plaatsvinden middels een lening. De invloed daarvan op de liquiditeit van de onderneming is daarmee beperkt. Door de man wordt weliswaar opgemerkt dat de solvabiliteit van de onderneming dit niet toelaat, doch de man gaat er aan voorbij dat stille reserves van invloed zijn op de solvabiliteit van de onderneming. Deze zijn naar het oordeel van de rechtbank aanwezig doordat op de gebouwen substantieel wordt afgeschreven en de gebouwen op de balans gewaardeerd zijn op basis van de aanschafwaarde en niet tegen actuele waarde.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het inkomen van de man van € 92.571,--, zoals de man dat voor de verlaging had, uitgangspunt moet zijn voor de draagkracht van de man.

Normbedrag

Uit de jaaropgave 2005 van de nieuwe partner van de man blijkt dat deze niet in eigen levensonderhoud kan voorzien met haar inkomen. De man houdt rekening met het Wwb-normbedrag voor een alleenstaande, exclusief de woonkostencomponent, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten voor levensonderhoud, doch neemt gelet op het inkomen van zijn partner de volledige woonlasten in aanmerking.

Door de vrouw is dit niet betwist, zodat de rechtbank daarvan tevens zal uitgaan.

Maandelijkse lasten

*Woonlasten

De man betaalt de hypotheekrente van de echtelijke woning van € 3.167,-- per maand. Voorts betaalt de man een aflossing/premie levensverzekering van € 123,-- per maand en de eigenaarslasten voor zowel de woning aan [adres echtelijke woning ], als de woning aan [adres], totaal derhalve € 190,--.

De rechtbank zal met deze lasten rekening houden, nu nog onduidelijk is op welke termijn de woning aan [adres echtelijke woning ] zal zijn verkocht en wat partijen in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden ieder zullen ontvangen. Voorts is nog volstrekt onzeker welke woonlasten de man in de toekomst zal gaan krijgen.

Ziektekosten

De door de man gestelde ziektekosten van € 107,83 per maand en blijkend uit de polis, zijn niet betwist. De rechtbank houdt tevens rekening met de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van € 162,58 per maand en de brutovergoeding ter hoogte van een gelijk bedrag.

Premie arbeidsongeschiktheidsverzekering

De door de man betaalde premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 495,-- per maand is niet in geschil.

Kosten omgangsregeling

De kosten omgangsregeling van € 80,-- zijn niet betwist, zodat daarmee rekening wordt gehouden.

Fiscale aspecten

De rechtbank houdt rekening met de navolgende fiscale aspecten:

-de algemene heffingskorting;

-de arbeidskorting;

-de fiscale aftrek van betaalde hypotheekrente;

-de fiscale aftrek van de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering;

-het fiscaal voordeel wegens het betalen van een onderhoudsbijdrage.

Gelet op het voorgaande is de man in staat om een onderhoudsbijdrage voor de kinderen te betalen van € 463,-- per maand per kind, waarmee de grens van zijn draagkracht is bereikt.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Ten aanzien van het verzoek van de man tot vaststelling van de verrekening van het gemeenschappelijk vermogen van partijen conform artikel 13 van de huwelijkse voorwaarden, hebben partijen ter zitting de verwachting uitgesproken in onderling overleg tot overeenstemming te komen.

De man heeft zijn verzoekt echter niet ingetrokken. De rechtbank zal partijen de gelegenheid geven in onderling overleg tot overeenstemming te komen en de zaak voor wat betreft de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden pro forma aanhouden tot na te melden datum, in afwachting van bericht van partijen omtrent de verdere voortgang van de procedure.

Proceskosten

De tot op heden gevallen proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden.

De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw zal betalen € 463,00 (vierhonderd en drieënzestig euro) per kind per maand, zulks met ingang van 04 juli 2006 en te vermeerderen met het bedrag van iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten en/of regelingen ten behoeve van de minderjarigen kan of zal worden verstrekt, met bepaling dat eventuele kosten van tenuitvoerlegging van deze beslissing voor rekening van de man komen voorzover deze door hem veroorzaakt worden;

houdt de behandeling van de zaak wat betreft de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden pro forma aan tot 31 oktober 2006 en verzoekt beide procureurs de rechtbank uiterlijk 24 oktober 2006 schriftelijk te berichten omtrent de voortgang van de procedure;

wijst het meer of anders verzochte af;

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.W.J. de Ruiter-Phaff, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 04 juli 2006 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een procureur (advocaat)- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch

a. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen wederpartij, binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak

b. door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend dan wel overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.