Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2006:AY4317

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
20-07-2006
Zaaknummer
132196 - HA ZA 05-2125
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade na verkeersongeval.

Vraag of vordering is verjaard. Geen stuiting door aanvragen van gezamenlijke medische expertise.

Onderhandelingen. Beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 423

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 132196 / HA ZA 05-2125

Vonnis van 26 april 2006

in de zaak van

de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Den Haag,

eiseres,

procureur mr. J.E. Lenglet,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. de stichting

STICHTING JEROEN BOSCH ZIEKENHUIS,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagden,

procureur mr. H.E.G. van der Flier.

Partijen zullen hierna ook afzonderlijk worden aangeduid als Nationale Nederlanden, [gedaagde sub 1] en het ziekenhuis.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 januari 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 9 maart 2006.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1. Op 27 juli 1989 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen [M] en [S]. Tengevolge van dat ongeval heeft [S] letselschade opgelopen, waaronder letsel aan zijn linker heup. Het ongeval werd veroorzaakt door [M], wiens auto destijds ingevolge de WAM verzekerd was bij Nationale Nederlanden.

2.2. Direct na het ongeval is [S] vervoerd naar (de rechtsvoorgangster van) de Stichting Jeroen Bosch Ziekenhuis in 's-Hertogenbosch, waar hij nog diezelfde dag is geopereerd door [gedaagde sub 1], orthopedisch chirurg. Op 4 augustus 1989 is [S] uit dit ziekenhuis ontslagen. Omdat [S] destijds in (de omgeving van) Rotterdam woonde, is zijn behandeling vanaf dat moment voortgezet door andere orthopedisch chirurgen, verbonden aan ziekenhuizen in Rotterdam.

2.3. Als WAM-verzekeraar van [M] heeft Nationale Nederlanden jegens [S] aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval erkend.

2.4. In de periode van 13 september 1989 tot en met 3 augustus 1992 heeft Nationale Nederlanden schade-uitkeringen aan [S] betaald tot een bedrag van EUR 111.888,58. In verband daarmee hebben Nationale Nederlanden en [S] op 28 juli 1992 c.q. 3 augustus 1992 een vaststellingsovereenkomst getekend.

2.5. Op basis van de aan haar ter beschikking gestelde medische informatie heeft Nationale Nederlanden geconcludeerd dat de heup van [S] na het ongeval niet goed is gereponeerd. In verband daarmee heeft Nationale Nederlanden bij brief van 28 februari 1994 [gedaagde sub 1], alsmede (de rechtsvoorgangster van) het ziekenhuis, waar [gedaagde sub 1] destijds werkzaam was, aansprakelijk gesteld voor de door [S] geleden schade.

2.6. Bij brief van 3 juni 1994 heeft NieuwRotterdam Knight Schippers B.V. in haar hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar van (de rechtsvoorgangster van) het ziekenhuis aan Nationale Nederlanden bericht dat zij de betreffende aansprakelijkstelling had ontvangen.

2.7. Sedertdien zijn Nationale Nederlanden en NieuwRotterdam Knight Schippers B.V. (optredend namens het ziekenhuis en [gedaagde sub 1]) met elkaar in contact in verband met de gevolgen van de medische behandeling die [S] heeft ondergaan. Inmiddels lopen deze contacten tussen Nationale Nederlanden en de rechtsopvolgster van NieuwRotterdam Knight Schippers B.V., te weten AXA Schade N.V. (verder: AXA). In het hierna volgende zal de rechtbank er - evenals partijen - van uitgaan dat AXA steeds namens gedaagden is opgetreden.

2.8. Omdat de medisch adviseurs van Nationale Nederlanden en AXA van mening verschilden omtrent de vraag of de medische behandeling van [S] destijds al dan niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, heeft AXA voorgesteld om een orthopedisch chirurgische expertise aan te vragen. In reactie daarop heeft Nationale Nederlanden voorgesteld de casus voor bindend advies voor te leggen aan een door partijen te benoemen neutrale deskundige. Naar aanleiding van dat voorstel heeft AXA bericht dat haar medisch adviseur geen bezwaren had tegen een "papieren" expertise. Dit overleg heeft er uiteindelijk in geresulteerd dat de medisch adviseur van AXA bij brief van 16 oktober 2001 mede namens Nationale Nederlanden aan prof. [R], orthopedisch chirurg, heeft gevraagd een medische expertise te verrichten.

2.9. Op 25 maart 2002 heeft [R] rapport uitgebracht. Dit rapport is op 1 mei 2002 door AXA aan Nationale Nederlanden toegezonden.

2.10. Nadat AXA en Nationale Nederlanden vervolgens verder met elkaar hebben gecorrespondeerd, heeft AXA bij brief van 15 juli 2004 een beroep gedaan op verjaring van de door Nationale Nederlanden gepretendeerde rechtsvordering tot schadevergoeding, (uiterlijk) per 5 mei 2003.

2.11. Nationale Nederlanden heeft gedaagden op 8 september 2005 doen dagvaarden, waarbij zij (kort samengevat) heeft gevorderd gedaagden te veroordelen tot betaling van een bedrag van EUR 111.888,58, met veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure. Gedaagden hebben de vordering betwist en zich (onder meer) beroepen op verjaring.

2.12. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen zijn Nationale Nederlanden en gedaagden (alsmede AXA) onder meer overeengekomen dat zij de rechtbank thans uitsluitend nog vragen uitspraak te doen over de kwestie van de verjaring. De rechtbank zal zich dan ook daartoe beperken.

2.13. Onder het oude recht gold voor schadevergoedingsvorderingen op grond van onrechtmatige daad de algemene verjaringstermijn van 30 jaar ex artikel 2004 oud BW. Die verjaringstermijn ving naar oud recht aan zodra de vordering opeisbaar is, zodat in dit geval aangenomen moet worden dat die termijn (op zijn vroegst) is gaan lopen op het moment dat de heup van [S] is gereponeerd, derhalve op 27 juli 1989. Ingevolge artikel 73 Overgangswet NBW wordt de "nieuwe" verjaringstermijn van artikel 3:310 BW op 1 januari 1993 op deze situatie van toepassing. De rechtsvordering tot schadevergoeding verjaart op grond van artikel 3:310 BW na vijf jaar, zodat de vordering op 27 juli 1994 om 24.00 uur (behoudens stuiting) is verjaard.

2.14. Ingevolge art. 3:317 BW wordt de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis, zoals een verbintenis tot schadevergoeding, gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Deze schriftelijke mededeling moet worden begrepen in het licht van de strekking van een stuitingshandeling van deze aard, welke neerkomt op een - voldoende duidelijke - waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren (HR 14 februari 1997, NJ 1997, 244).

2.15. Ook indien partijen in onderhandeling zijn, geldt in beginsel dat voor stuiting van de verjaring een schriftelijke mededeling als bedoeld in lid 1 van laatstgenoemd artikel is vereist. Dit geldt eveneens in geval aan de onderhandelingen een aansprakelijkstelling vooraf is gegaan, die op zichzelf genomen de verjaring heeft gestuit, zodat vervolgens een nieuwe verjaringstermijn is aangevangen (HR 1 februari 2002, NJ 2002, 195).

2.16. Tussen partijen staat vast dat de verjaring in elk geval is gestuit door de aansprakelijkstelling van gedaagden bij brief van 28 februari 1994 van Nationale Nederlanden. Door stuiting van de verjaring begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag. Daaruit volgt dat de vordering in beginsel vijf jaar later, derhalve op 28 februari 1999 om 24.00 uur, is verjaard. Tussen partijen is allereerst in geschil of de verjaring na 28 februari 1994 en voor 1 maart 1999 opnieuw door Nationale Nederlanden is gestuit.

2.17. Bij brief van 28 november 1997 heeft Nationale Nederlanden aan (de rechtsvoorgangster van) AXA onder meer bericht:

"Wij verzoeken u thans binnen twee weken na dagtekening te reageren. Mochten wij binnen deze termijn geen reactie van u ontvangen dan gaan wij er vanuit, dat u niet bereid bent deze schade in der minne te regelen en zullen wij overwegen verdere stappen te ondernemen."

2.18. Naar het oordeel van de rechtbank vormt deze mededeling van Nationale Nederlanden een voldoende duidelijke waarschuwing aan AXA (en derhalve aan gedaagden) dat zij (nog steeds) rekening moest houden met een tegen haar (hen) in te stellen rechtsvordering. Daarom is de rechtbank van oordeel dat deze brief moet worden aangemerkt als een stuiting van de verjaring, als gevolg waarvan op dat moment een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen.

2.19. Ook de brief van 5 mei 1998 is aan te merken als een stuiting van de verjaring. In die brief schrijft Nationale Nederlanden:

"Hiermede bevestigen wij het gesprek, dat onze mevrouw [V] heeft gehad met uw heer [B] op 4 maart 1998.

De heer [B] was het met ons eens, dat er van verjaring geen sprake is. Hij heeft dan ook het beroep op verjaring zal laten varen.

Wij komen zodra mogelijk bij u op deze zaak terug om u de grootte van onze vordering te laten weten."

Deze brief is, gelet op de laatste zin ervan, aan te merken als een schriftelijke mededeling in de zin van artikel 3:317 BW. Toen is derhalve opnieuw een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen.

2.20. Naar het oordeel van de rechtbank is de verjaring echter niet gestuit voor het verlopen van die termijn. De door Nationale Nederlanden aangehaalde brieven van 4 november 1998, 1 juli 2002 en 9 januari 2003 zijn niet als schriftelijke mededelingen in de zin van lid 1 van artikel 3:317 BW aan te merken. Daarin is immers geen voldoende duidelijke waarschuwing te lezen als bedoeld in 2.14. Ze zijn veeleer te zien als een schriftelijke stap in de onderhandelingsfase, maar dat is onvoldoende om te leiden tot stuiting van de verjaring. Ingevolge de onder 2.15 aangehaalde jurisprudentie is enkel het voeren van onderhandelingen onvoldoende om de verjaring te stuiten en blijft een schriftelijke mededeling als hiervoor omschreven, vereist.

2.21. Nationale Nederlanden heeft nog aangevoerd dat de verjaring is gestuit doordat partijen gezamenlijk een medische expertise hebben aangevraagd (zie overweging 2.8), hetgeen is te beschouwen als de verkrijging van een bindend advies. Gelet op artikel 3:316 lid 3 jo. 3:319 lid 1 BW is de verjaring op 25 maart 2002 gestuit toen [R] zijn rapport uitbracht, aldus Nationale Nederlanden. Met gedaagden is de rechtbank echter van oordeel dat de rapportage van [R] niet is aan te merken als een bindend advies waarop artikel 3:316 lid 3 BW het oog heeft. Blijkens de parlementaire geschiedenis bij die bepaling moet onder een beding van bindend advies worden verstaan ieder beding tussen partijen, waarbij de beslissing van geschillen aan de rechter wordt onttrokken zonder aan de uitspraak van een of meer scheidsrechters te worden onderworpen. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval onvoldoende gebleken dat partijen (een deel van) hun geschil definitief aan het oordeel van de rechter hebben onttrokken. Nationale Nederlanden heeft in haar brief van 16 juli 2001 het voorstel gedaan om de casus voor 'bindend advies' voor te leggen aan een neutraal deskundige. Daarbij heeft zij niet aangegeven wat naar haar mening moet worden verstaan onder 'bindend advies' en welke aspecten die deskundige bindend zou moeten beslissen voor partijen. Zo dat voorstel al moet worden gezien als een voorstel dat een deskundige een of meer geschilpunten definitief en bindend voor partijen zou beslissen (vergelijkbaar met een beslissing van een rechter of een arbiter), dan kan niet gezegd worden dat AXA dat voorstel heeft geaccepteerd. AXA heeft op 13 september 2001 geschreven geen bezwaren te hebben tegen een "papieren" expertise, heeft een andere deskundige dan de door Nationale Nederlanden aangedragen deskundige voorgesteld en heeft een conceptvraagstelling bijgevoegd. Zij besluit haar brief met de mededeling dat zij graag verneemt of Nationale Nederlanden hiermee kan instemmen. Bij brief van 24 september 2001 heeft Nationale Nederlanden aangegeven te kunnen instemmen met het voorstel van AXA. Gelet op deze constellatie van feiten kan niet worden aangenomen dat partijen met het vragen van de medische expertise aan [R] een bindend advies hebben gevraagd en gekregen als bedoeld in artikel 3:316 lid 3 BW, zodat de verjaring niet uit dien hoofde is gestuit.

2.22. De rechtbank concludeert dan ook dat de vordering van Nationale Nederlanden is verjaard met ingang van 6 mei 2003. Subsidiair heeft Nationale Nederlanden betoogd dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat AXA tijdens de onderhandelingen bij Nationale Nederlanden het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij geen beroep zou doen op de verjaring. AXA heeft dat standpunt betwist en stelt dat er überhaupt geen sprake was van onderhandelingen en dat het beroep op verjaring voor het overige evenmin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is te noemen. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.

2.23. Uit de overgelegde correspondentie wordt duidelijk dat tussen partijen overleg heeft plaatsgevonden - welk overleg overigens ook door AXA als minnelijk overleg wordt aangeduid - omtrent de medische oorzaak van het ontstane letsel en de vraag of sprake is van een beroepsfout. Gezien dat minnelijke overleg en de afspraken die partijen daarbij met elkaar hebben gemaakt is de rechtbank, in tegenstelling tot hetgeen AXA betoogt, van oordeel dat partijen na de aansprakelijkstelling wel degelijk met elkaar in onderhandeling zijn getreden. In aansluiting op Hof Arnhem 25 november 2003, NJ 2004, 228, overweegt de rechtbank dat van onderhandelingen tussen een beweerde schuldeiser en een schuldenaar van een verbintenis houdende aansprakelijkheid voor schade sprake is, indien over en weer de standpunten worden besproken (er een meningsuitwisseling plaatsvindt) over de vestiging en/of de omvang van de aansprakelijkheid en de betreffende schuldeiser niet denkt of behoort aan te nemen, dat de genoemde schuldenaar een schaderegeling zonder meer uitsluit (cursivering rechtbank). Gezien de handelwijze van AXA valt bezwaarlijk in te zien op grond waarvan Nationale Nederlanden had moeten bevroeden dat AXA een schaderegeling zonder meer uitsloot.

2.24. Onder omstandigheden is het niet uitgesloten dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een schuldenaar die voordat de vijfjaarstermijn van artikel 3:310 BW is voltooid, met een schuldeiser in onderhandeling treedt, zich tegenover deze erop beroept dat op enig moment gedurende de onderhandelingen deze termijn is voltooid. In zo'n geval moet worden aangenomen dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen te rekenen vanaf het ogenblik waarop de onderhandelingen worden afgebroken, aldus HR 1 februari 2002, NJ 2002, 195.

2.25. Van zulke omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank sprake zijn indien aan de onderhandelingen, zoals in casu, een aansprakelijkstelling is voorafgegaan en het aan de schuldenaar duidelijk is dat hij er rekening mee moet houden dat hij de beschikking behoudt over zijn gegevens en bewijsmateriaal opdat hij zich tegen een mogelijkerwijs alsnog in te stellen rechtsvordering behoorlijk kan verweren. De rechtbank overweegt in verband daarmee dat - zoals ook in de voorgaande overwegingen is geschetst - tussen Nationale Nederlanden en AXA uitgebreid, vooral schriftelijk maar ook mondeling, overleg heeft plaatsgevonden over deze kwestie. Voordat AXA zich bij brief van 15 juli 2004 heeft beroepen op verjaring, waren in de tien voorgaande jaren - volgens de overgelegde processtukken - al 42 brieven (!) tussen de verzekeringsmaatschappijen over en weer gestuurd. Die brieven hadden niet alleen betrekking op praktische zaken (zoals het verkrijgen van medische machtigingen) en het tot spoed aanzetten van de tegenpartij, maar ook op een inhoudelijke verkenning van de kwestie, waarbij de medische adviseurs van de verzekeringsmaatschappijen werden betrokken. Na een aanvankelijke afwijzing van aansprakelijkheid heeft AXA in september 2001 voorts ingestemd met het laten verrichten van een medische expertise teneinde vast te stellen of [gedaagde sub 1] een beroepsfout had begaan. Uit dat expertiserapport bleek niet zonder meer dat geen sprake was van een beroepsfout van [gedaagde sub 1]. Bij brief van 22 april 2003 heeft AXA aan Nationale Nederlanden bericht dat zij na ontvangst van nader medisch advies haar standpunt inzake de aansprakelijkheid, een minnelijke regeling of een volgende expertise aan Nationale Nederlanden kenbaar zou maken. In verband met het uitblijven van een bericht van AXA heeft Nationale Nederlanden bij brief van 2 september 2003 gerappelleerd. Naar aanleiding daarvan heeft AXA bij brief van 9 oktober 2003, derhalve ná het verstrijken van de verjaringstermijn, geschreven ernaar te streven haar standpunt zo spoedig mogelijk kenbaar te maken. Nationale Nederlanden heeft wederom gerappelleerd bij brieven van 2 februari en 14 juli 2004. Eerst bij brief van 15 juli 2004 heeft AXA zich beroepen op verjaring. Gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken in het onderhavige geval heeft AXA naar het oordeel van de rechtbank er dan ook rekening mee moeten houden dat Nationale Nederlanden alsnog een vordering zou instellen en heeft zij voorts bij Nationale Nederlanden het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat zij geen beroep op verjaring zou doen. De rechtbank beoordeelt het beroep op verjaring dan ook als onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen op 15 juli 2004, toen AXA in feite de onderhandelingen heeft afgebroken. Nationale Nederlanden heeft binnen die verjaringstermijn gedaagden gedagvaard en aldus ingevolge artikel 3:316 lid 1 BW de verjaring tijdig gestuit.

2.26. Zoals partijen bij gelegenheid van de comparitie zijn overeengekomen, zal de rechtbank de zaak naar na te noemen rolzitting verwijzen voor uitlating door partijen over voortprocederen.

3. De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rolzitting van deze rechtbank van woensdag 10 mei 2006 voor uitlating partijen over voortprocederen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2006.