Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AY6503

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-03-2006
Datum publicatie
18-08-2006
Zaaknummer
112307 / FA RK 04-2428
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verrekening en vaststelling van de vergoedingsvordering op grond van de huwelijkse voorwaarden. Verklaring voor recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Afdeling familie- en jeugdrecht

Zaaknummer: 112307 / FA RK 04-2428

Uitspraak: 31 maart 2006

Beschikking in de zaak van

[Verzoeker]

wonende te [woonplaats],

(voorheen procureur mr. L.C.M. Vedder),

thans geen procureur bekend,

tegen:

[Verweerster]

wonende te [woonplaats ],

procureur mr. C.E.A. Heezemans,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de man en de vrouw.

Deze beschikking is een vervolg op de beschikking van deze rechtbank van 25 maart 2005, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelezen moet worden beschouwd.

De verdere procedure

Bij beschikking van deze rechtbank van 25 maart 2005 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en zijn nevenvoorzieningen vastgesteld. De beslissing met betrekking tot de verrekening conform de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden is aangehouden

en partijen is verzocht om nadere stukken in het geding te brengen, waaronder nadere voorstellen tot verrekening.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken zoals genoemd in de beschikking van 25 maart 2005, alsmede van de navolgende nadien ontvangen stukken:

* een brief van mr. L.C.M. Vedder van 8 juni 2005 waarin zij laat weten zich in deze zaak te onttrekken als procureur van de man;

* een brief met bijlagen van mr. Heezemans, gedateerd 11 november 2005;

* een brief met bijlagen van mr. Heezemans, gedateerd 14 november 2005.

Bij brieven van 11 en 14 november 2005 heeft de vrouw haar verzoeken aangevuld en gewijzigd. De man is door de rechtbank bij brief van 15 november 2005 in de gelegenheid gesteld om tot uiterlijk 09 december 2005 (door tussenkomst van een procureur) te reageren op de stukken die zijdens de vrouw zijn ingediend. De man heeft niet gereageerd.

De verdere beoordeling

1.1. Na wijziging van de zelfstandige verzoeken door de vrouw staan tussen partijen nog ter beoordeling de verzoeken van de vrouw tot verklaring voor recht wie van partijen eigenaar respectievelijk rechthebbende is op de hieronder genoemde activa, de vaststelling van de verrekening op grond van artikel 9 van de tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden, tot vaststelling van de vergoedingsvorderingen op grond van artikel 3 van de tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden en de verklaringen voor recht over de wijze van aflossing van het hierna te omschrijven flexkrediet met daarmee samenhangende vergoedingsrechten, alsmede de verzoeken van de man tot vaststelling van de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen van partijen en de vergoedingsrechten op grond van de huwelijkse voorwaarden.

A. Verrekening

1.2. Ingevolge artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden bestaat tussen partijen geen enkele gemeenschap van goederen. Artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden bepaalt, kort samengevat, dat de echtgenoten verplicht zijn aan elkaar te vergoeden hetgeen de ene echtgenoot aan het vermogen van de andere echtgenoot onttrekt. Artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden bepaalt, kort samengevat en voorzover relevant, dat de echtgenoten na elk kalenderjaar al hetgeen van hun netto-inkomsten uit arbeid dat niet is besteed ter dekking van de kosten van de huishouding of op andere wijze gelijkelijk aan beiden ten goede is gekomen, ter verrekening bijeenvoegen. Tussen partijen staat vast dat zij niet jaarlijks tot verrekening zijn overgegaan.

1.3. Partijen verschillen van mening over de peildatum waarop de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen wordt bepaald. Bij huwelijkse voorwaarden, artikel 12 onder a, hebben partijen vastgelegd dat geen verrekening plaats zal hebben over de tijd dat zij, anders dan in onderling overleg, niet samenwonen. Door de vrouw is onweersproken gesteld dat de man de echtelijke woning metterwoon heeft verlaten op 24 augustus 2003 om daarheen niet terug te keren. De rechtbank is derhalve van oordeel dat als peildatum 24 augustus 2003 dient te gelden.

2 Appartement in [land] en hypothecaire geldlening

2.1. De man stelt dat het appartement is aangekocht voor € 50.143,--, te vermeerderen met de notariskosten van € 968,--. Voor de financiering is volgens de man gedeeltelijk gebruik gemaakt van een flexkrediet - groot € 22.689,-- - en het afsluiten van een hypothecaire lening - groot € 44.244,-- - bij de [naam bank ] te [land]. De helft van het saldo van de waarde van het appartement op de datum van verkoop minus de integrale aflossing van het flexkrediet en de hypothecaire lening komt volgens de man aan hem toe. Aan het flexkrediet is een polis levensverzekering gekoppeld, welke volgens de man moet worden afgekocht waarna de waarde tussen partijen bij helfte moet worden verdeeld.

De vrouw voert hiertegen verweer. Zij betwist primair dat het appartement in [land] in de verrekening moet worden betrokken, omdat dit appartement diende als vakantiewoning en niet als beleggingobject. Om die reden dienen volgens de vrouw alle kosten samenhangende met de verkrijging, behoud, onderhoud en andere kosten te worden bestempeld als huishoudelijke kosten, welke niet voor verrekening in aanmerking komen.

Subsidiair stelt de vrouw dat het appartement is aangekocht voor € 54.661,-- en dat de notariskosten respectievelijk € 568,-- en € 986,-- bedroegen. Volgens de vrouw is de aankoop gefinancierd met een hypothecaire geldlening van € 45.076,-- en met een bedrag van afgerond € 9.600,--. Dit laatste bedrag is volgens de vrouw door haar ontvangen uit een erfenis en dient om die reden volledig aan haar ten goede te komen. Alleen de aflossingen op de hypothecaire lening zijn naar de mening van de vrouw uit overgespaard inkomen uit arbeid voldaan, zodat het appartement voor niet meer dan naar rato van die aflossingen tot het te verrekenen vermogen behoort.

2.2. De rechtbank overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw eigenaar is van het appartement. De vrouw stelt de waarde van het appartement op de peildatum op € 120.000,--. Ook door de man is deze waarde gesteld. De rechtbank zal derhalve de waarde van € 120.000,-- tot uitgangspunt nemen.

De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat het appartement wordt gebruikt als een vakantiewoning niet met zich meebrengt dat alle kosten die partijen ten behoeve van dat appartement voldeden zijn aan te merken als huishoudelijke kosten en om die reden het appartement buiten de verrekening dient te blijven. Van belang is immers of het appartement, geheel of gedeeltelijk, is verworven uit overgespaarde inkomsten en/of - indien het appartement geheel of gedeeltelijk is gefinancierd met vreemd vermogen - uit de onverteerde inkomsten aflossingen zijn gedaan op dat vreemde vermogen. Het appartement dient derhalve in de verrekening te worden betrokken op de hierna vermelde wijze. De rechtbank is daarbij voorts van oordeel dat de strekking van artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden van partijen niet anders is dan dat alleen het netto-inkomen uit arbeid dat niet is besteed aan de huishoudelijk kosten voor verrekening in aanmerking komt.

Voor het hierna volgende merkt de rechtbank tevens op, dat op grond van de jurisprudentie en de heersende leer de rentelasten van vreemd vermogen aangemerkt worden als huishoudelijke kosten en in het kader van de verrekening buiten beschouwing worden gelaten.

2.3. Door de vrouw zijn het door de man genoemde aankoopbedrag en de wijze van financiering gemotiveerd betwist. Uit de door de vrouw overgelegde en niet betwiste stukken blijkt een aankoopbedrag van € 54.661,--, te vermeerderen met de kosten van de notaris van respectievelijk € 568,-- en € 986,--. De totale aankoopkosten bedragen derhalve € 56.215,--.

De vrouw stelt dat een drietal deelbetalingen van totaal afgerond € 9.600,-- zijn aangewend voor de aankoop, welk bedrag afkomstig is van haar erfdeel van haar moeder en welk bedrag om die reden buiten de verrekening dient te blijven. De vrouw toont weliswaar aan dat deelbetalingen hebben plaatsgevonden ten bedrage van € 9.600,--, doch op geen enkele wijze wordt door de vrouw aangetoond dat het bedrag afkomstig is uit een aan haar toekomend erfdeel. Nu het tegendeel niet blijkt moet worden vermoed dat het bedrag van € 9.600,-- afkomstig is uit overgespaard inkomen uit arbeid en ziet de rechtbank geen aanleiding dit bedrag buiten de verrekening te houden.

Door de vrouw is onweersproken gesteld en voldoende aangetoond dat zij de hypothecaire lening, afgesloten bij de [naam bank 2 ] te [land], op eigen naam en voor eigen rekening heeft afgesloten, zodat zij alleen gehouden zal zijn om voor aflossing en rentebetaling zorg te dragen. Uit het door de vrouw overgelegde en niet betwiste hypotheekoverzicht blijkt een hoofdsom van € 45.075,91 en een openstaand saldo per 1 september 2003 van € 43.688,70, zodat een bedrag van afgerond € 1.388,-- is afgelost op de hypothecaire lening, welk bedrag is aan te merken als overgespaard inkomen uit arbeid. In totaal is derhalve een bedrag van

€ 10.988,-- (€ 9.600,- en € 1.388,--) uit overgespaard inkomen uit arbeid van de vrouw besteed voor het appartement.

Uitgaande van de waarde van € 120.000,-- en nu de vrouw eigenaar is van het appartement, dient het bedrag van € 10.988,-- naar rato door de vrouw aan de man te worden vergoed. De waarde van € 120.000,-- vermenigvuldigd met het resultaat van de deling bestedingen uit overgespaard inkomen (€ 10.988,--) gedeeld door het totale aankoopbedrag (€ 56.215) is daartoe bepalend. De rechtbank becijfert dat bedrag op afgerond € 23.456,--. De helft van dit bedrag - € 11.728-- - dient door de vrouw te worden vergoed aan de man.

3. Flexkrediet Nationale Nederlanden met daaraan gekoppelde levensverzekering

3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat door de man een flexkrediet is afgesloten bij Nationale Nederlanden onder nummer [nummer A ], groot € 22.689,-- (ƒ 50.000,--), dat aan dit flexkrediet een polis levensverzekering is gekoppeld ondergebracht bij Nationale Nederlanden met nummer [nummer B ] en dat het bedrag van € 22.689,-- is gestort op ING-bankrekening [nummer C ].

Partijen verschillen van mening over de vraag of het flexkrediet is gestort op een gemeenschappelijk bankrekening van partijen, over de vraag waarvoor het krediet is besteed en over de vraag of op grond van het krediet en de daaraan gekoppelde levensverzekering enigerlei verrekening moet plaatsvinden.

3.2. De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens de man is het flexkrediet door hem op eigen naam en voor eigen rekening afgesloten. De vrouw heeft zulks in aanvang erkend, doch in haar nadere verweerschrift wordt door de vrouw gesteld dat dit flexkrediet door beide partijen is aangegaan.

Uit de aan de rechtbank overgelegde stukken blijkt zulks echter niet. Uit met name het rekeningoverzicht van Nationale Nederlanden en de bankafschriften betreffende

ING-bankrekening [nummer C ] blijkt dat de man alleen rechthebbende is op het flexkrediet. Door de vrouw is erkend dat het volledige bedrag van ƒ 50.000,-- (€ 22.689,--) is gestort op haar ING- bankrekening met nummer [nummer D ]. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man alleen recht heeft op het in het kader van het flexkrediet ontvangen geldsom. Nu de vrouw erkent dat zij een bedrag van € 22.689,-- uit het privé-vermogen van de man heeft ontvangen bestaat op die grond voor de vrouw een vergoedingsplicht voor dat bedrag aan de man, hetgeen de rechtbank dienovereenkomstig zal bepalen.

Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van deze vergoeding een correctie dient plaats te vinden. Door de vrouw is onbetwist gesteld dat de hierna nog te noemen polissen levensverzekeringen ING [nummer E ] en ING [nummer F ] koopsompolissen zijn welke zijn aangekocht voor een totaal bedrag van € 11.000,-- en welke zijn voldaan uit voornoemd flexkrediet, alsmede dat deze polissen toebehoren aan de man. Zoals hierna nog zal worden overwogen zal ten aanzien van deze polissen geen verdere verrekening plaatsvinden. Nu de man eigenaar is van deze polissen welke zijn voldaan uit het flexkrediet is een bedrag van

€ 11.000,-- door zaaksvervanging reeds in zijn vermogen gevloeid. Voor de vrouw resteert derhalve een vergoedingsplicht van € 11.689,--.

3.4. Tussen partijen is niet in geschil dat op dit krediet geen aflossingen hebben plaatsgehad, doch alleen rentebetalingen. De rentebetalingen dienen te worden aangemerkt als huishoudelijke kosten. Ter zake hoeft geen verdere verrekening plaats te vinden.

3.5. De rechtbank zal in dit kader tevens ingaan op de door de vrouw gevorderde verklaring voor recht omtrent de wijze waarop het flexkrediet moet worden afgewikkeld. Voorzover de vrouw van mening is dat zij gehouden is het bedrag van

€ 22.689,-- aan Nationale Nederlanden te voldoen kan de rechtbank de vrouw hierin niet volgen, reeds op de enkele grond zoals hierboven is overwogen dat de man alleen schuldenaar is met betrekking tot dit flexkrediet. Slechts de man is gehouden het flexkrediet terug te betalen. Indien de vrouw zonder daartoe gehouden te zijn betalingen verricht aan de schuldeiser ontstaat weliswaar een terugbetalingsverplichting van de man, doch deze verplichting vindt niet zijn grond in de huwelijkse voorwaarden van partijen. Het verzochte wordt daarom afgewezen.

3.6. Aan het flexkrediet is een polis levensverzekering gekoppeld, ondergebracht bij Nationale Nederlanden met nummer [nummer B ]. Uit de stukken blijkt dat de vrouw verzekeringnemer van deze polis is, zodat zij rechthebbende is op de polis. Door de vrouw is onbetwist gesteld dat de man de premies heeft betaald, terwijl op grond van artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden van partijen de premies door haar hadden moeten worden betaald als verzekeringnemer en rechthebbende van deze verzekering.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw de door de man betaalde premies dient te vergoeden. De vrouw becijfert de door de man betaalde premies op € 7.417,--, welk bedrag door de man niet is betwist. De rechtbank kan de vrouw niet volgen in haar standpunt dat de man slechts de helft van dit bedrag toekomt, nu zij zelf stelt dat de man ten onrechte deze premies heeft betaald en de rechten uit de polis geheel aan haar toekomen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de vrouw het volledige bedrag van € 7.417,-- aan de man dient te vergoeden.

3.7. Op overige betalingen uit en ten behoeve van het flexkrediet zal voorzover noodzakelijk hierna afzonderlijk worden ingegaan.

4. Inboedelzaken appartement [land] en de inboedel van de echtelijke woning

4.1. Door de man is niet betwist vrouw de stelling van de vrouw dat de inboedel van het appartement in [land] door haar in eigendom is geleverd. De vrouw is derhalve naar het oordeel van de rechtbank eigenaresse op die inboedel.

Door de vrouw is onbetwist gesteld dat zij voor de financiering van die inboedel gebruik heeft gemaakt van gelden uit het voornoemde flexkrediet. Het voorgaande brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat de inboedel van het appartement in [land] niet is gekocht uit overgespaard inkomen uit arbeid en dat de waarde van de inboedel niet voor verrekening in aanmerking komt.

5. Bankrekeningen

5.1. Partijen geven aan dat de man rechthebbende is van de ING-bankrekening [nummer C ]. Door de vrouw is onbetwist gesteld dat op die rekening het salaris van de man werd gestort en van die rekening de lopende uitgaven werden betaald. Naar het oordeel van de rechtbank komt derhalve het saldo op de peildatum voor verrekening in aanmerking. Uit het overgelegde bankafschrift blijkt dat dit saldo € 4.463,29 bedroeg. De man dient de helft van dit bedrag aan de vrouw te vergoeden, zijnde € 2.231,64.

5.2. Beide partijen zijn van mening dat de vrouw rechthebbende is op de Fortis-bankrekening [nummer G ]. Als onweersproken staat vast dat op die rekening haar salaris is gestort. Voorts is door de vrouw onbetwist gesteld dat het saldo op de peildatum € 6.563,-- bedroeg. Hoewel dit bedrag naar de mening van de vrouw voor verrekening in aanmerking komt, wil de vrouw dat het grootste gedeelte van het saldo geheel aan haar wordt toebedeeld omdat zij na de peildatum kosten voor opvoeding en verzorging van de kinderen heeft betaald.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank begrijpt dat de vrouw zich op compensatie beroept. Nu dit niet is bestreden zal de rechtbank dit toestaan tot een bedrag van € 3.135,62, zodat € 146,07 door haar te verrekenen overblijft.

5.3. Door de vrouw is onbetwist gesteld dat zij rechthebbende is op de ING-bankrekening ING [nummer D ] en dat saldo op die rekening het restant bedrag betreft van het voornoemde flexkrediet. Nu de vrouw het volledige bedrag van het flexkrediet uit andere hoofde reeds integraal aan de man dient te vergoeden is de rechtbank van oordeel dat deze rekening niet voor verdere verrekening in aanmerking komt.

5.4. Door de vrouw is onbetwist gesteld dat zij rechthebbende is op het saldo van de bankrekening [naam bank ] [nummer H ] en dat het saldo van deze rekening per peildatum, € 4.976,--, voor verrekening in aanmerking komt. Het saldo blijkt voorts uit het overgelegde bankafschrift. De vrouw dient derhalve een bedrag van € 2.488,--, zijnde de helft van het saldo aan de man te vergoeden.

6. Spaar(loon)rekeningen

6.1. Door de vrouw is onbetwist gesteld dat de man rechthebbende is op de navolgende spaar(loon)rekeningen en dat deze voor verrekening in aanmerking komen:

-spaarloonrekening [nummer I ], waarde € 1.670,--;

-spaarloonrekening [nummer J ], waarde € 408,--;

-premiespaarrekening [nummer K ], waarde € 221,--.

De totaal te verrekenen waarde bedraagt derhalve € 2.299,--. De man dient derhalve een bedrag van € 1.149,50 te vergoeden aan de vrouw.

De door de vrouw opgevoerde spaarloonrekening [nummer K ] wordt, nu deze hetzelfde nummer heeft als de hiervoor genoemde premiespaarrekening en de overgelegde bescheiden alle op één premiespaarrekening zien, als kennelijke vergissing beschouwd. Het dienaangaande verzochte wordt daarom afgewezen.

7. Polissen levensverzekering

7.1. Door de vrouw is onbetwist gesteld dat er vier polissen levensverzekering Nationale Nederlanden 1870 bestaan waarvan de man verzekeringnemer is met de bevoegdheid om de begunstigde te wijzigen en waarop door de man in totaal tot aan de peildatum € 3.490,-- premie is betaald. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de man de rechthebbende is op deze polissen, alsmede dat de man de helft van voornoemd bedrag - € 1.745,-- - dient te vergoeden als zijnde premies betaalt uit overgespaarde inkomsten uit arbeid.

7.2. De polissen levensverzekeringen ING [nummer E ] en ING [nummer F ] staan op naam van de man en behoren tot diens vermogen, zodat naar het oordeel van de rechtbank de man rechthebbende is op deze polissen. Gesteld noch gebleken is dat nadien door de man op deze polissen premies zijn betaald welke zijn voldaan uit overgespaard inkomen uit arbeid, zodat deze polissen verder niet voor verrekening in aanmerking komen.

8. Visa

8.1. De schuld van de man aan Visa staat op naam van de man en komt enkel en alleen voor rekening van de man, zodat de man deze schuld toekomt en deze schuld niet verder voor verrekening in aanmerking komt.

B. Verdeling

9.1 De vrouw heeft onbetwist gesteld dat de inboedel in de echtelijke woning gemeenschappelijke eigendom van partijen is. In de verdelingsstaat is opgemerkt dat deze inboedel feitelijk reeds is verdeeld, hetgeen niet is weersproken. Tenslotte wordt als onbetwist vastgesteld dat de waarde van deze inboedel nihil is. Gelet op het voorgaande worden de inboedelzaken toegedeeld aan degene die de zaken onder zich heeft, zonder dat dit aanleiding geeft tot enige over- of onderbedelingsuitkering.

10. Proceskosten

De proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden.

Op grond van het voorgaande wordt door de rechtbank als volgt beslist.

De beslissing

De rechtbank:

stelt de verdeling van de inboedelgoederen van de voormalige echtelijke woning vast zoals hiervoor onder 9 omschreven;

verklaart voor recht dat de vrouw eigenaresse respectievelijk rechthebbende is van de navolgende activa:

-het appartement in [land];

-de polis levensverzekering Nationale Nederlanden onder nummer [nummer B ];

-de inboedelgoederen van het appartement in [land];

-de bankrekening Fortis [nummer G ];

-de bankrekening ING [nummer D ];

-de bankrekening [naam bank ] [nummer H ];

verklaart voor recht dat de man eigenaar respectievelijk rechthebbende is van de navolgende activa:

-de bankrekening ING [nummer C ];

-spaarloonrekening [nummer I ];

-spaarloonrekening [nummer J ];

-premiespaarrekening [nummer K ];

-een viertal polissen levensverzekering Nationale Nederlanden 1870;

-twee polissen levensverzekering ING [nummer E ] en ING [nummer F ];

stelt de verrekening en de vergoedingen op grond van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden als volgt vast:

de vrouw dient aan de man te vergoeden:

- een bedrag van € 11.728,-- ter verrekening van overgespaard inkomen besteed aan het appartement van de vrouw in [land]:

- een bedrag van € 11.689,-- ter vergoeding van het flexkrediet op naam van de man;

- een bedrag van € 7.417,-- ter vergoeding van door de man betaalde premies levensverzekering op polis [nummer B ] van Nationale Nederlanden;

- een bedrag van € 146,07 ter verrekening van het saldo van bankrekening Fortis [nummer G ]

- een bedrag van € 2.488,-- ter verrekening van het saldo van bankrekening [naam bank ] [nummer H ];

de man dient aan de vrouw te vergoeden:

- een bedrag van € 2.231,64 ter verrekening van het saldo van bankrekening ING [nummer C ];

- een bedrag van € 1.149,50 ter verrekening van de saldi van de spaarloonrekeningen en de premiespaarrekening van de man;

- een bedrag van € 1.745,-- ter verrekening van waarde van de polissen Nationale Nederlanden 1870;

wijst het meer of anders verzochte af;

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. O.G.H. Milar, vice-president,

en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2006 door mr. A.H.N. Kruijer, vice-president, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een procureur (advocaat)- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch

a. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen wederpartij, binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak

b. door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend dan wel overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.